EPUB

Braam - Schuyesmans, Willy

By Anna Ray,2014-08-09 02:30
9 views 0
Braam - Schuyesmans, Willy

    Inhoudsopgave

    ?

    EEN

    ?

    TWEE

    ?

    DRIE

    ?

    VIER

    ?

    VIJF

    ?

    BRAAM

    ?

    Willy Schuyesmans

    ?

    ?

    voor Krispie

    ?

?

?

    EEN

    ?

    ?

    De zondag waarop Braam ter wereld kwam, veegde de pasgeboren meizon de melkwitte nevelsliertenuit haar ogen en keek ze verwonderd toe hoe Hille haar lippen op elkaar perste en duwde, duwde,zoals ze in haar hele leven nog niet had geduwd. Ze was die ochtend al heel vroeg uit het holgekropen, heel voorzichtig om haar kolossale buik niet te stoten. Ze had zorgvuldig hetzachtste plekje gezocht op de met kussentjesmos begroeide helling, en terwijl haar ademhalingsteeds zwaarder werd en de golvende pijnen elkaar steeds sneller opvolgden, zag Hille boven degebogen horizon van haar buik de zon opgaan. Net toen de eerste stralen haar ogen genadeloosverblindden, tolde een messcherpe pijn als een kurketrekker door haar onderlijf. Hille stondmoeizaam op, en wijdbeens steunend tegen een eik perste ze met een dierlijk diep gegrom haarjong de wereld in.

    ?

    Hille ging uitgeput achterover liggen, hijgend als een hond na een stoeipartij. De pijn ebdeweg en maakte plaats voor een diepe warmte, die vanuit haar enkels door haar benen golfde ensteeds hoger kroop. Toen voelde ze haar lippen gloeien, en het zoute zweet zocht in eenstraaltje zijn weg van op haar voorhoofd naar het putje van haar oog.

    ?

    Hille steunde moeizaam op haar ellebogen en bekeek voor het eerst dat natte, bruin en rozehoopje mens, dat dampend tussen haar dijen lag. Een jongen , fluisterde ze en ze lachte, tothaar witte tanden schitterden in de ochtendzon. Toen pakte ze het jongetje bij zijn brozebeentjes op en schudde hem een paar keer. En kijk, hij zoog voor het eerst zijn prille longenvol, en zijn oerschreeuw weerkaatste tussen de gegroefde eiken. Een winterkoninkje vlakbijhield heel even op met zingen en schudde verwonderd zijn rechtopstaande staartje.

    ?

    Hille had de geboorte maandenlang zorgvuldig voorbereid. Uit haar plunjezak haalde ze repenwilgebast. Ze bond er de navelstreng mee af en beet die met haar scherpe tanden door, zoals zedat vroeger - aan de Overkant - de kat wel eens had zien doen.

    ?

    Daarna veegde ze de boreling schoon met een tip van haar rok en drukte hem teder tegen haarwang aan. Braam , fluisterde ze, want om een of andere reden rook ze rijpe bramen, al wist zezeker dat die er in mei niet waren. Daarna waste ze hem in het koude, heldere water van hetbeekje, wreef hem warm en droog en wikkelde hem stevig in een omslagdoek. Toen waste zezichzelf, groef met haar handen een kuiltje op de open plek en legde daar de nageboorte in. Zevulde de kuil met verse aarde en plantte er een pas gekiemde eikel in, die onder de grote eik,waar ze hem had opgeraapt, toch geen kans op overleven had.

    ?

    Ze haalde Braam van zijn zachte mosbed, ging met haar rug tegen de grote eik zitten, maaktehaar melkwitte borst bloot en liet hem tastend naar de boordevolle tepel zoeken. Klokkend zoogBraam de zoete melk naar binnen. En tegelijk met de melk zoog hij de kracht van Hille op, destille kracht waardoor ze de breuk met de Overkant te boven was gekomen. Braam dronk en Hillezong een heel nieuw lied, en de goudhaantjes in de toppen van de dennen zongen onhoorbaar methaar mee.

    ?

    ?

    *

    ?

?

    Het hol was klein, maar behaaglijk. Hille had het met haar eigen handen gegraven tussen dewortels van de machtige eik, waaronder ze op die zwoele septemberavond, een goed half jaargeleden nu, doodmoe in slaap was gevallen. Als je er toevallig voorbij zou komen, zou jenauwelijks merken dat er iemand woonde. Maar er kwam natuurlijk nooit iemand voorbij. Nietgewild en zeker niet toevallig. De plek die Hille voor haar hol had uitgekozen, lag zo diep inOer en zo ver van de Overkant verwijderd, dat er wellicht nog nooit een ander mens was geweest.

    ?

    Het enige wat het hol van buiten af verraadde, was het pad. Niet eens een echt pad, zoals jedat wel eens in tuinen ziet. Of in keurig aangelegde wandelbossen, waar 's zondags groepjesstadsmensen even de weg verlaten om van de wilde natuur te genieten. Nee, het pad van Hilleleek veeleer op het spoor van een vos of een das, uiterst behoedzaam gevormd om het speenkruidniet te vertrappen of een slak niet te verstoren. Sinds ze hier woonde, liep Hille altijd opblote voeten. Ze vond het heerlijk om ze schoon te wassen in het bedauwde gras, als ze 'smorgens naar de beek liep om water te halen. De schoenen, waarmee ze van de Overkant naar hierwas gelopen, had ze eerst in haar plunjezak opgeborgen. Misschien keer ik ooit nog terug, hadze toen gedacht. En je kon toch niet op je blote voeten aan de Overkant aankomen. Op een dag,toen een vaag heimwee haar naar de keel greep, had ze nog een keer die schoenen te voorschijngehaald. Maar ze knelden nu rond haar voeten. En bovendien was het leer beschimmeld. Hillesbesluit stond vast: ik ga nooit meer terug. Ze groef een kuil achter het hol in de mullebosgrond, stopte de schoenen erin en schepte de warme najaarsaarde er bovenop. Toen keerde zezich naar het westen, waar op dat moment de zon onderging in een zee van oranje en vermiljoen,legde haar handen op haar buik en voelde hoe haar jong groeide in zijn warme nestje.

    ?

    ?

    *

    ?

    ?

    Braam huilde. Niet luid en nijdig, zoals baby's vaak huilen, maar aarzelend, klagend bijna.Hille ging rechtop zitten naast het wiegje, dat ze zelf in elkaar had gesjord van essehoutentakken met repen wilgebast. Ze streek met haar wijsvinger over de zachtroze wang van Braam, dieer meteen met zijn mond naar op zoek ging. Pas nu viel het Hille op hoe ruw haar vingersgeworden waren sinds ze in Oer woonde. Haar nagels hadden zwarte randjes, ook al maakte ze dieelke dag schoon met een houtsplinter. Maar vooral haar huid was grauw en gekloofd en haperdeeen beetje, toen ze met haar vinger Braams lippen aaide. Waren dit de handen waarmee ze Jakobhad gestreeld? Waren dit de nagels die ze diep in zijn rug had geplant, toen hij haar zoende enhaar huid deed tintelen van geluk? Hille kneep haar ogen dicht en voelde hoe een traan langs deronding van haar neusvleugel tussen haar lippen verdween.

    ?

    Hille schudde haar hoofd als om die broeiende gedachten van haar af te zetten. Ze nam Braam inhaar handen en kuste hem over zijn hele tengere lijfje en fluisterde onophoudelijk dat ze samenalles zouden herbeginnen, de hele wereld opnieuw ontdekken en dat zij hem alles, alles zouleren. Tenslotte legde ze hem weer in zijn wiegje op het zachte, geurige bed vanlievevrouwebedstro, ging zelf languit op haar rug liggen en viel bijna onmiddellijk in eendiepe, alles toedekkende slaap.

    ?

    ?

    *

    ?

?

    Toen Braam bijna een maan oud was en de zomerdagen haast tot de morgen duurden, nam Hille hemmee op haar wandelingen door het bos. Ze bond hem stevig vast op haar rug, juist boven haarlenden, met de huid van de jonge reebok, die ze in het putje van de winter stervend in desneeuw had gevonden.

    ?

    Braam danste op en neer op Hilles rug, terwijl ze wiegend door de koele kruiden liep. Haarblote voeten zakten nauwelijks weg in de kruimige bosgrond, want Hille was spichtig en mager enwoog niet meer dan een bosdier. Af en toe hield ze halt en bukte zich voorover om wat jongebladeren te plukken van wilgeroosje, melde of gele dovenetel. Ze legde de blaren in haar biezenmandje. Braam schoof dan een stukje omhoog op haar rug, en uit zijn maag, die boordevol was metde rijke, zoete melk, die hij zopas nog uit haar lijf gezogen had, kronkelde een luchtbelomhoog. Hille lachte, toen ze voelde hoe het warme vocht zich een weg zocht over haar rug entenslotte in haar witte nekhaartjes vastliep. Ze richtte zich weer op en streelde Braams wekehoofdje over haar schouder heen. Zou haar plan lukken? dacht ze. Kon je een kind werkelijkgrootbrengen met alleen maar de natuur om je heen? Het leek haar niet zo moeilijk nu. Het waszomer en warm. Maar als ze dacht aan de ontberingen die ze de voorbije winter had moetendoorstaan... Aan de koude die je ijl maakte en ervoor zorgde dat je niet meer kon denken. Aande honger die ze had geleden, toen haar voorraad eikels en kastanjes op raakte. Aan de regen ende wind in het hol, dat vol kieren en gaten zat. Aan de natte voeten, de schimmels die langs dewanden omhoog kropen. Ze was het allemaal te boven gekomen. Ze had het zelf doorstaan. Omdat zehet wilde. Omdat ze aan de Overkant wilde bewijzen dat ze hen niet nodig had, omdat ze in Oereen nieuw leven wilde beginnen met de vonken van hoop die ze diep in haar buik voelde stampen.Maar nu het kind er was, werd ze bang. Niet voor haarzelf, maar voor Braam. Wat als hem ietsoverkwam? Als hij ziek werd of dood ging van honger of kou?

    ?

    Hille had net een blad geplukt en duizelde even, toen ze rechtop kwam. Ze zuchtte diep, en alsom die nare gedachten van zich af te zetten schudde ze haar hoofd, zoals een hond na eenzwempartij de druppels van zich afschudt. Nee, Braam zou het overleven. Daar zou zij voorzorgen. Als hij honger had, zou zij het eten uit haar mond sparen om hem te voeden. Als hijdorst had, zou ze sneeuw in haar handen laten smelten om hem te drinken te geven. Als hij kouhad, zou ze hem tegen haar naakte lichaam leggen en hem doordringen met alle warmte die ze inhaar magere lijf bij elkaar kon schrapen. En hij zou niet alleen overleven: hij zou opgroeientot de waardige zoon van Jakob en Hille, die de mensen van de Overkant niet nodig had om televen. Hij zou de eerste nieuwe mens worden, die genoeg had aan wat de natuur hem gaf en geenboodschap had aan jaloezie, hardvochtigheid of bemoeizucht.

    ?

    Hille was nu op de plek aangekomen waar het bos langzaam overging in een moerassige vlakte, dieop de rivier uitliep. Ze volgde met haar ogen een verschrikte eekhoorn, die vierklauwens langseen stam omhoog stoof. Ze luisterde naar het lied van een leeuwerik die ze maar niet kon vindenin het licht dat, nu ze het bos uitkwam, vol en hevig was. Even koesterde ze zich in de warmestralen van de middagzon en begon tegen Braam te vertellen. Geen verhaaltje, maar gewoon dedingen die ze deed. Hoe ze groenten bij elkaar zocht voor de stamppot van vanavond. Hoe ze dedikgenerfde bladeren van de smeerwortel verzamelde en met haar voeten in het water naar dewortelstokken van het fonteinkruid zocht. Ze vertelde ook hoe ze brood zou bakken van dewortels van mattenbies en lisdodde en ze was er zeker van dat Braam aandachtig naar haarluisterde, terwijl hij zachtjes op en neer bewoog op het ritme van haar ademhaling.

    ?

    ?

    *

?

    ?

    Het liep tegen eind augustus, en Braam was drie manen oud, toen Hille hem een braambes lietproeven. Wekenlang al had ze zich op dit moment verheugd. Wel tien keer was ze de afgelopendagen voorbij de rijpende bessen gelopen. Met haar ogen had ze de mooiste vruchten uitgezocht,bekeken, gestreeld en besnuffeld, terwijl ze nog helemaal rood waren. Ze had ze bij het rijpengevolgd, zoals een moeder haar kind volgt als het zijn eerste stappen zet. Want niemand wistbeter dan Hille hoe verschillend braambessen kunnen zijn. Moest zij de meisjes aan de Overkantvroeger niet altijd de beste braambosjes aanwijzen? Was zij het niet die met eindeloos geduldurenlang bessen plukte, tot haar mandje boordevol was en de andere kinderen allang met eenscharlakenrode mond en halfvolle mandjes waren afgedropen? Stond zij niet telkens verwonderd tekijken dat ze helemaal alleen was achtergebleven? Daar had ze geleerd hoe bessen van elkaarverschillen, en hoe je alleen al met je ogen het onderscheid kon maken tussen bramen die diepen rijk smaakten als de donkerrode wijn in het glas van haar vader, waar ze stiekem van nipte,en bramen die alleen maar naar water smaakten, als boerendruiven na een regenbui.

    ?

    Hille bukte zich ver voorover om de mooiste bes te plukken. Dat was niet zo makkelijk, wanthaar grove rok bleef telkens weer aan de stekels hangen, en ze was bang dat zo'n nijdigestengel de fluwelen huid van Braam zou openhalen. Toen ze tenslotte de bes tussen haar duim,wijs- en middelvinger voelde, wrikte ze die langzaam heen en weer, tot ze losliet. Zeonderzocht de braam zorgvuldig, rook eraan en glimlachte tevreden. Ze legde de vrucht in haarmandje, maakte de knopen los waarmee ze de reebokhuid voor haar buik gebonden had en nam Braammet een handige beweging in haar linkerarm.

    ?

    Braam had honger. Dat kon ze zo wel zien. Hij zocht met zijn gretige mond naar links en naarrechts, en toen Hille de rijpe braambes tegen zijn fijn geboetseerde lippen duwde, smakte hijgulzig. Maar zijn begerige tong, die nog niets anders kende dan moedermelk, proefde nubessesap. Braam knipperde even met zijn ogen, duwde zijn hoofdje opzij en begon plotshartverscheurend te huilen, alsof iemand hem diep had ontgoocheld. Maar Hille gaf het niet op.Ze wiegde Braam even op haar arm, suste hem tot zijn huilen bedaarde en duwde de braambesopnieuw in zijn nog zoekende mondje. En kijk, de jongen deed zijn ogen wijd open, smakte nogeen paar keer en besloot dat bessesap even lekker kan zijn als melk.

    ?

    Hille zoende hem, en tegelijk rook ze de geur van bramen, die uit zijn halfgeopende mondjekwam. Haar hart kromp in elkaar. De schaduw van Jakob schoof weer over haar gedachten, enachter in haar keel groeiden tranen, die ze vergeefs trachtte weg te slikken.

    ?

    ?

    *

    ?

    ?

    De herfst kwam onverwacht vroeg dat jaar en de eerste felle westerstormen rukten vinnig eikelsen kastanjes van de bomen. Hille verzamelde ze gulzig in grote, uit wilgetwijgen gevlochtenmanden, die ze zo goed en zo kwaad als het ging, in het hol opstapelde. Overal verstopte zehaar voorraden. Dicht bij het vuur lagen wortelstokken van aronskelk te drogen, waar Hillezetmeel uit won. Ze raspte de wortels in water dat ze vervolgens in neteldoek zeefde. Dan warener de beuke- en hazelnoten. En natuurlijk de vele paddestoelen, van eekhoorntjesbrood totkastanjeboleet, van hanekam tot gele ridderzwam, die Hille zorgvuldig in dunne reepjes hadgesneden en gedroogd. Ze waren zo licht geworden dat je ze wel weg kon blazen. Hille hield ergveel van paddestoelen. Ze zou de gedroogde reepjes deze winter in water laten weken, tot ze

    weer dik en vlezig werden en ze de plakjes kon bakken. En dan waren er nog de zakken metbeemdgraszaad, dat ze met engelengeduld had verzameld en gedorst. Elke dag nam ze een paarhanden vol zaad en wreef het tussen twee platte stenen fijn, tot haar vingers er de kramp vankregen.

    ?

    Nee, honger zou Hille niet lijden. Dat wilde ze ook niet meer. Na de ontberingen van vorigewinter had ze haar lesje geleerd. Het hele jaar door had ze verzameld en gewroet om genoeg bijelkaar te krijgen voor zichzelf en voor Braam. Een beetje eentonig was het misschien wel. Nu alwist ze met zekerheid hoezeer ze zou verlangen naar de dag waarop de verse scheuten van deadelaarsvaren als vraagtekens uit de grond zouden rijzen om het voorjaar aan te kondigen.

    ?

    Braam sliep. Het was fris in het halfduistere hol, en Hille legde een nieuw houtblok op hetvuur, dat duizend dolle gensters deed opspatten. Het vuur was haar grootste zorg. Sinds eenjaar nu was ze erin geslaagd het brandend te houden. Zelfs als ze een hele dag door het boszwierf op zoek naar voedsel, zorgde ze er altijd voor dat het vuur bleef smeulen. 's Avondsblies ze er de gloed weer in, tot de droge twijgjes door de hitte vanzelf in brand vlogen.

    ?

    Hille dacht aan de vorige herfst, toen ze hier pas woonde en 's morgens rillend en schokkendvan de kou wakker was geworden. Het had wel een uur geduurd voor ze de huiver van haarruggegraat had verdreven, en ze had meteen beseft dat ze zonder vuur in Oer niet zou kunnenoverleven. Vuur. Het had zo eenvoudig geleken aan de Overkant, waar je vuur maakte als je hetnodig had. Maar hier in Oer raakte Hille in paniek. Ze sloeg keien, die zij voor vuurstenenhield, tegen elkaar, tot haar vingers er bont van waren. Even meende ze gensters te zien, maarze slaagde er in elk geval niet in om er vuur mee te maken. Nadien rolde ze urenlang een droogstokje tussen haar handpalmen. Het uiteinde ervan draaide in een holte die ze in een houtblokhad gemaakt. Handen vol pluis van wilgeroosje zocht ze bij elkaar in de hoop dat het lichte,droge spul vuur zou vatten. E‚n keer lukte het haar het stokje zo warm te wrijven dat er eendun sliertje rook uit kwam. Eindelijk, dacht ze, maar even later ging het weer uit. Uitgeputlegde ze zich tenslotte neer.

    ?

    Misschien slaat de bliksem wel in op een hoge, alleenstaande eik, dacht ze. Dan kan ik hetbrandende hout verzamelen en er een vuur mee maken. Maar zo'n geschenk uit de hemel kreeg Hilleniet. E‚n keer had de bliksem inderdaad een boom geveld in de buurt van haar hol. Toen zehijgend en druipnat van de ijskoude regen bij de bewuste plek was aangekomen, had ze er alleeneen zwartgeblakerde stronk gevonden, die een geur van verschroeid hout verspreidde.

    ?

    Iemand had haar ooit het verhaal van de Griekse held Prometheus verteld, die het vuur bij degoden had gestolen. Maar van de goden had Hille niets te verwachten. Dus had ze beslotengenomen het vuur bij de mensen te gaan stelen. Ze had zich voorgenomen dat dit haarallerlaatste bezoek aan de Overkant zou worden. Ze was 's morgens vroeg vertrokken, en toen zede boszoom had bereikt, ging het welhaast schemeren. Ze verstopte zich onder een hazelaar, dienog wat late vruchten droeg. Een boer veegde de gedroogde resten van zijn oogst op een hoop enstak ze aan. Ongeduldig was ze blijven wachten tot de boer naar binnen was gegaan en hethelemaal donker was geworden. Toen was ze tot bij de smeulende hoop geslopen en had pas op datmoment beseft dat ze de gloeiende as niet in haar blote handen mee kon nemen.

    ?

    Ze was tot bij het huis gelopen op zoek naar een geschikte pot voor de as. Terwijl ze even doorhet raam naar binnen keek, had het heimwee haar plots in zijn greep gekregen. Ze had een vrouwaan de tafel zien zitten naast een kind dat aan het schrijven was. De boer, die haar daarnetbuiten nog onbenullig had toegeschenen, zat nu zo rustig met een vork in een bord aardappelente schrapen dat Hille een ijl gevoel naar haar hoofd had voelen opstijgen. Dit huiselijk

    tafereeltje had haar opeens zo bedreigend geleken, alsof deze mensen, alleen maar door tebestaan, hadden willen spotten met haar voornemen helemaal alleen in Oer te gaan wonen en daareen kind groot te brengen. Heel even had Hille het gevoel gehad alsof ze in twee stukken werdgescheurd, en de twijfel had haar doen duizelen. De riek, die naast het raam tegen de muurstond, viel kletterend om, en onmiddellijk begon een kettinghond heftig te blaffen. Hillemaakte meteen haar keuze. Ze rende langs het huis heen voorbij de hond. Daarbij was zegestruikeld over een gietijzeren pot, waarin de boer altijd drinkwater voor de hond goot. Zehad het ding met haar twee handen vastgeklemd en zich verscholen achter een mud hout. De boerwas naar buiten gekomen en had geroepen dat Brakke zich koest moest houden. Omdat de hond bleefblaffen, keek hij vluchtig om zich heen en ging toen weer naar binnen. Hille had gehoord hoehij het slot tweemaal had omgedraaid. Vliegensvlug was ze naar de smeulende hoop as gerend enhad er met de gietijzeren pot een flinke hoop van opgeschept. Ze had met haar kostbare vrachtal de rand van het bos bereikt, toen Brakke eindelijk ophield met blaffen.

    ?

    Tegen de morgen aan kwam ze in haar hol in Oer aan. Het was een koud kunstje om de as weer totleven te wekken. Sindsdien had ze het vuur nooit meer laten uitgaan, dacht Hille. Ze keek doorde dansende vlammen heen naar Braam, die nog altijd sliep.

    ?

    ?

    *

    ?

    ?

    De sneeuw was allang gesmolten, en de dagen begonnen net weer merkbaar te lengen toen Braamziek werd. Februari was nat, en in het hol hing de muffe geur van hout dat schimmelde onder deschors. Hille kon zelfs nauwelijks voldoende veenmos drogen voor Braams luiers. Ze was van dekille morgen tot de gure avond in de weer met alleen maar de levensnoodzakelijkste dingen: hetvuur brandend houden, eten klaarmaken, Braam zogen, hout sprokkelen en de uitgezette stroppencontroleren in de hoop op een stukje vlees. Vaak at ze pas laat in de namiddag voor het eerst,en hoewel nooit erg veel, had Hille na afloop toch vaak zo'n loom en voldaan gevoel, dat zeeven op haar strozak ging liggen. Gewoonlijk was dat het ogenblik waarop ze in het Boek las. Zediepte het op uit haar plunjezak en veegde met haar mouw de vochtplekken en de dreigendeschimmel van het leer. Dan sloeg ze het Boek op een willekeurige plek open en begon te lezen.Zo las ze die middag het verhaal van koning Ela, die door zijn dienaar Zimri werd vermoord,toen hij een keer zwaar bedronken aan tafel zat met zijn hofmaarschalk. Hille liet het boekaarzelend op haar schoot zakken. Ze voelde hoe de muizenissen, als een spin die zoekend haarharige poten uitstrekt, vanuit het diepste van haar maag omhoogkropen, tot ze zich in haar keeltot een krop samenbalden, die ze maar niet door kon slikken. Weer doemden de beelden op diehaar in de eerste maanden in Oer zo vaak in haar donkerste dromen hadden bezocht. Beelden vandrank en dood, die voor haar onlosmakelijk met de Overkant verbonden waren. Haar vader,dronken, brullend en om zich heen slaand. Het jachtgeweer. De vlijmende slag in haar gezicht.Jakob die plots komt toegesneld om haar te helpen en de lading hagel van op amper twee meter inzijn borst krijgt. En neerzakt. Traag. Traag. Wankelend op zijn benen naar de grond toe draait.Valt. Zijn hoofd op het arduin, mond en ogen open. Zijn stervende blik zegt liefde, en zijnmond lispelt vlucht. De klagende gil van Hille die hem omarmt. Haar vader die haar bij haarharen naar binnen sleurt en opsluit. De wanhoop. De onmacht. De gloeiende pijn die allesverbrandt.

    ?

    Het zachte gekreun van Braam haalde Hille uit de diepe put waarin ze in gedachten verzonkenwas. En meteen zag ze dat er iets mis was. Braam gloeide als de ondergaande zon. Haastig nam zehem uit zijn wiegje, maakte haar koele borst bloot en legde hem aan. Maar Braam was lusteloosen keek niet eens naar de lokkende tepel, waar hij anders zo gretig naar zocht. Hij liet zijn

    hoofdje rusten tegen Hilles lauwe borst, en ze voelde hoe de koorts zich in haar lijf branddeals het gloeiende merkijzer van de veeboer. Met een natte doek depte ze zijn voorhoofd om deverschroeiende gloed te dempen die Braam vanbinnen uit opbrandde. Maar het hielp niet.

    ?

    Dit was het moment waar Hille altijd al bang voor was geweest, al wist ze zeker dat het vroegof laat zou komen. Braam zou ziek worden, en dan zou ze het niet meer alleen aankunnen. Dan zouze moeten kiezen: de Overkant te hulp roepen of Braam laten sterven. Ze wist nu al wat ze zoukiezen. Alleen wilde ze het niet toegeven. Ze kon hem toch wel zelf genezen. Zij toch, met haarkennis van kruiden en haar liefde voor Braam.

    ?

    Hille sprong op, legde twee handen vol klein, droog hout op het vuur en zette er de gietijzerenpot met water bovenop. Toen zocht ze in haar voorraad naar kruiden, waarvan haar moeder, toenze nog leefde, haar het gebruik had geleerd. Twee vingertoppen moerasspirea, een paar gedroogdekamillebloempjes, een greepje lindebloesem - ze herinnerde zich nog precies de mooie dag injuni vorig jaar, waarop ze die geplukt had met Braam op haar arm - en een paar schermengedroogde vlier. Toen het water kookte, nam ze de pot van het vuur en gooide het mengsel erin.Ze dekte de ketel toe met een gelooid konijnevel en liet de kruiden tien minuten trekken. Degeur van de kruidenthee vulde heel het hol met herinneringen aan de lente, die dit jaar maarniet wilde komen.

    ?

    Toen de thee was afgekoeld tot een lauw, maar sterk aftreksel, doopte Hille er een stukjeschoongewassen linnen in, dat het vocht gretig opzoog. Ze druppelde de thee op Braamskoortsige, gebarsten lippen. Hij smakte even, en Hille druppelde nog meer thee in zijn mond.Maar toen stak hij zijn gezwollen tong uit en het meeste vocht liep in een dun straaltje langszijn wang naar beneden. Wel een uur lang probeerde Hille het opnieuw en opnieuw, tot ze erzeker van was dat hij voldoende medicijn had binnengekregen. Toen dekte ze hem zorgvuldig toeen viel zelf uitgeput in slaap naast hem.

    ?

    Midden in de nacht werd ze wakker van een zeurderig gehuil. Hille rakelde het vuur wat op,zodat de vlam er weer in schoot en ze toch een beetje licht had in het hol. Het was te donkerom de gloed te zien, maar ze voelde de droge hitte van Braams huid afstralen, lang voor ze hemhad aangeraakt. Ze warmde de koud geworden thee weer op en liet opnieuw geduldig druppel nadruppel in Braams mond vallen. Nadien deed ze geen oog meer dicht. Was dit het einde van haaravontuur in Oer? Ze ging rechtop zitten en telde in het donker de kerven in het houtblok naasthaar strozak. Zeventien nieuwe manen telde ze, bijna anderhalf jaar. Had ze zolang al dieontberingen geleden voor niets? Ze had kou, honger en dorst doorstaan met haar sterkewilskracht om de Overkant te bewijzen dat ze hen niet nodig had, dat ze alleen kon leven met demiddelen die de natuur zelf haar schonk. En met Braam, het enige tastbare wat nog van haarliefde voor Jakob overbleef. Hij zou opgroeien tot een vrij man, die niemand nodig had in ditleven, die voor zichzelf kon zorgen met al wat de natuur hem bood. Maar Braam was ziek nu, endat bracht haar helemaal in de war.

    ?

    Toen het eerste ochtendlicht door de kieren in het hol naar binnen kroop, haalde Hille Braamweer uit zijn wiegje om hem te voeden. En kijk, hij zocht naar de tepel en begon te drinken.Maar Hille voelde dat het hem aan de nodige kracht ontbrak om hard genoeg te zuigen. Na enkeleminuten gaf hij het al op. Hille praamde hem en streelde hem en duwde telkens weer de tepel vanhaar barstensvolle borst in zijn mondje. Braam wilde wel, maar hij was duidelijk te zwak. Teneinde raad kneep Hille in haar borst totdat een dun straaltje in Braams mond spoot. Hij smakteen slikte, en uiteindelijk lukte het toch hem zo wat te eten te geven.

    ?

    De hele dag was Hille met Braam bezig. Terwijl hij sliep - onrustig en naar adem happend -maakte ze nieuwe thee, zorgde ze voor het vuur en verliet een paar keer voor korte tijd het holom water te halen of snel de stroppen te controleren. 's Middags at Braam een beetje beter, eneven had Hille de indruk dat de koorts een beetje gezakt was. Maar toen de avond viel, gloeidede jongen weer als een smeulend houtvuur. Hij was zo zwak en lusteloos dat hij niets at enzelfs de thee, die Hille zo liefdevol in zijn mond trachtte te druppelen, uitspuwde.

    ?

    Die nacht was voor Hille de vreselijkste van haar leven. Braam ijlde en zou hartverscheurendgehuild hebben als hij daar de kracht toe had gehad. Hille luisterde naar elk geluid. Somsovermande de slaap haar, maar dat duurde nooit langer dan enkele seconden. Daarna ging zeschuldbewust rechtop zitten en tastte naar het koortsige hoopje naast haar in de wieg.

    ?

    Tegen de morgen lag Hille uitgeput languit op haar strozak naar de regen te luisteren. Braamwas al een tijdje stil, en ze hoorde alleen zijn vlugge, schurende ademhaling. Plots wist zedat het mis ging. Haar moederinstinct porde al haar klieren aan en deed haar in paniekopspringen. In het schemerdonker zag ze hoe Braam zijn onderkaak vertrok, als had hij eenzenuwtrek. Even later schudde het wiegje, toen zijn schouder schokte.

    ?

    Stuipen, dacht Hille. Hij krijgt stuipen. Nu gaat hij vast dood. Ik moet naar een dokter.

    ?

    Eensklaps liet ze al haar principes varen, kleedde zich gauw aan, wikkelde Braam in zijnbeddegoed en liep het hol uit. De regen striemde koud in haar gezicht, en ze boog zich vooroverom haar kind zoveel mogelijk te beschermen. De bodem van het bos was doordrenkt, en Hille zochtmet vlugge voeten de zo bekende paadjes, die soms kniediep onder water stonden. Haar gezichtstond ernstig. Haar wangen waren drijfnat van de regen, maar ze huilde niet meer. Door hetdikke pak beddegoed heen voelde Hille de warme gloed van Braam, en onwillekeurig moest zedenken aan die keer toen ze met een pot vol gloeiende as deze weg in de andere richting hadafgelegd. Ze was er zeker van geweest dat ze die weg voor het laatst volgde. Nooit zou ze nognaar de Overkant terugkeren. Maar niet zonder tedere bitterheid kwamen haar de woorden vanmoeder zaliger voor de geest, die altijd zei: Zeg nooit nooit .

    ?

    Het was al bijna middag, toen Hille de grote helling afdaalde die naar de rivier liep. Hetregende iets minder nu, maar het water gutste gorgelend door de smalle beekjes en diepe paadjesvol modder en aardedonker schuim.

    ?

    Plots gleed Hille uit. Ze gilde, klemde met ‚‚n arm Braam tegen haar borst en zwaaide de anderein het rond op zoek naar haar verloren evenwicht. Maar het baatte niet. Ze ging onderuit enkwam drie, vier meter verder languit op haar rug in de modder terecht. Braam was ongedeerd,maar Hille was hevig geschrokken. Ze stond op en trachtte de grootste klonten modder van haarrok te schrapen. Het hielp niets. Haar kleren wogen loodzwaar, en ook het bundeltje mens inhaar armen had een onwaarschijnlijk gewicht.

    ?

    Hille veegde haar handen schoon en maakte het beddegoed rond Braam los. Het voelde klam en koudaan, hoewel het jongetje zelf nog altijd gloeide als een aangeblazen stuk houtskool. Toch wasde aanval van stuipen blijkbaar overgegaan. Misschien hadden de regen en het natte beddegoed dekoorts toch wat doen dalen, bedacht Hille dankbaar. Ze zocht een zo droog mogelijk plekje ondereen dikke eik, maakte haar kleren los en lachte toen Braam hevig de lauwe melk naar binnenzoog. Zo kom je er wel doorheen, fluisterde ze. Niet opgeven, Braam.

    ?

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com