EPUB

Als ik jou vergeet, Jeruzalem - Sonne, Werner

By Randall Gardner,2014-08-09 02:10
12 views 0
Als ik jou vergeet, Jeruzalem - Sonne, Werner

Als ik jou vergeet, Jeruzalem

    Omslagontwerp Wil Immink Design

    Vertaling Rika Vliek

    ?

    Oorspronkelijk verschenen bij Bloomsbury Berlin, Berlin Verlag, onder de titel Wenn ich

    dich vergesse, Jerusalem

?

    ISBN 978 90 239 0589 9

    NUR 342

    ?

    ? 2008 BV Berlin Verlag GmbH, Berlin

    ? Nederlandse vertaling 2009 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer

    ?

    Meer informatie over deze roman en andere uitgaven van Mozaïek vindt u opwww.uitgeverijmozaiek.nl

    ?

    Alle rechten voorbehouden

    ?

    ?

    ?

    15 februari 1947

    ?

    ?

    Zij zijn vast ginds ergens op zee, dacht ze. Als ze ons ontdekken, is het afgelopen.

    De wind was aangewakkerd. De regen, die in al zwaarder wordende buien overtrok, sloeg haarin het gezicht, liep langs haar benen en vermengde zich met het zeewater dat bij de reling naarhaar voeten greep. Er stond in deze maanloze nacht een noordwesterstorm die de temperatuurbinnen een paar uur nog verder had doen dalen.

    Judith Wertheimer keek naar de kapitein die op de open brug stond, zijn donkerblauwevettige pet achter op zijn hoofd geschoven, en keer op keer met zijn zware verrekijker dehorizon afzocht. De Cyprioot met zijn smalle, spitse gezicht en grijze stoppelbaard leekonaangedaan. Slechts af en toe was aan het malen van zijn onderkaken te zien dat hij toch welgespannen was.

    Ook zij staarde nu in westelijke richting in de duisternis, over de witte schuimkoppen naarde donkergrijze wolkenmassa die de opgezweepte Middellandse Zee leek aan te raken. De gedachteschoot opnieuw door haar heen: als ze ons ontdekken, is het afgelopen. En wat dan? Weerprikkeldraad, weer barakken, weer een kamp? Ze zou het niet kunnen verdragen, niet nog eenkeer.

    Judith trok de oude, maar lekker warme grijze loden jas die ooit van een soldaat van de Wehrmacht

    was geweest, dichter om zich heen. Sinds een Duitse huisvrouw hem had vermaakt was hijmeermalen overgegaan in andere handen, totdat een gezette verpleegster van het Rode Kruis dejas kort voor de afvaart uit een grote hoop tweedehands kleren had getrokken en hem Judithin de hand had geduwd. Nerveus voelde ze in de rechterjaszak. Zat de ansichtkaart er nog in,met daarop in zijn kriebelige handschrift zijn naam en adres? Ze werd rustiger toen ze hemtussen haar vingers voelde en liet hem er toen toch maar in zitten, uit angst dat de kaart natzou worden.

    Jij leeft vast nog. Kom naar me toe , had hij geschreven in oud-Duits schrift. Kom naar

     Een eenvoudige boodschap: Kom naar me toe. In deJeruzalem. Je oom Albert.

    linkerbovenhoek stond in piepkleine lettertjes het adres. Albert Wertheimer, Ben Jehoedastraat

    112, Jeruzalem, Palestina.

    Hoe oud zou hij nu zijn – vierenzestig, vijfenzestig? Ja, ze wist het opeens zeker,vijfenzestig was doctor Albert Wertheimer, de broer van haar vader, destijds advocaat ennotaris.

    Doordat ze een moment was afgeleid zag ze de onstuimige golf, die van rechts kwam en hogerwas dan de andere, pas toen hij tegen de boeg smakte. Het schip leek even te slingeren, toensteigerde het, kwam ver omhoog en viel met een klap terug. De oude romp kraakte ervan. Degolf rukte het voorste gedeelte van de reddingsboot uit zijn verankering. Hij kiepte links overde scheepswand en bleef daar enkele seconden bengelen, beukend tegen de romp, totdat ook deketting brak die de boot aan de achterkant nog hield. De boot viel met de kiel naar boven in dewatermassa en dreef weg.

    Uit het luik waardoor je benedendeks kon komen steeg een veelstemmige kreet op, gevolgddoor het doordringende huilen van een kind, en toen niets meer. Het duurde even voordat Judithbegreep wat er was gebeurd. De motor die het stampende schip moeizaam had voortgestuwd, wasvoor de tweede keer sinds hun vertrek vanaf Cyprus uitgevallen. De eerste keer had het bijnadrie uur geduurd voordat de diesel gerepareerd was en weer aansloeg – kostbare tijd omdatze anders nu al aan land hadden kunnen gaan.

    Ze wist dat de tijd drong. Ze moesten hun bestemming bereikt hebben voordat het licht werd,ander was het gevaar groot dat ze op het strand nog werden onderschept. Onwillekeurig ging haarblik naar de kapitein. Hij had de verrekijker neergelegd, de pet naar voren getrokken ennam snel de paar treden die hem van de brug op het dek brachten, en verdween samen met een jongbemanningslid benedendeks.

    De Morning Cloud was nu een speelbal van de golven; ongecontroleerd slingerde het schip.Bij het luik dook een oude vrouw op. Ze strompelde een paar passen over het dek, klemdezich aan de reling vast en gaf over. Judith ging naar haar toe en hield haar bij de schoudersvast. Ze had de vrouw herkend. Het was Esther, de kleine Poolse die in de barak in hetBritse interneringskamp op Cyprus naast haar een plek had gehad. Ze was pas zevenenvijftig,maar leek veel ouder doordat ze een kromme smalle rug had en de dwangarbeid in Hitler-Duitsland haar had uitgeput. In de wijd opengesperde ogen waarmee ze Judith aankeek, schoot deangst als een dwaallicht heen en weer. Ze gaf nog een keer over.

    Vanuit het scheepsruim baande een gedempt geronk zich een weg, eerst haperend, daarnasteeds regelmatiger. Er voer een lichte siddering door de romp toen de dieselmotor weer optoeren kwam. De kapitein klom het trappetje op naar de brug en begon opnieuw de horizon afte zoeken. De Morning Cloud draaide de boeg langzaam weer in oostelijke richting.

    Judith had Esther bij de arm genomen en bleef haar vasthouden.

    ‘Rustig, rustig nu maar. Het duurt nog maar een paar uur, dan is het ons gelukt,’ hoordeze zichzelf tegen de wind in roepen, er niet van overtuigd dat ze zelf geloofde wat ze zei.

    Esther sloot de ogen en knikte. Ondertussen deed ze alle moeite om de braakneiging teonderdrukken. Judith nam haar mee terug naar het luik, uit de regen die nog heviger leek tezijn geworden, terug naar de bijna tweehonderdvijftig mensen die benedendeks warensamengeperst, overgeleverd aan de stank van braaksel omdat ze bijna allemaal zeeziek enuitgeput waren.

    Toch gaven de meesten er de voorkeur aan benedendeks te blijven. Alles was beter dan zichblootstellen aan het woeden van de storm. Judith keek om en richtte haar blik op het dikke,meermalen herstelde touw dat als reling dienstdeed. Toen zag ze hem, achter op het schip. Deman droeg een zwartleren jasje, een donkere broek en laarzen.

    Ze tuurde ingespannen, in een poging door de regen heen meer bijzonderheden teonderscheiden. Op gezichtshoogte flikkerde er iets op, een smeulende sigaret waarschijnlijk.Hij zwaaide licht heen en weer op zijn benen om het rijzen en dalen van de golven tecompenseren. Van het ene op het andere moment wist Judith dat ze hem eerder had gezien, heelkort toen ze scheep gingen; hij was samen met Ari, de man van de Hagana, de Joodseverdedigingsorganisatie in Palestina. Ze herinnerde zich zijn opvallende pikzwarte haar en deeven zwarte snor. De slanke man was waarschijnlijk een jaar of vijfendertig en had eenlichte huidskleur; onder andere omstandigheden had ze hem waarschijnlijk gekenschetst als eensportieve verschijning, maar Judith vond die beschrijving nu niet gepast. Meer nog dan zijnhaar waren haar zijn ogen opgevallen; die waren blauw, helblauw. Waar dat vandaan kwam wist ze

niet, maar deze ogen hadden haar geïrriteerd, haar zelfs uiterst onzeker gemaakt.

    Haar blik richtte zich opnieuw op de gestalte in het donker, die ongeveer tien meter bijhaar vandaan rokend de regen trotseerde. Ze haalde een keer diep adem, concentreerde zich, maarkon deze ogen niet goed plaatsen. Toch raakte ze er steeds sterker van overtuigd dat ze zeal eens eerder had gezien.

    Ze liet haar blik weer naar voren gaan, langs de reling. Nog steeds zweepte de wind degolven op, maar het regengordijn was een moment doorzichtiger geworden. Ze meende, vermoeddeeerder, hoopte ver voor zich uit een paar lichtpunten te ontdekken. Geen lichtjes op hetwater, dacht ze, maar lichtjes op de oever, de lichtjes van Tel Aviv.

    ?

    ‘Ze komen eraan.’

    Uri Rabinowitsch drukte de verrekijker dichter tegen zijn ogen. ‘Ze komen eraan,’ zei hijnog een keer, dringender nu.

    Hij wachtte even omdat hij zeker van zijn zaak wilde zijn. Toen riep hij, zijn hand nogsteeds stevig om de verrekijker: ‘Ze zijn het. Geef het teken!’

    Daniël Wyzanski sprong op en richtte de schijnwerper op de zee. Driemaal lang, eenmaalkort, driemaal lang.

    Uri hield even zijn adem in. Stel dat hij zich had vergist? Stel dat de Morning Cloud

    onderschept was zoals al eerder vele andere schepen? Er leken minuten te verstrijken inplaats van seconden. Nerveus keek hij op zijn horloge. Half zes, ze waren laat, veel te laat.Nog even en het werd licht.

    ‘Nog één keer,’ riep hij Daniël toe.

    Daniël liet de schijnwerper opflitsen. Uri staarde door de verrekijker. Nog steeds niets.Hij vloekte binnensmonds, maar toen zag hij ze dan toch, de lichtflitsen van de schijnwerperaan de andere kant, driemaal lang, tweemaal kort, driemaal lang.

    Uri liet de verrekijker zakken. ‘Snel,’ riep hij tegen de wind in. ‘Maak de boten gereedvoor gebruik.’

    De vijf jongemannen van de Hagana sprongen op om over de duinen naar het strand te lopen,waar de rubberboten lagen. Slechts twee van de vijf boten hadden een buitenboordmotor, deandere moesten ongeveer driehonderd meter door de branding geroeid worden; de golven warenhier vlak bij de kust vlakker dan verderop op de Middellandse Zee, maar toch nog gevaarlijkhoog.

    De Morning Cloud was nu duidelijk te onderscheiden.

    Eindelijk kwam Uri met de anderen aan op het strand, hijgend na het eindje hardlopen. Toenhij in de rubberboot wilde springen, gebeurde het. Boven de Morning Cloud verscheen een

    verblindend fel licht dat hoog de lucht in ging en het oude schip bescheen.

    Uri bracht de verrekijker naar zijn ogen en keek waar de vuurpijl vandaan was gekomen. Hetschip was nog ver weg, ver achter het schip met vluchtelingen, nauwelijks te onderscheiden doorde regen. Hij wist echter wat het betekende: daarginds waren de Britten en ze zouden sneldichterbij komen.

    ?

    Judith werd zozeer door het licht verblind dat ze haar ogen een moment afschermde met haarhanden. Heel even was ze in de ban van het woeste schouwspel: het schip danste op aanrollendeen vervolgens brekende grauwe golven, de nu glinsterende regen weerkaatste het witte licht,boven het water jachtten wolkenflarden. Toen kreeg de schrik vat op haar. Haar blik boorde zichdoor de duisternis die achter het helverlichte gebied rondom de Morning Cloud zee en lucht

    nog steeds leek te verenigen. Toen zag ze aan de horizon de schaduw die nauwelijks afstaktegen de donkergrijze muur van regen en wolken: de Britse torpedobootjager.

    Instinctief draaide ze zich om om het gevaar de rug toe te keren, alsof ze het noodlot zoukunnen afwenden door er niet naar te kijken. Ze sloeg de handen voor het gezicht en haalde diepadem. De beelden van de gebeurtenissen van de laatste achtenveertig uur trokken nog eenkeer aan haar voorbij: de door de Hagana georganiseerde ontsnapping uit het kamp op Cyprus, hetvervoer in vrachtwagens naar de wachtende Morning Cloud , de angst voor de Britse

    achtervolgers, de haast van de mensen die elkaar verdrongen op de smalle loopplank, hetsmalle, te zwaar beladen schip.

    Wat er zou gebeuren als de Britten hen oppakten, was duidelijk. De kleine Poolse Esther haddat al een keer meegemaakt. Ze zouden hen terugbrengen naar hun kamp op Cyprus, waarindertigduizend Joden elkaar verdrongen, allen overlevenden van de Holocaust die slechts ééndoel hadden, een doel dat de Britten hun beletten te bereiken: Palestina.

    Om haar heen was het ineens een drukte van belang. De drie mannen van de Hagana hadden demenselijke vracht uit het scheepsruim gehaald: bange mensen, wankel op de benen; kinderen diezich vasthielden aan de broekspijpen van de volwassenen of zich huilend vastklampten aanhun moeder.

    ‘Gooi de touwladders uit,’ riep Ari.

    Een paar mannen hesen de touwladders over de reling en lieten ze uitrollen. Terwijl zeneerkletsten in het water, voer er een hevige schok door het schip. De Morning Cloud was

    vastgelopen op een zandbank.

    Alle ogen richtten zich op de kapitein die het schip weer vlot probeerde te krijgen doorhet achteruit te laten varen. Tevergeefs – de Morning Cloud zat muurvast. De

    bemanningsleden gingen in allerijl aan de slag met de enige nog aanwezige reddingsboot enlieten die in de woelige golven zakken. Daarna begonnen ze reddingsvesten uit te delen enalgauw bleek dat het er veel te weinig waren: vijftig voor tweehonderdvijftig passagiers.

    ‘Geef ze aan de kinderen! Opschieten!’ riep Ari.

    Judith zag dat Esther haar zwemvest aan een klein meisje gaf en haar hielp het aan tetrekken.

    ‘Sneller, sneller,’ hoorde ze Ari bulderen.

    Judith pakte het meisje vast en duwde haar in de richting van de touwladders. Het kindaarzelde.

    ‘Waar is je moeder?’

    Het meisje haalde de schouders op en keek Judith angstig aan.

    ‘Komt er nog wat van? Schiet nu toch op!’ brulde Ari.

    ‘Ga jij maar tegelijk met dit kleintje,’ zei Judith tegen Esther. ‘Ik kom meteen achterjullie aan.’

    De Poolse nam het kind bij de hand, hielp het over de reling te klimmen en deed dat toenzelf ook, zij het met tegenzin. ‘Ik… ik kan niet zwemmen,’ fluisterde ze.

    Judith probeerde haar gerust te stellen. ‘Niet bang zijn, je redt het wel.’

    Ze zag dat de Poolse moeizaam de ladder afdaalde, zich vastklemmend aan de touwen. Judithklauterde na haar de golven tegemoet. Ze zag onder zich een grijze rubberboot met daarin tweemannen die de schipbreukelingen opvingen. Er waren er al een stuk of vijf aan boord. Eenvan de twee strekte zijn armen uit naar het meisje dat nu vertwijfeld om haar moeder riep, trokhaar snel naar zich toe en droeg haar over aan een van de vrouwen.

    Nu was Esther aan de beurt. Ze klemde zich vast aan de touwladder, zo verstijfd van angstdat ze zich niet kon bewegen. Er werd haar een hand toegestoken die haar probeerde vast tepakken, maar de storm was nog in kracht toegenomen en de Morning Cloud bewoog zich op de

    zandbank wild van de ene naar de andere kant. Met haar gezicht naar de scheepswand hingEsther daar en ze klampte zich met beide handen vast aan de touwladder. Uiteindelijk greep deman haar bij het rechterbeen, maar ze schopte in paniek van zich af en weigerde los telaten, totdat ze opeens wel losliet omdat ze geen weerstand meer kon bieden aan zijn gesjor. Ze

viel voorover naar beneden. Haar been glipte uit zijn handen.

    Judith zag haar in de golven verdwijnen. Ze slaakte geen kreet, maar sprong zonder zich eenmoment te bedenken met de voeten eerst kaarsrecht de diepte in op de plek waar ze Esther hetlaatst had gezien. Ze schrok pas van de kou toen ze proestend opdook. Watertrappelend enzwaaiend met haar armen probeerde ze het hoofd boven water te houden. Koortsachtig keek ze omzich heen, op zoek naar Esther.

    Opeens meende ze haar hoofd te zien in een golfkam. Dadelijk begon ze meer als een hond danals een getrainde zwemster die richting uit te crawlen, maar vanwege haar zware jas en hetijskoude water was dit vanaf het begin gedoemd te mislukken.

    ‘Esther?’ schreeuwde ze tegen de wind in. ‘Esther!’

    Haar krachten namen snel af, maar ze merkte het niet. Nog steeds maaiden haar armen doorhet water zonder dat ze ook maar een meter vooruitkwam. Haar bewegingen werden trager en toeneen volgende golf over haar heen sloeg, kreeg ze heel veel water binnen, dat ze hoestend enkokhalzend weer opgaf. ‘Esther,’ rochelde ze.

    Opeens merkte ze dat ze stevig bij de nek werd gegrepen en dat er een arm om haarbovenlichaam werd geslagen. Instinctief sloeg ze om zich heen, in een poging zich aan de greepte ontworstelen.

    ‘Hou op,’ hoorde ze een mannenstem zeggen. ‘Hou op, u kunt niets meer voor haar doen.’

    Maar ze bleef zich verzetten en nu heftiger.

    De man verstevigde zijn greep op haar bovenlichaam. ‘Volhouden, de boot komt eraan,’ riephij.

    ‘Esther,’ murmelde ze.

    Toen zag ze direct boven zich de grijze rubbersteven van de opblaasboot. Er werden armennaar haar uitgestoken, boven haar verscheen een gezicht, omkranst met diepzwart glanzend haar,en blauwe, helblauwe ogen. Verscheidene handen grepen haar jas vast en trokken eraan. Deman in het water, die haar nog steeds van achteren vasthield, liet zijn greep verslappen enduwde haar de handen tegemoet. Het ging langzaam, als in een vertraagde opname, maaruiteindelijk slaagden ze erin Judith aan boord te trekken. Esther, dacht ze nog. Je hebt hetDuitse werkkamp overleefd, de dodenmarsen, de onzekere tijd na de oorlog, het kamp van deBritten op Cyprus, en nu ben je dood. Slechts een paar honderd meter van het strand van TelAviv verdronken. Toen verloor ze het bewustzijn.

    ?

    Toen ze weer bijkwam, lag ze op een wollen deken in het duinzand. Het zwart van de nachthad plaatsgemaakt voor het grijs van de ochtendschemering. Het regende niet meer. Op het strandstonden enkele vrachtwagens met draaiende motor, de laadvloeren propvol mensen met vanuitputting wit weggetrokken gezichten. Moeders hielden hun kinderen dicht tegen zich aan.

    Er boog zich een gezicht over haar heen waarop ze iets zag dat waarschijnlijk moestdoorgaan voor een glimlach. Het bleek een man van midden twintig te zijn met kort donkerbruinhaar, een vastberaden blik in de donkere ogen en een nogal weke mond die niet bij hem leekte passen.

    ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij.

    Ze ging zitten. Op deze eenvoudige vraag wist ze niet direct antwoord te geven. Hoe het methaar ging? Werktuigelijk antwoordde ze: ‘Goed, hoor.’

    De man glimlachte nog steeds. Hij stak zijn hand uit. ‘We hebben elkaar in het water alontmoet. Uri,’ zei hij, ‘Uri Rabinowitsch.’

    Nog steeds werktuigelijk stak zij haar rechterhand uit. ‘Judith Wertheimer.’

    Op dat moment kreeg ze er pas erg in dat ze onder de wollen deken slechts een slipje droeg;haar kleren lagen nat naast haar. Op slag werd het haar duidelijk hoe dwaas het was dat ze zichzo vormelijk aan elkaar voorstelden onder deze omstandigheden. Ze kreeg er een kleur van,

maar Uri had zijn blik al afgewend.

    Hij gebaarde naar een jonge vrouw dat ze naar hem toe moest komen. ‘Dit is Jaël,’ zeihij. ‘Zij zal zich over je ontfermen.’

    Jaël lachte ongedwongen naar haar. Ze was ongeveer even oud als Judith, had donkerblondhaar en droeg een korte kakibroek en een dunne wollen trui. Ze maakte op Judith een atletische,bijna jongensachtige indruk. Uit een papieren zak haalde ze kledingstukken tevoorschijn:een kakibroek, een kakioverhemd en een trui die op die van haarzelf leek.

    ‘Trek maar aan; het zijn de kleren die ze in de kibboets dragen,’ zei ze toen ze merktehoe Judith ernaar keek.

    Ze raapte Judiths natte kleren op om ze in de papieren zak te stoppen, maar Judith hieldhaar tegen. Ze pakte de jas die ooit van een soldaat van de Wehrmacht was geweest. Haastig

    voelde ze in de rechterzak en haalde de ansichtkaart eruit. Hij was veranderd in een natvod waarop de letters vervaagd waren. Zorgvuldig streek ze het papier glad. Op de voorkant wasde afbeelding nog herkenbaar. Het was een foto van de Klaagmuur, waar de Rotskoepelbovenuit stak.

    Uri sloeg hen gade en stak ondertussen een sigaret op. Hij bood Judith en Jaël het pakjeaan. Jaël haalde er een sigaret uit en liet zich door Uri een vuurtje geven. Judith schuddehaar hoofd.

    In de verte was opeens het loeien van een sirene te horen.

    Uri’s gelaatstrekken verhardden zich en hij vloekte. ‘Daar zul je de Britten hebben,’foeterde hij. ‘Op de torpedojager hebben ze hen zeker radiotelegrafisch op de hoogtegesteld.’

    Hij gooide zijn sigaret in het zand en gebaarde in de richting van de vrachtwagens.‘Wegrijden! Vooruit, opschieten!’

    Jaël trok Judith aan de arm mee naar de achterste vrachtwagen. Ze waren nog maar net in deauto geklommen toen de chauffeur het gaspedaal intrapte.

    Judith zag dat Uri naar een donkere personenauto rende. Ze meende te zien dat er iemand opde achterbank zat, een man met zwart haar en een opvallende snor.

    Uri trok het portier met een klap dicht. De auto reed weg.

    ?

    ?

    ?

    ?

    ?

    17 februari 1947

    ?

    ?

    Hij schrok wakker van geklop op de deur.

    Een vrouw riep zacht zijn naam. ‘Uri, Uri, doe open.’

    Hij trok het beddenlaken naar zich toe, zodat Jaël daar opeens poedelnaakt lag. Zeprotesteerde in haar slaap. Hij trok gauw een wollen deken over haar heen, wikkelde het lakenom zijn heupen, haalde zijn revolver onder het kussen vandaan en liep naar de deur. Zijnadres in Tel Aviv was slechts bij enkelen bekend. Met zijn linkerhand draaide hij de sleutel omen deed de deur op een kiertje open.

    Voor hem stond een volslanke vrouw van achter in de twintig. Of blond haar natuurlijkehaarkleur was, was niet met zekerheid te zeggen. Haar gewelfde lippen waren opvallend roodgestift en omdat haar blouse één knoop te ver openstond, waren haar volle borsten zichtbaar.

Uri liet de revolver zakken. Hij deed de deur een klein stukje verder open.

    Ze duwde haar gezicht bijna tegen zijn neus. ‘De Britten,’ fluisterde Hilda, ‘zijn vanplan vandaag rond te kijken in de wasserij.’ Ze liet haar blik over zijn schouder door de ka-mer dwalen. ‘Neem me niet kwalijk, ik zie dat je bezoek hebt.’

    Uri keerde zich snel om en zag dat Jaël toch wakker was geworden. Hij draaide zich weer omnaar de vrouw voor de deur en zei zachtjes: ‘Bedankt, Hilda. Je hebt ons hiermee net alsaltijd weer bijzonder goed geholpen.’

    Hij duwde de deur dicht en zocht zijn kleren bij elkaar. Snel stapte hij in een broek en trokeen overhemd aan. Toen zette hij een pet met klep op.

    Jaël was gisteravond uit Jardeniem gekomen met een vrachtwagen vol groenten voor de markt inTel Aviv. Nu zat ze met haar armen rond haar opgetrokken benen op het bed zwijgend naar hem tekijken.

    Uri knikte in de richting van de deur. ‘Hilda. Ze werkt voor ons.’

    Jaël bleef hem zwijgend aankijken.

    Uri voelde zich er ongemakkelijk bij en hij wist dat dat precies haar bedoeling was. Hijpakte haar kleren van de stoel waarop ze lagen en gooide ze haar toe. ‘Hier, kleed je gauwaan. Ik moet hen gaan waarschuwen.’

    Zonder iets te zeggen kleedde Jaël zich aan. ‘Laten we gaan,’ zei ze ten slotte.

    Samen stapten ze in de oude Ford. Uri reed in noordelijke richting. Jaël zat enigszins vanhem afgewend uit het raam te kijken. Ze draait wel weer bij, dacht hij.

    ‘Hoe gaat het met de jonge vrouw die we uit het water hebben gehaald?’ vroeg hij terafleiding. ‘Hoe heette ze ook alweer?’

    Jaël bleef uit het raam kijken.

    ‘Judith, Judith Wertheimer,’ zei ze even later.

    ‘En? Is ze al gewend?’

    ‘Nee, niet echt. Ze heeft veel meegemaakt; eerst het concentratiekamp, toen dat kamp opCyprus en ten slotte het koude bad bij aankomst. Dat moet ze nu eerst nog allemaal verwerken,’antwoordde Jaël.

    Uri maakte een bocht en verliet de verharde weg. ‘We zijn er zo.’

    In de kibboets Mageen Michaël aan de rand van Tel Aviv stond het lage gebouw van eenwasserij. Een vrachtwagen leverde er uniformen en overhemden af.

    ‘Britse kleding.’ Uri grijnsde. ‘Wij wassen die hier voor hun troepen. Daar wordt goed aanverdiend.’

    Even later stond hij met Jaël langs de weg het langs- komende verkeer in ogenschouw te nemen.Er was niets opvallends te zien. Uiteindelijk ging hij naar binnen en gebaarde naar Jaël datze mee moest lopen.

    In de wasserij waren een paar jonge meisjes bezig uniformen te strijken. Uri liep henvoorbij, verder het grote gebouw in. In een ruimte achterin bleef hij staan bij eenscharnierend luik in de vloer. Hij tikte er drie keer met zijn voet op, wachtte een moment endeed dat nog een keer. Het luik werd van binnenuit opengeduwd. Uri verzocht Jaël voor hem uitde trap af te lopen. Ze kwamen in een atelier waar kale peertjes aan het plafond voorverlichting zorgden. Daar zaten ongeveer duizend mannen en vrouwen aan ruwweg in elkaargetimmerde tafels, met voor zich op de tafel grijze kartonnen dozen. In een hoek stondenbehalve een draaibank freesmachines en nog enkele andere machines om metaal mee te bewerken.

    ‘Moet je kijken.’ Uri haalde uit een doos een handvol smalle metalen hulzen en hield zeJaël voor. ‘Voor lippenstiften, rechtstreeks uit Groot-Brittannië geïmporteerd, nietnagemaakt.’

Hij deed een greep in een andere doos. ‘En dit maken wij ervan.’

    De hulzen voor de lippenstiften waren veranderd in patronen van groot kaliber.

    ‘We fabriceren hier ook handgranaten, kleine landmijnen, springstof – alles waaraanbehoefte is. Ik hoop dat ik het zo kan regelen dat er binnenkort een zending naar Jardeniemgaat.’ Hij was er zo te horen trots op.

    In de buurt van de trap ontstond opeens onrust. Een jonge vrouw die volgens Jaël daarnet noghad staan strijken, kwam op Uri afgerend en fluisterde hem opgewonden iets in het oor.

    ‘Allemaal naar buiten!’ riep hij. ‘Snel!’

    Onmiddellijk repte iedereen zich de trap op. Boven tilden de mannen een zware kast op hetluik in de vloer.

    ‘Ga aan de wandel totdat ze weer weg zijn,’ zei Uri. Toen draaide hij zich om naar demeisjes achter de strijkplanken. ‘Jullie krijgen zo dadelijk bezoek. De Britten zijn inaantocht. Ga gewoon door met je werk, laat je niet bang maken.’

    Hij trok Jaël mee naar zijn Ford en liet haar instappen.

    ‘Ze komen vast alleen maar hun was ophalen, maar het is, denk ik, toch beter dat ze ons hierniet zien.’ Hij stak een sigaret op. ‘Wat ik nog wilde zeggen over Hilda… Haar klanten zijnvoornamelijk Britten. Ze is onze succesvolste spion.’

    Hij boog zich naar Jaël over en kuste haar.

    Ze beantwoordde zijn kus en sloeg haar armen om zijn nek. ‘Laten we naar jouw kamer gaan. Ikheb nog een uur voordat de vrachtauto terugrijdt naar de kibboets.’ Ze legde een hand op zijnknie en liet die omhoog glijden. ‘Het mag niet zover komen dat je me vergeet.’

    Hij pakte het stuurwiel met beide handen vast en gaf gas.

    ?

    ?

    ?

    ?

    ?

    19 februari 1947

    ?

    ?

    De bus van de Nationale Autobusmaatschappij stopte met een ruk voor het huis van de moektar,een statig gebouw in het centrum van Deir Jassin. Hana Khalidy stapte in. Nog ruim een halfuur,dan zou ze hem zien. Ze kon bijna niet wachten.

    Zou hij vanmorgen meer aandacht aan haar besteden dan in zuiver formele zin? De gedachtebezorgde haar butterflies in de buik, zoals zuster Sarah dat gevoel een keer omschreven had.Hana had het woord opgezocht in het woordenboek: butterflies – vlinders.

    Deir Jassin was een redelijk welvarend Arabisch dorp met zevenhonderd inwoners, dat slechtsenkele kilometers ten noordwesten van Jeruzalem lag. De dorpsbewoners werk- ten veelal in destad en stonden op goede voet met de Joden.

    Na een paar honderd meter liet de bus het dorp achter zich. Even later reed hij op de kustwegdie naar Jeruzalem voerde.

    Nog vijfentwintig minuten, dacht ze. Wat duurt het nog lang! Kon zij hem als eerste groeten?Was dat gepast of zou dat te opdringerig lijken? Hij was per slot van rekening haar meerdere.

    Hana hield haar handtas stevig vast. Iedere ochtend keek ze gefascineerd toe als voor haarJeruzalem verscheen. Achter haar verdween het dorp, maar daar keek ze niet naar om. Ze wildehet zichzelf niet bekennen, maar het werd haar iedere ochtend duidelijker waar haar toekomstlag: voor haar, in deze grote stad, niet in dat dorp Deir Jassin.

    In Hana’s oren weerklonk nog wat haar moeder had gezegd. ‘Hana, het wordt tijd.’ Delaatste weken had ze dat steeds vaker moeten aanhoren, en op steeds dringender toon. Ze wasdrieëntwintig, eigenlijk al te oud voor het traditionele leven in haar geboortedorp. Ze wasnog ongetrouwd, terwijl twee van de jongere zussen uit het gezin allang waren uitgehuwelijktaan jongemannen uit de dorpsgemeenschap en al kinderen hadden. Haar twee broers wareneveneens getrouwd en wat haarzelf betrof: lang geleden was al toegezegd dat zij zou trouwen metde zoon van een buurman, Jousseff Hamoud, die de grote bakkerij van zijn vader zou erven. Hijwas al vijfentwintig en werd af en toe door de anderen in het dorp gepest omdat hij nog steedsvrijgezel was. Keer op keer was het haar gelukt hem aan het lijntje te houden, maar ze wistdat dit niet lang meer zo kon doorgaan.

    Bijkomend probleem was dat ze in ieder geval eerst haar opleiding tot verpleegster wildeafmaken. Daarna zag ze wel weer verder. Maar ze wist heel goed dat hij juist daarmee steedsminder vrede kon hebben. Jousseff kon het niet verdragen dat Hana zich liet opleiden voor eenberoep waarin ze dagelijks met andere mannen omging. Tot overmaat van ramp waren het niet eensArabieren, maar Joden uit Europa en Amerika, uit steden als Wilna, Krakau, Berlijn, Londen enNew York.

    Uit Amerika, dacht ze, uit New York. Hoe zouden de vrouwen in New York eruitzien, de vrouwendie hij kende? Zouden het er veel geweest zijn? Ze bekeek zichzelf. Zij, een Arabischeleerling-verpleegster, kon vast niet met deze vrouwen concurreren. Hoe kon ze ook maar denkendat hij haar, uitgerekend haar, de moeite waard vond?

    Het wordt tijd, Hana, hoorde ze haar moeder weer zeggen, tijd voor de bruiloft met Jousseff.Alleen haar vader koos partij voor haar. Hij was een man van aanzien in Deir Jassin,welgesteld; hij bezat een paar woningen in Jeruzalem die hij deels ook aan Joden hadverhuurd. Hana was zijn lievelingsdochter, hij kon haar niets weigeren. Heimelijk was hij trotsop haar, wist ze, trots omdat ze contact had met mensen uit de hele wereld.

    De rit duurde niet lang. Bij het busstation in het westelijke deel van Jeruzalem, aan de wegnaar Tel Aviv, stapte Hana over op een bus die haar op de Scopusberg zou brengen. Een Arabischekrantenverkoper verkondigde luidkeels de koppen uit de krant van die dag. Hana kocht eenexemplaar van de Palestine Post , de Engelstalige krant in het Britse mandaatgebied.

    Asjer Leibowitz was een jongeman die liever in zijn kibboets op een snel paard had gezetendan mee te rijden in deze oude bus, maar dat was nu eenmaal zijn huidige opdracht. Zolang hijnog in zijn vrije weekend met de kameraden van de Palmach, de stoottroepen van de Hagana, kontrainen, vooral in het omgaan met handgranaten, vond hij alles best.

    Hij grijnsde naar Hana. ‘ Boker tov , Hana. Het begint die lui in Londen nu zo

    langzamerhand ernst te worden. ’t Werd tijd.’

    Hana keek behoedzaam om zich heen. De gezichten van de andere Arabische passagiers druktenonverschilligheid uit. Toen antwoordde ze zacht in het Hebreeuws: ‘ Boker tov .’

    ?

    Hana liet de krant zakken. In het Britse Lagerhuis had minister van Buitenlandse Zaken Bevinbekendgemaakt dat de regering van Zijne Majesteit de oplossing van het Palestinaprobleem aan deVerenigde Naties overliet. Welke gevolgen zou dat hebben? Dat was moeilijk te zeggen. Ze keekuit het raam, bestudeerde de reclameborden aan de winkels met, afhankelijk van het stadsdeel,opschriften in het Arabisch, het Hebreeuws of het Engels. Tevreden stelde ze vast dat ze zeallemaal kon begrijpen. Ze had flink haar best gedaan om naast haar moedertaal goed Hebreeuwsen Engels te leren spreken en in het ziekenhuis had ze ook nog geleerd zich in het Jiddisjverstaanbaar te maken.

    De Britten, Jousseff, haar moeder, haar beroep – dat alles vormde in haar hoofd éénmengelmoes. En toen kwam tegen wil en dank voor de zoveelste keer toch weer de gedachte aanDavid bij haar op. David Cohen.

    Het bloed steeg haar naar het gezicht en de vlammen sloegen haar uit. Ze probeerde zich weerin de Palestine Post te verdiepen, in het artikel over Bevins redevoering in Londen, maar de

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com