EPUB

Patchett, Ann - Staat van verwondering

By Sylvia Hudson,2014-04-01 13:01
10 views 0
Patchett, Ann - Staat van verwondering

Ann Patchett

Staat van verwondering

    Vertaald door Hien Montijn

De Bezige Bij

    Amsterdam 2012

    Marina Singh, wetenschappelijk onderzoeker bij een groot farmaceutisch bedrijf, wordt naarBrazilië gestuurd om professor dr. Annick Swenson te zoeken. Swenson werkte in het hart van deAmazone aan een veelbelovend medicijn. Het is allesbehalve een eenvoudige opdracht voor Marina:Swenson is spoorloos en haar labpartner, die eerder werd uitgezonden om Swenson te zoeken,stierf voor hij zijn missie tot een goed einde kon brengen. Ondanks haar onzekere en angstigevoorgevoelens neemt Marina de uitdaging toch aan. In de jungle hoopt ze niet alleen haarvoormalige docent te vinden, maar ook een uitleg voor de mysterieuze dood van haar collega.

    ?

    Moeiteloos schakelt Patchett in Staat van verwondering tussen de steriele laboratoria van deAmerikaanse Midwest en de overweldigende jungle in het Amazonegebied. Het resultaat is eendiepzinnige en krachtige roman, boordevol spanning en intrigerende personages.

    Copyright ? 2011 Ann Patchett

    Copyright Nederlandse vertaling ? 2012 Hien Montijn

    Oorspronkelijke titel State of Wonder

    Oorspronkelijke uitgever HarperCollins, New York

    Omslagontwerp Marry van Baar

    Omslagillustratie Frans Lanting / Corbis

    Verzorging e-book Aard Bakker, Amsterdam

    ?

    isbn 978 90 234 7624 5

    nur 302

    www.debezigebij.nl

    ?

    Deze digitale editie is gemaakt naar de eerste druk, 2012

    Voor mijn vriend Jo VanDevender

Een

    Het nieuws dat Anders Eckman dood was kwam via een aerogram, een lichtblauw vel luchtpostpapierdat als briefpapier en, opgevouwen en langs de kanten dichtgeplakt, als envelop diende. Wie hadgedacht dat zulk postpapier nog altijd werd gemaakt? Dit enkele velletje, een dermate ijlstukje materie dat het alleen door de postzegel met deze wereld verbonden leek, was vanBrazilië naar Minnesota gereisd om het heengaan van een man te kennen te geven. Mr. Fox hieldde brief in zijn hand toen hij naar het lab kwam om Marina het nieuws te vertellen. Zeglimlachte naar hem toen ze hem bij de deur zag staan en in het licht van die glimlach wist hijniets uit te brengen.

    ‘Ja?’ zei ze uiteindelijk.

    Hij opende zijn mond en sloot hem weer. Toen hij een nieuwe poging deed, kon hij slechtszeggen: ‘Het sneeuwt.’

    ‘Ik hoorde op de radio dat het inderdaad zou gaan sneeuwen.’ Het raam van het lab waar zewerkte kwam uit op de hal en zo zag ze pas wat voor weer het was als ze ging lunchen. Zewachtte nog een minuut om te horen wat mr. Fox had mede te delen. Hij was niet, dacht ze, diehele weg vanaf zijn kantoor, ongeveer tien blokken, door de sneeuw komen lopen om haar verslagvan het weer uit te brengen. Maar hij bleef daar in de deuropening staan, niet in staat eenstap naar binnen of naar buiten te doen. ‘Gaat het?’

    ‘Eckman is dood,’ kon hij nog net zeggen voordat zijn stem brak, en zonder enige verdereuitleg overhandigde hij haar de brief en gaf zo te kennen dat hij zich geen raad wist met ditverschrikkelijke feit.

    ?

    De Vogel-campus telde meer dan dertig gebouwen, laboratoria en kantoren van verschillendeafmetingen en met verschillende doeleinden. In sommige laboratoria werkten twintig technici enonderzoekers tegelijkertijd. In andere waren wanden vol muizen, apen of honden. Dit lab deeldeMarina al zeven jaar met dr. Eckman. Het was zo klein dat mr. Fox alleen zijn hand maar naarhaar hoefde uit te strekken, en toen hij dat deed, pakte ze de brief van hem aan en ginglangzaam zitten in de grijze plastic stoel naast de centrifuge. Op dat moment begreep ze waarommensen zeiden Misschien wil je eerst gaan zitten. Ze voelde zich vanbinnen heel zachtjesinstorten, niet alsof ze flauwviel, maar meer alsof ze in elkaar werd gevouwen, waarbij haarenkels en knieën en heupen als bij een duimstok ingeklapt werden. Anders Eckman, een lange manmet zijn witte laboratoriumjas en zijn dikke grijzend blonde haardos. Anders met een kop koffievoor haar, omdat hij er een voor zichzelf was gaan halen. Anders met de dossiers waarom ze hadgevraagd, half zittend op de rand van haar bureau terwijl hij haar proteïne-informatie naliep.Anders, vader van drie kinderen. Anders, nog geen vijftig. Haar ogen keken naar de data – 15maart op de brief, 18 maart op het poststempel en vandaag was het 1 april. Hij was niet alleendood, hij was al twee weken dood. Ze hadden zich erbij neergelegd dat ze niet vaak van hemzouden horen en nu realiseerde ze zich dat hij al zo lang weg was dat ze overdag somsnauwelijks aan hem dacht. Herhaaldelijk was voor de mensen die thuis in Minnesota zatenbenadrukt hoe afgelegen de zijrivier in het Amazonegebied was waar prof. Swenson haar onderzoekdeed (Morgen zal deze brief meegegeven worden aan een kind dat in een uitgeholde boomstam derivier af vaart, had Anders haar geschreven. Ik kan het geen kano noemen. Er bestaan geenstatistieken aangaande de waarschijnlijkheid van zijn aankomst.), maar het was nog altijd ineen land, nog altijd in de wereld. Iemand daar moest toch wel over een internetverbindingbeschikken. Hadden ze nooit de moeite genomen om die te zoeken? ‘Kon ze je niet bellen? Ermoet iets van satellietcommunicatie zijn…’

    ‘Ze heeft geen telefoon, tenminste, ze beweert dat die daar niet werkt.’ Ook al stonden zevlak bij elkaar in deze stille kamer, toch kon ze zijn stem nauwelijks horen.

    ‘Maar hiervoor…’ Ze hield zichzelf in. Hij wist het niet. ‘Waar is hij nu?’ vroeg Marina.Ze kreeg de woorden zijn lichaam niet over haar lippen. Anders was geen lichaam. Vogel was volonderzoekers, onderzoekers die werkten, onderzoekers die koffie dronken in hun kamer. De kastenen voorraadkamers zaten vol medicijnen, alle mogelijke soorten medicijnen. Dit was een

    farmaceutisch bedrijf; wat ze niet hadden, daarvan werd bedacht hoe het geproduceerd konworden. Als ze wisten waar hij was, zouden ze vast en zeker iets bedenken dat ze voor hemkonden doen en bij die gedachte overschaduwde haar wens tot het onmogelijke elkwetenschappelijk inzicht dat ze ooit had gehad. Doden waren dood waren dood waren dood, maartoch hoefde Marina Singh niet eens haar ogen te sluiten om Anders Eckman een broodje eiersaladete zien eten in de personeelskantine, iets wat hij sinds ze hem kende elke dag met smaak hadgedaan.

    ‘Lees jij geen cholesterolrapporten?’ vroeg ze, altijd bereid om de aangever te zijn.

    ‘Ik schríjf cholesterolrapporten,’ zei Anders, terwijl hij met zijn vinger langs de rand vanzijn bord ging.

    Mr. Fox zette zijn bril af en drukte zijn gevouwen zakdoek tegen zijn ooghoeken. ‘Lees debrief maar,’ zei hij.

    Ze las hem niet hardop.

    ?

    Jim Fox,

    ?

    Het heeft hier gestortregend, niet ongewoon voor de tijd van het jaar, al verbaast het me jaarna jaar nog steeds. Het maakt geen verschil uit voor ons werk, behalve dat het meer tijd kost,maar als we al vertraging oplopen, dan laten we ons daardoor niet ontmoedigen. We stevenen noggestaag op dezelfde buitengewone resultaten af.

    Maar momenteel is dit niet het voornaamste wat ons bezighoudt. Ik heb onfortuinlijk nieuws overdr. Eckman, die twee nachten geleden gestorven is aan een koorts. Gegeven onze locatie, dezeregen, de kleingeestige bureaucratie van de regeringen (zowel hier als daar bij jullie) en hettijdgevoelige karakter van ons project hebben we ervoor gekozen hem hier te begraven op eenmanier die overeenstemt met zijn christelijke conventies. Ik moet u zeggen dat dat geensinecure was. Wat betreft het doel van dr. Eckmans missie kan ik u verzekeren dat wevooruitgang boeken. Zijn weinige bezittingen zal ik hier houden voor zijn vrouw, aan wie u, zovertrouw ik, dit nieuws samen met mijn gevoel van medeleven zult overbrengen. Ondanks alletegenslagen zetten we door,

    Annick Swenson

    ?

    Marina begon weer van voren af aan. Nadat ze het nogmaals gelezen had, wist ze nog steeds nietwat ze moest zeggen. ‘Noemt ze Anders een tegenslag?’

    Ze hield de brief bij de uiterste rand beet als betrof het een document dat nog als bewijsstukmoest dienen. Het was duidelijk dat het papier op een bepaald moment nat was geworden en daarnaweer opgedroogd. Aan de manier waarop het op sommige plekken was gerimpeld kon ze zien dat hetin de regen was geweest. Prof. Swenson wist alles van de betrekkingen tussen papier, inkt enregen en dus grifte ze haar brieven met een hard donker potlood, terwijl in Eden Prairie,Minnesota, Karen Eckman in een koloniaal huis met twee verdiepingen in de veronderstellingverkeerde dat haar man zich in Brazilië bevond en thuis zou komen zodra hij prof. Swenson totrede had weten te brengen.

    Marina keek op de klok. Ze moesten opschieten, anders was Karen al weg om de kinderen vanschool te halen. Af en toe, als Anders toevallig om halfdrie op zijn horloge keek, zei hijzachtjes bij zichzelf: ‘De school gaat uit.’ Drie kleine Eckmannetjes, drie jongens die inhun onwetendheid, net als hun moeder, zich nog niet konden voorstellen dat hun vader dood was.Voor zo’n groot verlies had prof. Swenson iets meer dan een half velletje papier nodig gehaden op dat halve velletje had ze tweemaal het weer ter sprake weten te brengen. De rest wasalleen maar een grote blauwe leegte. Hoeveel er op die resterende centimeters gezegd had kunnenworden, hoeveel uitgelegd, was wetenschappelijk niet meetbaar.

    Mr. Fox sloot de deur en ging naast Marina’s stoel staan. Hij legde zijn hand op haar schouderen kneep erin, en omdat de jaloezieën voor de ramen die op de hal uitkwamen waren neergelaten,vlijde ze haar hoofd tegen de rug van zijn hand en even, badend in het allerlichtstblauwefluorescerende licht, bleven ze in die positie. Ze putten er beiden troost uit. Mr. Fox enMarina hadden nooit besproken hoe zij op hun werk met hun relatie moesten omgaan. Op het werkhadden ze geen relatie, althans niet een die anders was dan die met anderen. Mr. Fox was de ceovan Vogel. Marina was een wetenschapper die aan de ontwikkeling van statinen werkte. De eerstekeer dat ze elkaar hadden leren kennen, echt leren kennen, was de zomer ervoor tijdens eenbedrijfsdag waarop de wetenschappelijke staf een partijtje softbal speelde tegen deadministratie. Mr. Fox had haar een compliment gegeven over haar wijze van werpen en datcompliment was uitgemond in een gesprek over hun wederzijdse liefde voor baseball. Mr. Fox wasgeen wetenschapper. Hij was de eerste ceo met een industriële achtergrond. Tegenover anderensprak ze over hem als mr. Fox. In aanwezigheid van anderen sprak ze hem aan als mr. Fox. Hetprobleem was om hem Jim te noemen als ze samen waren. Het bleek veel moeilijker om daaraan tewennen.

    ‘Ik had hem nooit daarheen moeten sturen,’ zei mr. Fox.

    Ze hief haar hoofd op en nam zijn hand in de hare. Mr. Fox had geen reden om eenlaboratoriumjas te dragen. Vandaag droeg hij een donkergrijs pak met een donkerblauwegestreepte das, en hoewel deze kleding volkomen paste bij een man van zestig, viel hij uit detoon zodra hij de administratieve afdeling verliet. Vandaag kreeg Marina het gevoel dat hij opweg was naar een begrafenis. ‘Je hebt hem niet gedwongen te gaan.’

    ‘Ik heb hem gevraagd te gaan. Hij had kunnen weigeren, maar dat was niet erg waarschijnlijk.’

    ‘Maar het is nooit bij je opgekomen dat iets als dit kon gebeuren. Je hebt hem niet naar eengevaarlijk oord gestuurd.’ Marina vroeg zich af of dit eigenlijk wel waar was. Natuurlijkwaren er giftige slangen en vissen met vlijmscherpe tanden, maar die bevonden zich, stelde zezich voor, op veilige afstand van plekken waar wetenschappelijk onderzoek werd verricht. Hoedan ook, in de brief stond dat hij aan koorts was overleden, niet aan een slangenbeet. Ook hierin Minnesota kon een mens vele soorten koorts oplopen. ‘Professor Swenson is daar nu al vijfjaar en haar is nooit iets overkomen.’

    ‘Haar zou ook nooit iets overkomen,’ zei mr. Fox zonder enige sympathie in zijn stem.

    Om eerlijk te zijn: Anders was maar al te graag naar de Amazone gegaan. Hoeveel kans had eenonderzoeker die aan de ontwikkeling van statinen werkte om gevraagd te worden naar Brazilië tegaan net wanneer de winter ondraaglijk werd? Hij was een ware vogelaar. Elke zomer nam hij zijnjongens mee in een kano en peddelde met hen door de Boundary Waters met verrekijkers enaantekenboekjes, onderwijl uitkijkend naar rosse stekelstaarten en zwarte spechten. Het eerstewat hij deed toen de reis ter sprake kwam, was gidsen van het regenwoud bestellen en toen zekwamen, deed hij niet eens meer alsof hij werkte. Hij zette de bloedmonsters terug in dekoelkast en verdiepte zich in de glanzende, zware bladzijden van de gidsen. Hij wees Marina devogels die hij hoopte te zien, jacana’s met tenen zo lang als zijn hand, kuifkoekoeken met eendonzig borstelkuifje boven op hun kop. Met een dergelijke vogel kon je de binnenkant van eenjampot schoonmaken. Hij kocht een nieuwe camera met een lens die van vijftien meter afstandrechtstreeks kon inzoomen op een nest. Het was niet het soort luxe dat Anders zichzelf innormale omstandigheden zou veroorloven.

    ‘Maar dit zijn geen normale omstandigheden,’ zei hij en hij nam een foto van zijn collega aanhaar bureau.

    Bij de schelle flits keek Marina op van een halsbandcotinga, een vogel ter grootte van een duimdie huisde in een kegelvormige, aan de punt van een blad bevestigde klodder modder. ‘Het zijnheel wat vogels.’ Ze bekeek elke foto aandachtig, vol bewondering voor de biodiversiteit in alhaar pracht. Bij het zien van de blauwe ara voelde ze gedurende een fractie van een secondespijt dat niet zij door mr. Fox voor dit karwei was gekozen. Het was een bijzonder belachelijkegedachte. ‘Je zult het te druk hebben met vogels kijken om nog tijd te vinden voor professorSwenson.’

    ‘Ik stel me voor dat ik een heleboel vogels ontdek voordat ik professor Swenson vind en als ikhaar eenmaal heb gevonden, zal ze, denk ik, niet meteen haar boeltje pakken en zichterughaasten naar Johns Hopkins. Dit soort zaken vereist tact. Dat heeft mr. Fox zelf gezegd.En dat geeft me dus behoorlijk wat uren daglicht.’

    Prof. Swenson vinden was een probleem. Er was een adres in Manaus, maar dat was kennelijk nietin de buurt van de basis waar ze haar veldonderzoek verrichtte; ze was van mening dat die plekmet de hoogste geheimhouding behandeld diende te worden, teneinde zowel de ongerepte natuur vanhaar proefpersonen als het bijzondere medicijn dat ze ontwikkelde te beschermen. Dat had ze metzo veel overtuiging weten te brengen dat zelfs mr. Fox haar exacte verblijfplaats niet kende,behalve dat die ergens aan een zijrivier van de Rio Negro lag. Maar niemand kon vertellen hoever vanaf Manaus die zijrivier begon en in welke richting hij stroomde. Wat nog erger was, wasde indruk dat haar opsporing het gemakkelijkst van alles zou zijn. Marina keek Anders recht inde ogen en opnieuw hield hij zijn camera omhoog. ‘Hou nou op,’ zei ze en ze hield haar handvoor de lens. ‘En als het je niet lukt haar mee terug te krijgen?’

    ‘Natuurlijk lukt me dat,’ zei Anders. ‘Ze mag me. Waarom denk je anders dat mr. Fox zijnkeus op mij heeft laten vallen?’

    Het was mogelijk dat prof. Swenson hem aardig had gevonden tijdens die ene dag zeven jaargeleden die ze op Vogel had doorgebracht, toen ze met Anders en nog vier onderzoekers plus vijfstafleden van de afdeling Kansberekening en Taxatie aan een conferentietafel had gezeten om hetvoorlopige budget voor de ontwikkeling van een programma in Brazilië te bespreken. Marina hadkunnen zeggen dat prof. Swenson geen idee had wie hij was, maar waarom zou ze? Dat wist hijzelf ook wel.

    ?

    Mr. Fox kende Karen Eckman niet. Hij had haar op bedrijfsfeestjes gezien, maar, zei hij tegenMarina, hij kon zich haar gezicht niet voor de geest halen, iets wat in het licht van hetgebeurde onvergeeflijk leek. Marina zag zijn dankbare blik toen ze haar jas van de kapstoknaast de deur pakte, maar ze zou hem nooit alleen hebben laten gaan. Het was een taak vooraalmoezeniers, politiebeambten, mensen die wisten wat het betekende om op een deur te kloppenmet de boodschap die het leven van degenen achter die deur voor eens en altijd op zijn kop zouzetten. Anders is dood.

    ‘Ze zal het fijn vinden dat jij erbij bent,’ zei mr. Fox.

    ‘Fijn is niet het juiste woord,’ zei Marina.

    Marina ging mee om mr. Fox bij te staan en ze ging uit respect voor haar dode vriend, maar zemaakte zich geen illusie dat Karen Eckman haar zag als degene van wie ze het nieuws wildehoren. Het was waar, ze kende Karen, maar slechts zoals een tweeënveertigjarige vrouw zonderkinderen een drieënveertigjarige vrouw met drie kinderen kent, zoals iedere alleenstaande vrouwdie werkt met de echtgenoot de vrouw die thuiszit kent. Marina begreep dat Karen erop hadgestaan kennis met haar te maken, ook al had Karen haar niet bewust niet vertrouwd. Als Marinade telefoon in het lab opnam, maakte Karen een praatje met haar. Ze nodigde haar uit voor hunopenhuisfeest met Kerstmis en de 4 juli-barbecue, waar ze een glas thee voor Marina ging halenen haar serieuze vragen stelde over proteïneonderzoek en zei dat ze haar schoenen echt heelmooi vond, een ietwat exotisch paar gele flatjes dat een nichtje haar jaren geleden uitCalcutta had gestuurd, schoenen die ze zelf erg mooi vond en voor speciale gelegenhedenbewaarde. Toen Marina op haar beurt naar de jongens informeerde, hoe ze het op school deden, ofze wel of niet op kamp gingen, gaf Karen weinigzeggende antwoorden en ging verder nergens opin. Ze was niet het type moeder dat de beleefde collega’s van haar man bestookte met eindeloosgepraat over de padvinderij. Marina wist dat Karen niet bang voor haar was. Per slot vanrekening was Marina bijzonder lang en mager, had ze ondoorgrondelijke ogen en dik zwart haardat haar onderscheidde van alle aanwezige Zweden; Karen wilde alleen maar dat Marina haar nietvergat. En dat deed Marina ook niet, maar wat tussen hen belangrijk was, was zo onuitgesprokendat ze nooit de kans kreeg om zich te verweren tegen datgene waarvan ze nooit was beschuldigden waaraan ze zich nooit schuldig had gemaakt. Marina was niet het type vrouw dat verliefd werd

    op de man van een ander, net zomin als ze het type vrouw was dat ’s nachts zou inbreken en deverlovingsring van de grootmoeder, de laptop en het kind zou stelen. Eigenlijk had ze na tweeglazen punch, op dat laatste kerstfeest, in de keuken best tegen Karen Eckman aan willenleunen, een arm om haar smalle schouders willen slaan, en haar hoofd willen buigen tot hunhoofden elkaar bijna geraakt zouden hebben. Ze had in haar oor willen fluisteren: ‘Ik benverliefd op mr. Fox’, alleen maar om Karen Eckmans ogen te zien oplichten in met blijdschapvermengde verwondering. Als ze dat had gedaan, dan zouden Marina Singh en Karen Eckman nuinderdaad heel goede vriendinnen zijn.

    Buiten was de sneeuw lang genoeg in natte klonten neergevallen om elk sprietje jong lentegraste bedekken. De krokussen die ze die ochtend nog had gezien, met hun gele en purperen hoofdjesrechtop uit de aarde, waren nu even bevroren en verstijfd als de karpers in het meer. De kleinebloemen van de judasboom hingen zwaar neer door de laag sneeuw. Mr. Fox en Marina baanden zicheen weg door de ijzige sneeuwbrij zonder erbij na te denken dat ze voor de allereerste keer inhun relatie samen het gebouw verlieten. Het was bijna vierhonderd meter lopen vanaf hetzuidelijke kwadrant van Vogel naar het parkeerterrein. Marina had haar sneeuwschoenen niet bijzich. Toen ze die ochtend naar haar werk ging, sneeuwde het niet.

    ‘Ik moet je nog iets zeggen,’ zei mr. Fox, toen ze eenmaal in zijn auto zaten, hij de sneeuwvan de voorruit had weggeveegd en de ontdooier in de hoogste stand had gezet. ‘Ik had nooitgedacht dat hij zo lang zou wegblijven. Toen hij vertrok, heb ik hem gezegd dat hij de tijdmoest nemen om een en ander over te brengen, maar ik dacht aan een week, hooguit twee weken.Het was niet bij me opgekomen dat hij langer dan twee weken zou blijven.’

    ‘Het kostte hem moeite om haar op te sporen, dat stuurde om te beginnen zijn schema in dewar.’

    Anders was de dag na Kerstmis vertrokken. Het bedrijf had gewild dat hij eerder vertrok, maarover Kerstmis viel bij de Eckmans niet te onderhandelen. Ze had mr. Fox de paar brieven latenlezen die ze van Anders had gekregen, omdat er niets vertrouwelijks in stond. Ze gingengrotendeels over Manaus en over de uitstapjes die hij als vogelaar naar het oerwoud had gemaaktmet een gids. Tegen haar had Anders het meestal over regen gehad. Indien mr. Fox brieven vanAnders had ontvangen, en daar was ze zeker van, dan had hij ze nooit ter sprake gebracht.

    ‘Twee weken dus. En niet drie maanden. Had ik dat geweten, dan zou ik hem gezegd hebben dathij terug moest komen…’

    ‘Je kreeg hem niet te pakken.’

    ‘Juist.’ Mr. Fox liet zijn ogen afdwalen over het witte landschap dat zich voor deruitenwissers ontrolde. ‘Dan zou ik hem hebben gezegd de boodschap af te geven en zodra hijdat had gedaan, had hij op een vliegtuig moeten stappen, met of zonder haar. Dat was het enigewat hem te doen stond.’

    ‘Zo gemakkelijk zou het niet zijn geweest,’ zei ze, evenzeer tegen zichzelf als tegen hem.Niemand had ooit echt gedacht dat de boodschap aan prof. Swenson om haar onderzoek naarMinnesota te verplaatsen ertoe zou leiden dat prof. Swenson haar laboratorium inpakte enterugkwam – Anders niet, mr. Fox niet, Marina niet. En het ging er ook niet echt om dat zeterugkwam. Als ze bereid was het contact weer te herstellen, te bewijzen dat het medicijn bijnagereed was, had toegelaten dat het bedrijf een groepje eigen onderzoekers aanstelde datregelmatig nauwkeurig verslag uitbracht over de vooruitgang van het medicijn, dan zou Vogelhaar nog jaren op haar basis laten werken en geld schenken uit een daartoe aangeboorde ader.Maar nu was Anders dood en het hele idee van een goede afloop was nu niet meer dan stuitendewaanzin. Alleen al de gedachte aan prof. Swenson gaf Marina het gevoel dat een koude hand haarhart omklemde. Het is vijftien jaar terug en ze bevindt zich in de collegezaal van JohnsHopkins op een veilige plaats aan de zijkant van een middenrij, en voor op het podium beentprof. Swenson heen en weer en praat dermate indringend over de cervix, de cervix, dat niemandop zijn horloge durft te kijken. Niemand van het honderdkoppige publiek zal een hint geven dathet college-uur allang voorbij is, dat de zaal weggestuurd zou moeten worden, dat er anderecolleges zijn die ze nu missen. Marina volgt als tweedejaars assistent-in-opleiding toch een

    college voor derdejaars studenten medicijnen, omdat prof. Swenson duidelijk te kennen heeftgegeven dat zowel assistenten-in-opleiding als studenten aanwezig dienen te zijn wanneer zijcollege geeft. Maar Marina zou er niet aan denken een college te missen of een college teverlaten vanwege zoiets triviaals als tijd. Ze zit aan haar plaats genageld, terwijl op de hogemuur voor haar dia’s van atypische cellen zo snel voorbijglijden dat ze bijna een bewegendefilm vormen. Prof. Swenson weet alles wat Marina dient te weten, beantwoordt de vragen dieMarina nog niet eens bij zichzelf heeft geformuleerd. Een tengere vrouw die op afstand nogtengerder is, houdt een honderdtal mensen aan hun plaats gekluisterd met een stem die nimmer demoeite neemt om zich te verheffen, en omdat ze allemaal bang zijn van haar en bang om mogelijkiets van haar woorden te missen, blijven ze allemaal net zolang als zij hen wenst vast tehouden. Marina veronderstelt dat de hele zaal hetzelfde ervaart als zij, een combinatie vanangst en opwinding, een gevoel dat de geest buitengemeen alert houdt. Haar hand vliegt over velna vel terwijl ze elke lettergreep die prof. Swenson zegt opschrijft. Het is het college waarinMarina leert aantekeningen te maken als een verslaggever, een vaardigheid waar ze de rest vanhaar leven profijt van zal hebben.

    Het is Marina vreemd te moede dat ze na al die jaren terugdenkt aan prof. Swenson in decollegezaal. Ze stelt haar zich nooit voor in de operatiekamer of tijdens de zaalronde, maaraltijd op veilige, concrete afstand.

    ?

    Karen en Anders Eckman woonden in een doodlopende straat waar de buurtbewoners langzaam rijdenin de wetenschap dat er misschien jongens de heuvel af sleeën of op hun fiets uit de bosjestevoorschijn schieten. ‘Daar is het,’ zei Marina, wijzend naar de rode bakstenen, en mr. Foxreed de auto naar de stoeprand. Marina en Anders verdienden waarschijnlijk ongeveer evenveel.Ze praatten er nooit over, maar ze deden hetzelfde werk; Anders werkte een paar jaar langer bijhet bedrijf dan Marina en verdiende dus misschien wat meer. Maar Marina’s huis, datbetrekkelijk klein, maar nog altijd te groot voor haar was, was afbetaald. Ze deed regelmatigschenkingen aan liefdadigheid en liet de rest van haar geld op de bank slapen, terwijl Andersmoest betalen voor dit huis, pianolessen, orthodonten, zomerkampen en scholen. Hoe had hij datgered, drie zonen en een vrouw, en wie ging dit alles betalen nu hij dood was? Even zat ze daaren dacht aan de verschillende verjaarspartijen en kerstmissen, talloze taferelen van jongensmet cadeaus, strikken en bergen verscheurd rood, zilver en groen verpakkingspapier, totdatuiteindelijk de sneeuw de voorruit bedekte en haar het uitzicht benam.

    ‘Hé, wat een verrassing,’ zei Karen Eckman, toen ze de deur opendeed. Ze greep met beidehanden de halsband van een enorme golden retriever; zelf was ze klein en het leek een ongelijkestrijd. ‘Nee,’ zei ze luid. ‘Af!’ Ze droeg een diep over haar oren getrokken, wittegebreide muts en achter haar in de hal lag, over een stoel gegooid, haar jas. Tevergeefs zochtMarina in haar herinnering de naam van de hond, hoewel Anders op zijn bureau een foto van hemhad staan naast foto’s van Karen en de jongens. Hij duwde zijn mokerkop tegen Karens heup enbracht twee scherpe blaffen ten gehore bij de onvoorstelbare meevaller van twee onverwachtegasten midden op de dag.

    ‘U staat op het punt weg te gaan,’ zei mr. Fox, alsof dit betekende dat zij eveneens moestenvertrekken.

    Karen schudde haar hoofd. ‘Nee hoor, het is prima. Ik heb tijd genoeg. Ik wilde even eenboodschap doen voordat ik de jongens ga ophalen, maar dat kan later ook wel. Kom binnen. Het isijskoud.’ De hond dook naar voren toen ze binnenstapten in de hoop op te kunnen springen, maarKaren, hooguit tien kilo zwaarder dan de hond, slaagde erin hem naar de zijkant van de hal tetrekken. ‘Af, Pickles,’ zei ze. ‘Zit.’

    Pickles ging niet zitten en toen ze hem losliet, probeerde ze al wrijvend de moeten die deketting in haar handen had achtergelaten weg te krijgen. De keuken was volledig opgeruimd, geenkopjes op het aanrecht, geen speelgoed op de grond. Marina was hier eerder geweest, maar alleenvoor feestjes wanneer het in elke kamer en de gang vol mensen stond. Nu het leeg was, zag zehoe groot het huis was. Er waren heel veel kinderen nodig om alle lege ruimten te vullen.

‘Hebben jullie trek in koffie?’ vroeg Karen.

    Marina draaide zich om naar mr. Fox en merkte dat hij vlak achter haar stond. Hij was nietlanger dan Marina, iets waar ze als ze samen waren grapjes over maakten. ‘Nee, dank je,’ zeiMarina. Het was geen heldere dag, maar wat er aan licht was, werd door de sneeuw weerkaatst enwierp een brede zilveren streep over de ontbijttafel. Door het grote raam zag Marina in deachtertuin een klimrek op een kleine verhoging, een rudimentair fort met een schuin dak waaropde sneeuw bleef liggen. Pickles drukte zich nu tegen Marina aan en duwde zijn kop tegen haarhand, totdat zij zich bukte om hem over de gladde huid achter zijn oren te aaien.

    ‘Zal ik hem opsluiten?’ zei Karen. ‘Het is zo’n bakbeest.’

    Pickles staarde haar aan, zijn blik wazig door het verrukkelijke gevoel achter zijn oren. ‘Ikhou van honden,’ zei Marina; de hond moest absoluut blijven, dacht ze. De hond moest de plaatsinnemen van hun predikant, indien ze die hadden. De hond moest de rol vervullen van Karensmoeder, of zuster of wie ze ook maar naast zich wilde hebben op het moment dat haar wereldinstortte. De hond moest de rol vervullen van Anders.

    Ze wierp nogmaals een blik op mr. Fox. Elke minuut dat ze in het huis waren zonder te vertellenwat er was gebeurd, was een leugen. Maar mr. Fox had zich nu omgedraaid naar de koelkast enbekeek foto’s van de jongens: de twee jongsten een stel vlaskoppen, de oudste ietwatdonkerder. Hij keek naar een foto van Anders met zijn armen om zijn vrouw heen en op die fotowaren ze zelf bijna nog kinderen. Er waren ook foto’s van vogels, een groep prairiehoenders ineen veld, een roodkeelsialia met zo’n heldere kleur dat hij gefotoshopt leek. Andersfotografeerde veel vogels.

    Karen zette haar muts af en stopte haar steile lichte haar achter haar oren. De blos op haarwangen ten gevolge van de kortstondige vlaag kou was verdwenen. ‘Jullie brengen geen goednieuws, hè?’ zei ze, terwijl ze aan de ringen om haar vingers draaide, een bescheiden diamanten de gladde platina ring. ‘Ik vind het leuk om jullie te zien maar ik kan me niet voorstellendat jullie alleen maar langskomen om gedag te zeggen.’

    En heel even voelde Marina een soort opluchting. Natuurlijk wist ze het. Ook al had ze het nogniet gehoord, ze wist het, zoals een geliefde het weet. Marina wilde niets liever dan haararmen om Karen heen slaan, haar sympathie betuigen. Daarvoor was ze gekomen. De woorden voorhoezeer het haar speet bonkten achter in haar keel.

    ‘Het is geen goed nieuws,’ zei Marina en ze hoorde hoe haar stem haperde. Dit was het momentwaarop mr. Fox het verhaal moest doen, iets uitleggen wat Marina zelf niet goed begreep, maarer kwam niets. Mr. Fox ging geheel op in de foto’s op de koelkast. Hij stond met zijn rug naarde twee vrouwen toe, zijn armen achter zich in elkaar gehaakt, zijn hoofd voorovergebogen naareen foto van een ijsduiker.

    Karen sloeg haar ogen op, schudde zachtjes haar hoofd. ‘Op de brieven is geen staat temaken,’ zei ze. ‘Soms krijg ik er twee op één dag en dan een hele week niets. Ze komenvolslagen willekeurig binnen. Een paar dagen geleden kreeg ik er een zonder datum, maar diemoet redelijk recent zijn. Hij klonk alsof hij gek aan het worden was. Tegenwoordig schrijfthij me echt minder. Ik denk omdat hij me niet wil zeggen dat hij langer moet blijven.’

    ‘Karen, luister eens.’

    Pickles stak zijn kop op alsof hém werd opgedragen te luisteren. Hij ging zitten.

    ‘Het is zijn werk niet,’ zei Karen en terwijl ze Marina aankeek, wees ze naar de rug van mr.Fox. ‘Hij houdt niet van het oerwoud. Nou ja, de vogels, die zijn ongelooflijk, zegt hij, maarvan de rest wordt hij gek, van de bladeren en de klimplanten en al die dingen. In een van zijnbrieven zei hij het gevoel te hebben dat ze hem ’s nachts wurgden. In Crookston, waar Andersis opgegroeid, waren nauwelijks bomen. Zijn jullie wel eens in Crookston geweest? Daar zijnalleen maar prairies. Hij zei altijd dat hij zenuwachtig werd van bomen, dat was wel eengrapje, maar toch. Dit is niets voor hem. Hij is geen mediator die is opgeleid om moeilijkekwesties uit te praten. Ik begrijp wel waarom jullie hem hebben gestuurd. Iedereen vindt Andersaardig. Maar als Vogel de prijs van de aandelen heeft opgedreven, dan is dat Vogels probleem.

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com