EPUB

Muns, Bert - Vrouwenfabriek

By Marion Rogers,2014-04-01 02:47
10 views 0
Muns, Bert - Vrouwenfabriek

    ? Bert Muns ? ? De vrouwenfabriek ? ? ? Voor alle slachtoffers van mensenhandel, waar ook ter wereld, en voor hen die deze misdaad

    bestrijden. ? ? ‘Geloof niets, tot het officieel is ontkend.’ – Francis Claud Cockburn , Engels journalist ( 1904-1981 ) ? ?

1

    Peinzend keek de journalist langs de ijzeren trapleuningen in het trappenhuis omhoog.

    ‘Vier verdiepingen, meneer Wartena,’ zei de vrouw die naast hem stond. Ze had nog geen momentnaar boven gekeken. Dat hoefde ook niet. Ze kende het trappenhuis, beter dan haar lief was. Inplaats daarvan lette ze op zijn reactie. Toen die uitbleef zei ze: ‘Het lijkt niks, maar hetis verdomd hoog.’

    ‘Waarom op de eerste schooldag?’

    ‘Vorig jaar was natuurlijk een hel. Maar de vakantie had hem echt goed gedaan en hij wasvastbesloten om er weer tegenaan te gaan. Ze hebben niks laten merken, hij is zelfs nog naarvergaderingen geweest, de laatste week van de vakantie. Tot die dinsdag, toen bleek dat hijhelemaal niet was ingeroosterd. Er stond een vervanger in zijn klas.’ Ze zweeg even en keek nuvoor het eerst omhoog. ‘Als hij een statement wilde maken is dat wel gelukt, ja.’

    De journalist knikte en keek haar aan en vroeg: ‘Hoe weet u zo zeker dat het geen ongelukwas?’

    ‘Dus u gelooft mij ook niet,’ zei ze met een zucht, waaruit zowel frustratie als berustingsprak.

    ‘Dat zeg ik niet. Ik wil de mogelijkheid alleen uitsluiten.’

    ‘Fons wilde het spelletje niet meespelen. Hij is bedreigd, vals beschuldigd, ouders die hunkinderen thuishielden, alleen vanwege geruchten die de schoolleiding met opzet verspreidheeft,’ zei ze. ‘Hij was een lieve man, en dat is zijn dood geworden. Hij kon zich nietverdedigen.’

    Haar gezicht was als een masker. De journalist begreep nu pas wat een overwinning het geweestmoest zijn om hiernaartoe te komen. Dat was het risico van zijn beroep, besefte hij. Dat hijongevoelig werd.

    ‘En bovendien, wat zou hij op de vierde moeten?’

    ‘Dat weet ik niet.’

    ‘Hij kwam nooit op de vierde.’

    Ben Wartena bestudeerde haar gezicht. Ze was net dertig, maar de eerste grijze haren trokkensporen door het kastanjebruin. Ze was ongetwijfeld erg mooi geweest, dacht hij. Nee, ze was hetnog, maar het verdriet en de spanning van het afgelopen jaar hadden haar getekend en van haarvolle lippen niet veel meer overgelaten dan een dunne, grijzige streep van vastberadenheid.

    ‘Er is daar niets,’ zei ze. ‘Alleen een vliering met wat rommel. Er is maar één reden waaromhij daarheen zou gaan.’

    ‘En dat is?’

    Ze keek hem aan. ‘Om zo diep mogelijk te kunnen vallen.’

    Een zoemer klonk in het hele gebouw. Een ogenblik later gingen de deuren van de lokalen open enwerden de gangen gevuld met het lawaai van vijftienhonderd leerlingen, die vijf minuten haddenom van het ene lokaal naar het andere te komen, en in die tussentijd nog van alles wilden doen.

    ‘Kunnen we gaan?’ zei ze. ‘Deze plek bezorgt me rillingen en de directeur hoef ik niet tespreken.’

    Ben Wartena glimlachte, maar zijn gezicht verstrakte toen hij de kleine man in het oog kreegdie driftig op hen afkwam.

    ‘Ik denk dat we te laat zijn,’ zei hij.

    Voor hij uitgesproken was, was de man hen op een paar meter genaderd. De vrouw keek snel om.‘De coördinator bovenbouw,’ lispelde ze. ‘De rat.’

    ‘Mevrouw Maalderink,’ zei de kleine man afgemeten. ‘Dit is tegen de afspraak.’ Zijn kalehoofd glom en in zijn strak gesneden pak leek hij op een school niet op zijn plaats.

    ‘Dag Michel,’ zei ze met een kort knikje. Meteen voelde Ben de temperatuur in de hal dalentot onder het vriespunt. ‘Ik wilde…’

    ‘U mag zich niet meer op het terrein van de school ophouden. Dat heeft de rechter bepaald.’

    ‘Dat maak jij ervan. Ik heb het nergens gelezen.’

    ‘Pardon,’ zei de journalist. ‘Dit is allemaal mijn schuld, ben ik bang. Ik heb mevrouwMaalderink gevraagd om mij de plaats te laten zien waar haar vriend zelfmoord heeft…’

    ‘Dat gaat u anders helemaal niets aan.’

    ‘Wartena is mijn naam,’ zei Ben. Hij stak zijn hand uit, die de ander negeerde. ‘Ik benjournalist bij Het Weekblad en…’

    ‘Hoe haal je het in je hoofd om een journalist hierheen te halen? Nu kun je ’t helemaal welvergeten!’ siste hij. Tegen Ben zei hij: ‘En nu gaat u naar buiten.’

    Een paar leerlingen die langsliepen keken verbaasd om.

    ‘Nu we hier toch zijn zou ik u graag een paar vragen willen stellen,’ zei de journalistrustig. Hij torende zeker een hoofd boven de man uit en maakte geen aanstalten om aan diensverzoek gevolg te geven.

    ‘Geen commentaar, zei ik net.’

    Meer leerlingen verzamelden zich om hen heen. ‘Dat is juffrouw Maalderink,’ hoorde Ben eenmeisje zeggen. ‘Juf? Juf! Komt u weer terug?’

    De vrouw voelde zich duidelijk ongemakkelijk en durfde geen antwoord te geven.

    ‘Wie bent u precies?’ vroeg Ben intussen. ‘Want dat is me even ontgaan.’

    ‘Hebt u het nu nog niet begrepen? We zeggen niets tegen de pers.’

    ‘Ook niet hoe u heet?’ vroeg de journalist spottend.

    De groep leerlingen om hen heen groeide aan. Een docent probeerde zijn klas mee te krijgen,maar dat lukte slechts ten dele. Er werden opmerkingen gemaakt, de meeste niet erg vleiend voorde kleine coördinator, die met de minuut driftiger werd.

    ‘Eruit! Ik ontzeg u de toegang.’

    Hij pakte hem bij de arm, maar Ben schudde zich met het grootste gemak los.

    ‘Dat kunt u beter niet doen,’ zei hij rustig. ‘Waarom vertelt u mij uw kant van de zaakniet?’

    ‘Als u niet weggaat, bel ik de politie.’

    ‘Dat mag u gerust doen. Het grappige is dat die wel commentaar geven.’ Ben keek de mandoordringend aan en zag dat zijn woorden de gewenste uitwerking hadden. ‘Het is dus in uweigen belang,’ ging hij verder. ‘Kijk, het artikel schrijf ik toch en ik zeg u eerlijk, opdit moment ziet het er voor de school niet goed uit. Als u blijft weigeren wordt het er nietbeter op.’

    ‘Jij schrijft helemaal niks!’ De coördinator bovenbouw was nu rood als een tomaat en zo verheen dat hij de beleefdheidsvormen liet varen.

    ‘Tja, dan kan ik er ook niks meer aan doen. Ik geef u de kans om uw versie van de feiten toete lichten, maar als u die kans niet wilt benutten, wordt het artikel zonder uw inbrenggepubliceerd.’

    ‘Als je mijn naam noemt, klaag ik je aan wegens laster.’

    ‘Prima,’ zei Ben. ‘Ik verheug me erg op de rechtszaak.’

    ?

    Karel Grootes krabde in zijn korte, grijze baard. Ben Wartena kende dat gebaar. Het betekendedat de hoofdredacteur nerveus was. Hij pakte zijn koffiebekertje op en vroeg zich af waar dienervositeit vandaan kwam.

‘Het spijt me, Ben.’

    Het bekertje onderbrak de reis naar zijn mond zo plotseling dat er een beetje koffie over derand klotste. Ben keek de hoofdredacteur met toegeknepen ogen aan.

    ‘Wat spijt je?’

    De hoofdredacteur haalde zijn schouders op en keek opzij, alsof hij daarmee zijn antwoord bijvoorbaat wilde bagatelliseren. ‘Je weet zelf hoe dat gaat, Ben. We moeten kiezen, en als wedit stuk plaatsen dan kunnen we de serie van Nico over de Jeugdzorg niet afmaken.’

    ‘Waarom niet?’

    ‘Twee artikelen die qua onderwerp zo dicht naast elkaar liggen, je weet zelf…’

    ‘Heb jij wel het goede stuk gelezen?’ vroeg Ben, half geïrriteerd, half verbaasd. ‘Omdat ditverhaal zich nu toevallig op een school afspeelt? Waar haal je het vandaan? Die man heeft hetonterecht gebruiken van subsidies aan de kaak gesteld, en als dank daarvoor heeft de school,zijn school waar hij al twaalf jaar lesgaf, hem net zo lang getreiterd tot hij over de leuningstapte.’

    ‘Dat weet ik.’

    ‘Justitie onderzoekt het niet, volgens de vriendin van het slachtoffer, omdat de procureur-generaal, meneer Kolfschoten, heel toevallig ook in de raad van toezicht van de school zit.’

    ‘Dat heb ik gelezen. Het is een goed stuk.’

    ‘Kun jij mij dan uitleggen waar dat raakvlakken heeft met de serie van Nico?’

    Karel Grootes zweeg.

    ‘Oké. Zeg me dan maar wat er echt aan de hand is.’

    ‘Ik zou graag willen dat je met iets anders kwam,’ antwoordde de hoofdredacteur.

    ‘Nee,’ zei Ben Wartena pertinent. ‘Niet voor jij me vertelt wat er gaande is.’

    Nu pas viel hem op dat Karel Grootes, die hij al zijn hele werkzame leven kende en die hij alseen vriend was gaan beschouwen, er plotseling jaren ouder uitzag.

    ‘Is het de overname?’ vroeg hij.

    Karel Grootes haalde machteloos zijn schouders op.

    ‘Maar dan nog snap ik het niet. Hoe kan dit artikel…’

    ‘Jij trekt conclusies,’ onderbrak Grootes hem vermoeid.

    ‘Nee,’ zei Ben. ‘Ik trek één conclusie.’ Hij mikte zijn lege bekertje met een boog preciesnaast de prullenbak en stond op. ‘En ik hoop van harte dat het de verkeerde conclusie is.’

2

    ‘Nee, Martha. Nee, nee, nee!’

    De echo van de laatste toon bleef even hangen in de kale ruimte en Martha Roibu liet moedeloosde strijkstok zakken. Wat is er nu weer, leken haar ogen te zeggen, maar mevrouw Ionescu merktehet niet. En als ze het al merkte, deerde het haar niet. Mevrouw Ionescu had in haar generatieslange carrière alles al een keer meegemaakt en alles gehoord. Furieus schudde ze haar hoofd,waardoor haar gerimpelde wangen meebewogen als de huidplooien in de snuit van een bloedhond. Deoude vrouw hief haar handen ten hemel en rolde met haar ogen.

    ‘Wat haal je je toch in je hoofd? Hoe zou het met mij afgelopen zijn, als ik zo gespeeldhad?’

    Met een veelzeggend, theatraal gebaar, haalde ze haar vinger langs haar keel. Martha kon eenglimlach niet onderdrukken. Zo erg kon het toch niet geweest zijn, tussen de tweede violen inhet orkest van de Roemeense Staatsradio. Ze had wel eens een fotootje gezien van haar lerares,uit de beginjaren van het orkest. Een mooie zelfbewuste jonge vrouw, die vol verwachting, eenbeetje brutaal haast, in de lens keek en zo te zien allerminst in doodsangst verkeerde om eenfoute noot. Maar dat weerhield mevrouw Ionescu, vijftig jaar later en in Martha’s ogen eenmooie óúde vrouw, er niet van haar pupil angst aan te jagen met de meest verschrikkelijkeverhalen over het regime in het orkest. Martha liet zich de woede-uitbarstingen met liefdewelgevallen. Ze mocht haar lerares graag en ze wist dat het wederzijds was. Waarom zou ze haaranders les blijven geven, terwijl Martha het al lang niet meer betalen kon?

    ‘Waar is de sfeer, Martha? Wat heeft de componist bedoeld met het andante canzonetta? Dat jehet langzamer speelt…’

    Martha fronste haar fijne wenkbrauwen, pakte viool en strijkstok in dezelfde hand en streek methaar andere hand door haar blonde haren. ‘Dat deed ik.’

    Het was ook haar eigen schuld, wist ze. Ze moest en ze zou het vioolconcert in D vanTsjaikovski leren spelen, hoewel veel deskundigen zeiden dat het het moeilijkste was dat ooitvoor de viool was geschreven. Haar lerares had nog een tijdje volgehouden dat ze de partituurniet meer had, maar Martha had niet opgegeven. Vanaf het moment dat ze het stuk voor het eerstgehoord had, waren de Roemeense volksliedjes van Bartók vergeten. Uren en uren studeerde ze, endat was alleen maar op het andante. Een Patricia Kopatchinskaja zou ze wel nooit worden, maardat betekende niet dat ze het niet kon proberen.

    ‘Maar met gevoel, Martha,’ riep mevrouw Ionescu uit. ‘Muziek is een verhaal. Vertel hetverhaal!’

    Martha’s lippen plooiden zich in een bijna onzichtbare glimlach. Haar ogen lichtten op. Hoevaak had ze dat al niet gehoord? Elke les minstens drie keer. En ze had gelijk, de oude mevrouwIonescu. Hoewel Martha niet elke keer bereid was om het toe te geven, had ze steeds weergelijk. Ze schudde haar haren naar achteren en plaatste haar viool onder haar kin, om heteerste deel nog eens te spelen. Net zo lang tot het de goedkeuring van mevrouw Ionescu konwegdragen. Niet dat haar lerares haar een compliment zou geven, Martha kon zich niet herinnerendat ze ooit een compliment van haar had gehad. Alleen als ze niet meer onderbroken werd voor delaatste dubbele maatstreep, wist Martha dat ze het stuk eindelijk goed gespeeld had.Geroutineerd nam ze de strijkstok tussen haar vingers, gunde zichzelf een moment om zich teconcentreren en juist toen het paardenhaar de snaren beroerde, hoorde ze een doffe dreun, dieweerklonk tegen de heuvels. Het kale peertje dat pal boven de muziekstandaard hing slingerdezachtjes heen en weer, angstaanjagende schaduwen werpend op de partituur. Martha’s hand met destrijkstok bleef in de beweging steken.

    ‘Waar wacht je op?’ zei haar lerares.

    Martha keek haar niet-begrijpend aan. ‘Hoorde u het niet?’

    ‘Wat moet ik horen, als jij niet speelt?’

    ‘Buiten, bedoel ik,’ zei Martha. ‘Die klap.’

    ‘Nee, ik hoorde niets,’ antwoordde mevrouw Ionescu kribbig, maar Martha luisterde al nietmeer. Ze wist nog niet van de verstikkende gaswolk, die zwaar hangend in de vochtige luchttraag en dodelijk de vallei in dreef, waaruit hij niet meer kon ontsnappen. Maar ook zonder dedetails te kennen, begreep Martha onmiddellijk wat er aan de hand was. Het was zover. Dit waswaar Sascha altijd voor gewaarschuwd had. ‘Hou de kinderen binnen en doe alles dicht,’ hadhij gezegd. ‘Stop iets in de kieren, natte handdoeken, kranten, maakt niet uit wat, maar stopze dicht. Voor mij is het dan toch te laat, zorg voor hen.’ Martha had het hem moeten beloven.En dus nam ze niet de tijd om haar vioolkoffer te pakken. Ze griste de bladmuziek van destandaard, die kletterend omviel, en rende met de viool in haar hand de deur uit.

    ‘Maar Martha…’

    ‘Blijf binnen, mevrouw Ionescu. In godsnaam, blijf binnen en hou alles dicht. Zodra ik kan komik weer terug.’

    Normaal deed ze er meer dan vijf minuten over, van vioolles naar huis. Deze keer net eenminuut. Ze schreeuwde in het voorbijgaan een waarschuwing naar haar buurvrouwen, die op hetgeluid van de klap naar buiten waren gekomen, en bij elkaar stonden op het marktplein, enstopte pas toen ze vlak bij huis was. ‘Masja, Igor!’

    Schaterlachend kwamen de kinderen haar tegemoet, met vieze zwarte vegen van de modder op hungroezelige shirts. Ze speelden een of ander spel waarbij het kennelijk de bedoeling was zo vaakze konden in de plassen te stampen en elkaar nat te spatten.

    ‘Naar binnen,’ commandeerde Martha. Ze commandeerde eigenlijk nooit en haar dochter keekonderzoekend naar de viool en de strijkstok, naakt, onbeschermd en kwetsbaar in haar hand.

    ‘Wat is dat, mama?’ vroeg Masja, wijzend op de zwarte wolk die steeds dichterbij kwam.

    ‘Onweer,’ antwoordde Martha. ‘Ga maar gauw naar binnen.’ Haar ogen begonnen te prikken. Hetging sneller dan ze had gedacht. Als een razende trok ze alle kasten en laden open waar ietsvan textiel in zat. Handdoeken, lakens, kledingstukken. Ze graaide een armvol bij elkaar enrende ermee naar de keuken. De kraan ging piepend open, en daar bleef het bij. Geen druppel. Zenam een grote hap adem en liep op een holletje naar buiten, waar de ton stond. Met een snellebeweging dompelde ze alles in het viezige water. De kinderen keken haar met grote verbaasdeogen aan toen ze weer binnenkwam en haastig, bijna paniekerig, probeerde de grootste kierendicht te stoppen. Ze zei niets, maar de kinderen voelden feilloos aan dat het geen grap was.Geen van beiden durfden ze iets tegen hun moeder te zeggen.

    ‘Wat jullie ook doen,’ drukte Martha hen op het hart toen ze klaar was, ‘ga niet naar buitenen laat de deur dicht. Mama moet nog even weg.’ Ze pakte een natte theedoek die zeachtergehouden had, vouwde hem twee keer dubbel en hield hem stevig voor haar mond en neus.Toen stapte ze naar buiten en sloeg de deur pardoes voor de beteuterde gezichtjes van haarkinderen dicht. Op een sukkeldraf liep ze de anders zo stille weg af, die nu vol was metmensen. Ademen was moeilijk door de doek. Martha had niet de illusie dat ze nu niks van dieviezigheid binnenkreeg, wat het ook was, maar ze had niets anders. Achter haar klonk getoeter,steeds dezelfde toon in hetzelfde ritme. Ze keek om en zag de zwaailichten van de wit-met-zwarte Lada, de enige politiewagen die het dorp rijk was. Kennelijk deed de helft van de sirenehet nog maar. De auto bonkte door de kuilen en Martha ging automatisch aan de kant, om niet natgespat te worden. Maar de auto stopte naast haar en het portier zwaaide open. Michael, depolitiecommandant, keek niet opzij toen ze instapte en ramde de wagen grimmig in de eersteversnelling. Ze reden zwijgend, maar de punten van zijn zwarte snor wipten nerveus op en neer.Zo zenuwachtig had ze de onverstoorbare politieman nog nooit gezien. Ondanks de halve sirenekropen ze over de weg. Michael toeterde, maar er was geen doorkomen meer aan. Meer mensenhadden zakdoeken voor hun mond, maar er waren er minstens zoveel zonder enige vorm vanbescherming. Martha zag een oude man verdwaasd in de berm zitten, zijn handen voor zijn ogen.De eerste werknemers van de fabriek kwamen hen hoestend, tranend en half verdoofd tegemoet.‘Stop!’ riep Martha, toen ze een collega van haar man herkende. Ze wachtte niet tot de autostilstond, maar gooide het portier open en sprong eruit. ‘Denk aan jezelf,’ riep ze nog, maarde woorden werden gesmoord door de doek voor haar mond en de klap waarmee het portier

dichtsloeg.

    ‘Wladimir!’ De jonge man keek haar aan, alsof hij niet wist wie ze was. Zijn blonde harenhingen in natte strengen langs zijn gezicht, dat bleek was. Martha liet de doek los en paktehem bij zijn schouders. ‘Wladimir, waar is Sascha? Heb je hem gezien?’

    ‘Sascha, ja, hij…’ Verder kwam hij niet. Ineens was het of alle kracht uit zijn benenwegvloeide. Martha probeerde hem nog overeind te houden, maar hij was te zwaar. Als eenlappenpop zakte hij voor haar in elkaar.

    ‘Wladimir!’ Zijn ogen waren dicht. Hij haalde piepend adem. Ze riep om hulp, maar iedereenrende langs haar heen, zonder haar te horen.

    ‘Ilona! Hier!’ Een meisje met zwarte krullen, in een lange gebloemde jurk die nat en zwartwas aan de onderkant, worstelde zich door de stroom mensen naar haar toe.

    ‘Zorg jij voor je broer,’ riep Martha.

    In het dorp deden nog steeds verhalen de ronde over die nacht van het feest, toen de moeder vande donkere Ilona pas ’s morgens vroeg was thuisgekomen. Negen maanden later was ze bevallenvan een hoogblonde zoon. Zelf had ze nooit een verklaring gegeven en ook haar man had nooitiets gezegd, maar iedereen dacht er het zijne van. Ze waren bij elkaar gebleven, natuurlijk. Ophet platteland van Moldavië kon niemand het zich veroorloven te gaan scheiden.

    De mensen stoven aan de kant toen de oude Tatra brandweerwagen zich loeiend een weg zocht overde heuvel. Martha klampte iedereen aan die haar tegemoetkwam, en met elk nors hoofdschudden namde paniek in steeds grotere golven bezit van haar. Sascha, waar was haar Sascha? Een paar keermaakte haar hart een vreugdesprong als ze dacht hem te herkennen, maar steeds had ze het mis.Sascha was nergens te bekennen.

    ‘Martha!’ Ze draaide zich om. Een stevig gebouwde, gedrongen man van een jaar of vijftig, metuitgesproken gelaatstrekken, een bijna helemaal kaal hoofd en een dun snorretje, kwam haarachterop. Hij droeg een lichtbruin geruit jasje. Martha kende hem niet zonder.

    ‘Oom Victor!’ Ook hij beschermde zijn mond met een zakdoek. Vanaf haar eerste herinnering wasVictor in haar leven geweest. Het duurde tot ze op school zat, voor ze had begrepen dat hijhaar vader niet was, en dat die andere man, van wie haar moeder een foto bewaarde en aan wie zeslechts vage herinneringen had, haar echte vader moest zijn geweest. Wie Victor dan wel waswist ze niet, als jong en onervaren meisje, maar hij was er. Niet elke dag, maar op debelangrijke momenten in haar leven was hij er altijd. Naarmate ze ouder werd begon ze zijnrelatie met haar moeder beter te begrijpen, maar van hemzelf wist ze nog altijd het fijne niet.Victor was degene die haar, toen ze jong was, verhalen had verteld over de verre landen waarhij geweest was, over de muziek die er gespeeld werd in concertzalen in de steden, overdansende mensen. Dankzij Victor was ze gaan dromen van een ander bestaan, had ze ontdekt wat zewilde. Nooit zou ze het moment vergeten dat hij terugkwam van een van zijn reizen, met in zijnhand een grijsgroene vioolkoffer. Zeker een uur had ze sprakeloos en naar adem happend met deviool op schoot gezeten, zonder het onbeschrijfelijke geluk, glanzend en diep roodbruin, zelfsmaar aan te durven raken. Dit was meer dan ze kon bevatten. Zo’n schat, zoiets onbetaalbaars,en zij had het ineens in handen. Datzelfde gevoel had ze pas weer gekend toen haar kinderengeboren werden. Vanaf dat eerste moment waren Martha en de viool onafscheidelijk geweest,dezelfde band die ze nu met haar kinderen had. Mede dankzij hen was haar droom intussenvervaagd, opgegaan in de koude mistflarden die vaak dagenlang bleven hangen boven de kleineweilanden rondom het dorp. Martha had zich er zoetjesaan bij neergelegd dat ze nooit verder zoukomen dan de grijze gevangenis van het Moldavische platteland. Nooit zou ze spelen in een vande grote orkesten, die ze zo bewonderde en waar ze als ze maar even kon naar luisterde. Haarviool zou wel altijd eenzame, ijle tonen blijven voortbrengen, maar ze was er niet langerverdrietig om. Nu had ze de kinderen en dankzij haar muziek kon ze toch af en toe ontsnappen,en in gedachten wegzweven over de heuvels, de wijde wereld in.

    Maar de wanhoop en de chaos waar ze in beland was, de blinde paniek op de gezichten om haarheen, de stank en het duister waren geen droom. Victor kwam met open armen op haar af.

    Opgelucht bleef ze staan. Victor, de scharrelaar, de regelaar, de redder van dromen, die altijdnog wel ergens geld had en altijd een oplossing voor elk van de talrijke problemen. Als Victorer was, kwam altijd alles goed. Zo was het altijd geweest, zo zou het ook nu weer gaan.

    Om haar heen drongen mensen op. Ze stootten tegen haar aan, maar ze merkte het niet.

    ‘Oom Victor, bent u…’

    ‘Kom, je moet terug. Weg van hier!’

    ‘Nee, ik moet naar Sascha! Hij is daar nog. Hij is op zijn werk, ik weet het!’

    Maar Victors sterke armen hielden haar tegen. ‘Nee Martha, het is te gevaarlijk.’ Hij druktehaar tegen zich aan. De tranen in zijn ogen waren niet alleen van het bijtende gas, dat hen nuallemaal omringde.

    Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar hoofd tegen zijn schouder. ‘Je hebt daarniets meer te zoeken, Martha.’ Hij fluisterde de woorden bijna in haar oor.

    Een tijdje hield hij haar vast en ze voelde zijn schouders schokken, terwijl de hemel donkerderen donkerder werd. Zijn mond was een streep, zijn lip trilde, en hij keek van haar weg toen hijzei: ‘Nu moet de wereld zich wel om ons bekommeren.’

    ?

    Masja, Igor. Het enige waar Martha aan kon denken toen ze even later als een robot terug naarhuis liep, waren de namen van haar kinderen. Ze herhaalde ze in haar hoofd bij elke stap, alseen mantra. Hoe moest het nu verder met hen? Ze zou het moeten vertellen, maar hoe? Elke keerals haar gedachten dreigden terug te gaan naar haar Sascha, haar lieve sterke Sascha, zijnzachte handen, de weemoedige blik waarmee hij dromerig in het vuur kon staren, de lichtjes inzijn ogen waarop ze verliefd was geworden, dwong ze zichzelf aan praktische dingen te denken.Ze wilde, nee, ze kón zich niet voorstellen waar hij nu was, hoe hij eruitzag. Of hij pijn had.Of had gehad… Samen met nog tientallen vrouwen, wanhopig op zoek naar nieuws, had Marthageprobeerd de fabriekspoort binnen te komen, maar ze waren weggestuurd, in paniek bij het hekvandaan geslagen, door dezelfde mannen die haar in het dorp vriendelijk groetten, en nakekenals ze dachten dat zij dat niet in de gaten had. ‘Weg hier, weg! Ga naar binnen in julliehuizen, buiten is het veel te gevaarlijk!’ Waarom gaan jullie dan zelf niet? had ze gedacht.Maar ze mochten niet, of konden niet, omdat ze trouw waren aan hun kameraden die achtergeblevenwaren. Hartverscheurende, zinloze trouw.

    Martha probeerde te rennen, maar haar benen leken van lood te zijn. Ze slikte keer op keer,maar het brok in haar keel wilde niet weg. Ze wist niet of het haar angst was, haar verdriet,of de zurige, bijtende lucht waarmee alles was omringd, maar ze kreeg steeds meer moeite metademhalen, tot het bijna niet meer ging. Ze liep langs het marktplein, struikelend over deoneffen stenen die het wegdek moesten voorstellen, toen linksaf het modderige weggetje op,zoals ze duizenden keren gedaan had, en pas toen ze om de bocht het grauwe, half afgebrokkeldepleisterwerk van hun huis zag, barstte ze in tranen uit. Deze zomer zou Sascha eindelijk descheuren repareren, de ontbrekende stukken aansmeren. Dat zou dus niet meer gebeuren… Hijgenden snikkend stond ze stil en zocht steun tegen een muur. Tranen liepen uit haar ogen en zehoestte groenachtig slijm op. Het zweet brak haar uit, ze kon alleen nog maar heel oppervlakkigademen. Alles deed haar zeer.

    ‘Mama!’ Igor kwam haar tegemoet rennen en greep haar rok.

    ‘Wat doe jij buiten?’ viel ze uit. ‘Ik had toch gezegd dat je binnen moest blijven? Schietop!’

    Maar haar zoontje bleef staan en keek haar aan. ‘Waar is papa?’

    Zonder een woord te zeggen duwde Martha de jongen naar binnen en sloot de deur met een klap.Gelukkig, binnen was de lucht iets minder scherp. Ze kreeg weer wat adem. Maar dat zou nietlang duren, wist ze. Weg moesten ze, weg uit dit dal van dood. Maar hoe? Martha dwong zichzelfkalm te blijven. Niemand had iets aan paniek op dit moment. Waar konden ze heen? De wind waaidein hun richting, dat betekende dat haar moeder aan de goede kant van de heuvel woonde. Maar hoe

kwam ze daar?

    Sirenes klonken in de verte, werden luider en ebden weer weg.

    ‘Kinderen?’

    Schoorvoetend, alsof ze straf verdiend hadden, kwamen de twee kleintjes dichterbij. Marthaprobeerde haar stem zo normaal mogelijk te laten klinken. ‘We gaan een paar dagen naar oma.Pakken jullie wat kleren, en een speelgoedje dat je mee wilt nemen.’

    ‘Beer,’ zei Igor meteen. ‘Beer moet mee.’

    Martha glimlachte dwars door haar tranen heen. Ze had het kunnen weten. Beer was een onooglijkknuffelbeestje, dat een oor miste en zo vies was dat het als een kameleon moeiteloos de kleuraannam van z’n omgeving. Niet dat die kleur ooit iets anders was dan grijs. In Moldavië was destaatskleur grijs. Ze kneep haar lippen samen en wendde haar hoofd af.

    ‘Wat is er, mam?’

    ‘Mama is niet zo lekker.’ Waarom wist ze niet, maar ze mochten het niet merken. Nu nog niet.Eerst moesten ze in veiligheid zijn. Bovendien had ze niet gelogen, ze was beroerd, en hoe. Zekon ieder moment instorten, maar ze dwong zichzelf sterk te zijn. Door te zetten tot ze veiligwaren. ‘We moeten opschieten. Ik ga ook kleren pakken.’

    Op dat moment begon Igor te hoesten zoals alleen kinderen dat kunnen. Martha zag zijn kleinelijfje in elkaar krimpen. Alle spieren trokken samen in een spastische kramp en hij hoesttezijn longen uit zijn lijf. Wanhoop overviel haar. Rustig blijven, dacht ze maar steeds, en hetleek te helpen. Denk na. De dokter was geen optie. Het hele dorp had hem nu nodig. Hetziekenhuis was te ver weg, en ook dat zou nu al overvol zijn. Trouwens, de medicijnen die zedaar hadden stonden machteloos tegenover de sluipmoordenaar die ondanks de natte lappen hethuis binnendrong. Martha was niet achterlijk, net zo min als Sascha. Hij had precies gewetenwaarmee ze werkten, bij Benzo Chemicals. Ze legde haar hand voorzichtig op Igors rug, die klamaanvoelde. Haar enige hoop was frisse lucht, maar juist die was er niet meer. Ze dachtkoortsachtig na. Michael kon hen brengen met zijn politiewagen. Michael deed alles voor haar,dat wist ze, maar hij was bij de fabriek en kon daar vast niet weg. Als hij nog leefde,tenminste. Ze klopte haar zoontje zachtjes op zijn rug. ‘Probeer rustig te ademen, lieverd.Mama zal voor je zorgen.’

    ‘Ik voel me zo raar, mam,’ piepte hij tussen twee hoestbuien door.

    ‘Ik ook, mama,’ viel zijn zusje hem bij.

    ‘Ja, lieverds, ik weet het. Ga maar inpakken. Mama gaat gauw naar Stefano, misschien kan hijons helpen.’

    Stefano woonde aan het eind van het weggetje op een vervallen boerderij, met kippen en geiten.Sinds de kleintjes konden lopen hadden ze op zijn erf gespeeld en iedereen vond dat best. EnStefano had iets dat de meeste anderen niet hadden. Een tractor.

    ‘Wat er ook gebeurt, blijf binnen,’ drukte Martha de kleintjes op het hart. Ze stond al bijde deur toen ze zich bedacht, op haar schreden terugkeerde en hen allebei tegelijk omhelsde.‘Mama houdt van jullie, meer dan van alles op aarde.’

    Toen was ze weg.

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com