EPUB

Fleming, Ian - [James Bond 007 20] Doctor no

By Alan Hudson,2014-03-26 05:56
12 views 0
Fleming, Ian - [James Bond 007 20] Doctor no

Ian Fleming

Doctor No

coproductie sid stefan en toonboon

    I Goed en duidelijk te verstaan

    Het was precies zes uur en met een laatste bleke glans ging de zon achter de Blue Mountainsonder, paarse schaduwen trokken door Richmond Street en de krekels en boomkikvorsen in de mooietuinen begonnen aan hun zing-zing en gesjirp.

    Afgezien van deze achtergrond-geluiden der insekten was het stil in die brede lege straat. Dewelgestelde bezitters van de grote, aan het oog onttrokken huizen — bankdirecteuren,directeuren van grote maatschappijen en hoofdambtenaren — waren al sedert vijf uur thuis enspraken nu met hun vrouw over de voorvallen van de dag of namen een douche en verkleedden zich.Een half uur daarna zou het druk worden in de straat vanwege het cocktailuurtje, maar nuheerste er in die ene o zo voorname kilometer van de ‘Straat der Rijken’, zoals die bij dewinkeliers van Kingston bekend stond, alleen maar de spanning van een leeg toneel, die nogvergroot werd door de zware geur van de in de avondlucht sterk riekende jasmijn.

    Richmond Road is de ‘beste’ buurt van heel Jamaica. Ze is Jamaica’s Park Avenue, haarKensington Palace Gardens, haar Avenue d’Iéna. De ‘beste’ families wonen daar in groteouderwetse huizen, elk temidden van een halve hectare prachtig grasveld dat, wel een beetjestijfjes, beplant is met de mooiste bomen en bloemen uit de Plantentuin in Hope. De lange,rechte weg is koel en rustig en ligt geheel geïsoleerd van die warme, ordinaireuitgestrektheid, die Kingston heet, en waar de bewoners van deze huizen hun geld verdienen. Aanhet andere einde, bij het Tvormig kruispunt ligt het terrein van King’s House, waar deGouverneur en Opperbevelhebber van Jamaica met zijn gezin woont. Geen weg kon op Jamaica eenschoner einde vinden.

    Op de oosthoek van de kruising staat Richmond Road No. 1, een flink huis van twee verdiepingen,elke verdieping omgeven door een brede witgeschilderde veranda. Van de weg af leidt eengrintpad naar de door zuilen omgeven ingang door brede grasvelden met tennisbanen, waarop,zoals alle avonden, ook nu de tuinsproeiers aan het werk waren. Dit kapitale pand nu is voorKingston het Mekka van het societyleven Het is de Queen’s Club, die vijftig jaar lang prat isgegaan op het feit dat ze zovelen heeft gedebal-lotteerd en daardoor een grote macht uitoefent.

    Op het Jamaica van onze dagen kan zulk een plek van koppige afzondering niet lang meerstandhouden. Op zekere dag worden de ruiten van de Queen’s Club ingesmeten en misschien brandthet wel tot de grond toe af, maar voorlopig is het nog een nuttige plek op een subtropischeiland, goed geleid, met nog voldoende en goed personeel en met de fijnste keuken en wijnkeldervan het Caraïbische gebied.

    De meeste avonden van het jaar vindt men op dat uur van de dag dezelfde vier auto’s buiten declub op de weg staan. Dat zijn de auto’s van de vier bridgers die prompt vijf uur bijeenkomenen dan tot middernacht doorspelen. Je kunt haast je horloge op die auto’s gelijkzetten. Zebehoorden, zoals ze nu opgesteld stonden, aan de brigadecommandant van de Strijdkrachten vanhet Caraïbische Gebied, aan de voornaamste strafpleiter van Kingston en aan de wiskundeprof vanKingston University. Achteraan stond de zwarte Sunbeam Alpine van John Strangways,gepensioneerd Marinecommandant en nu Administrateur voor het Caraïbische Gebied — of, mindertactvol, de plaatselijke vertegenwoordiger van de Britse Geheime Dienst.

    Omstreeks kwart over zes werd de stilte van Richmond Road enigszins verstoord. Er kwamen drieblinde bedelaars om de hoek van de kruising. Langzaam bewogen ze zich op het trottoir in derichting van de vier auto’s. Het waren Chigroes — Chinese negers — corpulente lieden, maargekromd, zodat ze zich al schuifelend voortbewogen, met hun witte stok tegen de stoeprandtikkend. Ze liepen achter elkaar. De eerste, die een blauwe bril droeg en waarschijnlijk beterkon zien dan de anderen, liep voorop met een tinnen kroes tegen het kromme eind van zijn stokin de linkerhand. De rechterhand van de tweede rustte op zijn schouder en de rechterhand van dederde op de schouder van de tweede. De ogen van de tweede en derde waren gesloten. De driemannen waren in lompen gehuld en hadden vieze baseballpetten met een lange klep op. Ze zeidenniets en brachten ook geen ander geluid voort dan het zachte tikken van hun

    stokken zoals ze langzaam het beschaduwde troitoir afliepen in de richting van het groepjeauto’s.

    De drie blinden zouden in Kingston niets vreemds zijn geweest, waar men zovele door ziektenaangetaste mensen op straat aantreft, maar in deze rustige, rijke en lege straat maakten ze eenonaangename indruk. En het was ook vreemd dat het alle drie Chinese negers waren. Dat is eenheel ongewone bloedmenging.

    In de kamer waar gekaart werd, nam een door de zon verbrande hand van midden op de groene tafelde vier kaarten op. Er volgde een klein tikje toen de slag bij de andere werd gevoegd.‘Honderd voor honneurs,’ zei Strangways, ‘en negentig onder de streep!’ Hij keek op zijnhorloge en stond op. ‘Ben over twintig minuten terug. Jij moet geven, Bill. Bestel maar wat tedrinken. Voor mij het gewone recept. En doe maar geen moeite om gedurende mijn afwezigheid eenspelletje kaarten in elkaar te draaien. Dat heb ik toch altijd in de gaten.’

    Bill Templar, de brigadecommandant, lachte even. Hij drukte op het belletje dat naast hem lagen haalde de kaarten naar hem toe. Hij zei: ‘Maak wat voort, verdorie. Net als je partner aanhet winnen is, laat je de kaarten bekoelen.’

    Strangways was de deur al uit. Gelaten leunden de drie mannen achterover op hun stoel. Degekleurde steward kwam binnen en ze bestelden wat voor henzelf en een whisky met water voorStrangways.

    Elke avond kwam die onderbreking, waar je gewoon kregel van werd, als ze zowat half door huntweede robber heen waren. Zelfs als ze midden in een spelletje waren, moest Strangways preciesop deze tijd naar zijn ‘bureau’ om ‘op te bellen’. Het was stomvervelend. Maar Strangwayswas voor hen onmisbaar en daarom namen ze het maar. Nooit kwam er enige uitleg waar dat‘opbellen’ voor diende en niemand vroeg ernaar. Strangways had een ‘uiterst geheime’ baanen zo was het nou eenmaal. Hij bleef zelden langer dan twintig minuten weg en het werd alsvanzelfsprekend aangenomen dat hij zijn afwezigheid vergoedde met een rondje.

    Het bestelde kwam en de drie mannen begonnen over de paarderennen te praten.

    Dit was inderdaad het belangrijkste moment van Strangways

    dag — de tijd dat hij per radio contact moest opnemen met de krachtige zender die op het dakstaat van het gebouw in Regent’s Park, d.it het hoofdkwartier van de Geheime Dienst is. Omhalf zeven plaatselijke tijd gaf hij elke dag, tenzij hij de dag daarvoor gewaarschuwd had dathij niet in de lucht zou zijn — als hij bij voorbeeld wat op een der andere eilanden te doenhad, of ernstig ziek was — zijn dagelijks rapport door en kreeg hij zijn instructies. Als hijniet om precies half zeven in de lucht was, kwam er om zeven uur een tweede oproep, de“Blauwe’, en ten slotte om half acht de ‘Rode’. Als daarna zijn zender bleef zwijgen, werdhet ‘Noodgeval’ en ging Afdeling III, de instantie in Londen waaronder hij stond, aan de slagom te ontdekken wat er met hem aan de hand was.

    Zelfs een ‘Blauwe’ oproep betekent een slechte beurt voor een agent, of er moest geen speldtussen zijn ‘Geschreven Redenen’ te krijgen zijn. Het tijdschema van Londen in deuitzendingen over de gehele wereld heen is wanhopig krap en als daar een extra berichttussendoor moet, al is het nog zo kort, betekent dit een vervelend iets en is zeker gevaarlijkvoor de schuldige. Strangways had nooit de schande van een ‘Blauwe’ oproep, laat staan een‘Rode’, beleefd en hij wist heel zeker dat hem dit ook nooit overkomen zou. Elke avondverliet hij om precies kwart over zes de Queen’s Club, stapte in zijn wagen en reed in tienminuten naar de heuvels aan de voet van de Blue Mountains, naar zijn keurige bungalow met datwonderschone uitzicht over de haven van Kingston. Om vijf voor half zeven liep hij de hal doornaar het bureau achter in de bungalow. Hij ontsloot de deur en deed die weer achter zich opslot. Miss Trueblood, die voor zijn secretaresse doorging, maar in werkelijkheid zijnassistente was en vroeger hoofdofficier bij de Marva was geweest, zat dan reeds voor hetapparaat in de zogenaamde archiefkast. Ze had de koptelefoon op en maakte het eerste contact,zijn oproep, WXN, op 14 megacycles, uittikkend. Een stenobloc lag op haar elegante knieën.Strangways liet zich dan in de stoel naast haar vallen, zette de andere koptelefoon op en namom precies twee minuten voor half zeven de zaak van haar over en wachtte dan de plotselinge put

in de ether af, wat betekende dat WWW in Londen de oproep ging beantwoorden.

    Het was een ijzeren routine. Strangways was iemand met

    een ijzeren routine. Helaas kunnen starre gedrij.r.je” dodelijk zijn, als de vijand die kandoorzien.

    Strangways, een grote magere man met een zwarte klep over het rechteroog, knap op een manierdie je verbindt met een arendsgestalte op de brug van een torpedojager, liep vlug door de halvan de Queen’s Club met haar mahoniehouten lambrizering, duwde zich door de muskietennettenvan de deuren heen en holde de drie treden af naar het pad.

    Hij dacht aan bijna niets, alleen aan het zinsgenot dat de zuivere frisse avondlucht hemverschafte en aan dat spel waarbij hij zo gesneden had dat hij zijn drie schoppen had gemaakt.Natuurlijk was deze zaak waaraan hij werkte, een vreemd en ingewikkeld geval, dat M hem tweeweken daarvoor heel nonchalant per radio op zijn nek had geschoven. Maar het liep goed. Hij hadgeluk gehad met een toevallig spoor dat naar de Chinese” gemeenschap leidde. Er. hadden zichwel enige zonderlinge aspecten voorgedaan — voorlopig nog maar flauwe aanwijzingen — maar alsde boel goed ging en het klopte, dacht Strangways, toen hij met grote passen het grintpadafliep en de straat op, dan kon hij wel eens in iets heel raars verzeild raken.

    Strangways haalde de schouders op. Natuurlijk liep het daar toch niet op uit. In zijn vakgebeurde nooit iets fantastisch. Er zou wel de een of andere saaie oplossing komen die door deoververhitte fantasie en de gewone hysterie van de Chinezen danig was opgeblazen.

    Werktuiglijk nam een ander gedeelte van Strangways brein de drie blinden in zich op. Langzaamkwamen ze al tikkend op het trottoir naar hem toe. Ze waren nog zo n twintig meter van hem af.Hij berekende dat ze een paar seconden voor hij zijn wagen had bereikt langs hem zouden komen.Zich schamend voor zijn eigen gezondheid en uit dankbaarheid daarvoor, zocht Strangways naareen geldstuk. Met de nagel van zijn duim ging hij langs de rand ervan om zeker te zijn dat heteen florin was en geen penny. Hij haalde het te voorschijn. Hij was op gelijke hoogte met debedelaars. Vreemd, het waren allen Chigroes! Vreemd, heel erg vreemd! Strangways stak de handuit. Het geldstuk kletterde in het tinnen kroesje.

    ‘Zij gezegend, Meester,’ zei de voorste. ‘Zij gezegend,’ zeiden de anderen hem na.

    De sleutel van de auto lag in Strangways hand. Vaag nam

    hij dat moment van stilte in zich op toen het tikken van de witte stokken ophield. Het was telaat.

    Nadat Strangways de laatste was gepasseerd, waren alle drie om hun as gedraaid. De tweeachtersten waren een pas uitgeweken om een vrij schootsveld te hebben. Drie revolvers, lompdoor die worstvormige dempers, werden met een rap gebaar uit de holsters onder hun lompengetrokken. Heel precies en gedisciplineerd mikten de drie op verschillende punten vanStrangways ruggegraat — een tussen de schouders, een op het kruis, een op het bekken.

    De drie korte stoten klonken bijna als een. Strangways lichaam werd naar voren gesmeten alsofhij een trap had gekregen. Hij bleef volkomen stil in het kleine stofwolkje op het trottoirliggen.

    Het was dertien minuten voor half zeven. Met een gekrijs van banden nam een gore lijkwagen metzwarte pluimen die aan de vier hoeken van het dak wapperden, de hoek bij de kruising en vloogRichmond Road in, recht op het groepje op het trottoir af. De drie mannen hadden net tijd omhet lijk van Strangways op te pakken toen de lijkwagen al op gelijke hoogte met hen stopte. Deopenslaande deuren achterin stonden open. Ook de eenvoudige kale lijkkist binnenin was geopend.De drie mannen werkten het lijk ruw door de deur en in de kist. Ze klommen in de wagen. Hetdeksel werd erop gedaan en de deuren werden dichtgetrokken. De drie negers gingen op drie vande vier plaatsen op de hoeken van de kist zitten en legden op hun dooie gemak de witte stokkennaast zich neer. Er hingen ruime zwarte alpaca-jassen over de rug van de stoeltjes. Ze trokkende jassen over hun lompen heen aan. Toen ontdeden ze zich van hun baseballpet, bukten zich naarde vloer, raapten zwarte hoge hoeden op en zetten die op.

De chauffeur die ook een Chinese neger was, keek zenuwachtig over zijn schouder.

    ‘Rijden, kerel. Rijden!’ zei de grootste der moordenaars. Hij keek op de verlichtewijzerplaat van zijn polshorloge Dat stond op tien voor half zeven. Het hele zaakje was in drieminuten opgeknapt. Precies op tijd.

    De lijkwagen maakte een keurige U-bocht en reed op gepaste wijze naar de kruising. Daar sloeghij rechtsaf en ging verder met een snelheid van dertig mijl per uur de

    Macadamweg af die naar de heuvels leidde de z-ane pluimen wapperend als triest symbool van delast daarbinnen, de drie rouwdragers kaarsrecht erbij zittend, de armen eerbiedig over hun hartgekruist.

    ‘WXN roept WWW… WXN roept WWW… WXN… WXN … WXN…’

    De middelvinger van Mary Truebloods’ rechterhand tikte zacht en elegant op de toets. Ze hieldhaar linkerpols omhoog. Twee minuten voor half zeven. Hij was een minuut te laat. MaryTrueblood moest lachen bij de gedachte aan de kleine open Sunbeam die over de weg stoof om bijhaar te komen. Over een seconde zou ze de vlugge stap horen, daarna de sleutel in het slot endan zat hij weer naast haar. Hij zou natuurlijk verontschuldigend lachen als hij de koptelefoonoppakte. ‘Het spijt me, Mary. Die beroerde wagen wou niet starten.’ Of: ‘Je zou zo denkendat die ellendige politie zo langzamerhand mijn nummer wel kende. Ze hielden me bij HalfwayTree aan.’ Mary Trueblood nam de tweede koptelefoon van de haak en legde die op zijn stoel omhem die halve seconde te besparen.

    WXN roept WWW… WXN roept WWW.’ Ze stemde een haarbreedte beter af en probeerde het nogmaals.Het was een voor half zeven op haar horloge. Ze begon zich zorgen te maken. Nog een paarseconden en dan kwam Londen. Plotseling dacht ze: God, wat moet ik beginnen als Strangways nietop tijd is! Het had geen zin Londen te antwoorden en net te doen alsof hij het was — zinloosen gevaarlijk. De Veiligheidsdienst van de Radio zou het gesprek afluisteren, zoals die elkgesprek van een agent afluisterde. De instrumenten die de kleinste bijzonderheden in debediening opnamen, zouden direct ontdekken dat Strangways niet aan het apparaat zat. Men hadMary Trueblood in dat rustige vertrek op de bovenste verdieping van het hoofdkwartier dat woudvan draaischijven laten zien, ze had gezien hoe de dansende wijzers het gewicht van elke polsaangaven, de snelheid van elke groep signalen, het aarzelen bij een bepaalde letter. Men hadhet haar alles uitgelegd toen ze vijf jaar geleden bij het station van de Caraïben was gekomen— hoe er een zoemer ging en het contact automatisch verbroken werd als de verkeerde in delucht kwam. Het was een primaire bescherming als een zender van de

    Geheime Dienst in handen van de vijand was gevallen. En als een agent gevangen was genomen enop straffe van gemarteld te worden rontact met Londen moest zoeken, dan hoefde hij maar eenhaarbreedte af te wijken van zijn gewone manier van doen en dat vertelde dan even duidelijk dathij gevangen was genomen als wanneer hij dit ronduit had uitgesproken.

    Daar had je het! Ze hoorde de put in de ether die aanduidde dat Londen contact ging zoeken.Mary Trueblood keek op haar horloge. Half zeven. Paniek! Maar daar had je dan eindelijk devoetstappen in de hal. God zij gedankt! Hij zou zo binnenkomen. Ze moest hem beslistbeschermen! Vertwijfeld besloot ze het risico te nemen en door te gaan.

    ‘WWW roept WXN… WWW roept WXN … Kunt u me verstaan? … kunt u me verstaan?’

    Londen kwam sterk door en zocht naar het station van Jamaica. De voetstappen waren bij de deur.

    Onbewogen, vol zelfvertrouwen, seinde ze terug: ‘Goed en duidelijk te verstaan… Goed enduidelijk te verstaan … Goed en ..

    Achter haar vond een explosie plaats. Haar enkel werd door iets geraakt. Ze keek naar beneden.Het was het slot van de deur.

    Mary Trueblood draaide zich snel om op haar stoel. Er stond een man in de deur. Strangways washet niet. Het was een grote neger met een gele huid en schuine ogen. Een pistool had hij inzijn hand. Het eind daarvan was een dikke zwarte cylinder.

Mary Trueblood open de mond om te gillen.

    Er kwam een brede lach op het gezicht van de man. Langzaam, bijna liefdevol, hief hij hetpistool op en schoot haar drie keer in en om de linker borst.

    Het meisje zakte zijdelings van haar stoel. De koptelefoon gleed van haar goudblonde haar op degrond. Misschien een seconde lang klonk het zwakke gekweel van Londen in de kamer. Toen hieldhet op. De zoemer op het bureau van de af luisterpost van de Veiligheidsdienst had het signaalgegeven dat er iets mis was met WXN.

    De moordenaar liep de deur uit. Hij kwam terug met een doos met een gekleurd etiket waaropPRESTO FIRE stond en een grote suikerzak met TATE & LYLY erop. Hij zette de doos op de vloer,ging naar het lijk en trok de zak

    ruw over het hoofd tot de enkels toe. De voeten staken eruit Hij boog ze en propte ze naarbinnen. Hij sieurde de omvangrijke zak naar de hal en kwam terug. In de hoek van het vertrekstond de brandkast open, zoals men hem al verteld had, de berichtenboeken waren eruit gehaalden op het bureau gelegd klaar om aan de arbeid te gaan als de boodschappen van Londendoorkwamen. De man wierp ze met alle papieren in de brandkast in het midden van de kamer. Hijtrok de gordijnen af en voegde die aan de stapel toe. En daar legde hij nog wat stoelenbovenop. Hij opende de doos met Presto vuurmakers, haalde er een handjevol uit, stopte ze in destapel en stak ze aan. Daarop liep hij naar de hal en maakte op daartoe geschikte plekkendergelijke vuurtjes. De tondeldroge meubelen vatten snel vlam en de vlammen lekten van delambrizering. De man ging naar de voordeur en deed die open. Door de hibiscushaag heen kon hijde lijkwagen zien glinsteren. Geen geluid te horen dan het zing-zing der krekels en het zachtestampen van de motor. Op de gehele weg viel geen ander teken van leven te bekennen. De man liepde rokerige hal weer in, nam met dodelijk gemak de zak op zijn schouder en ging weer naarbuiten, de deur open latend om meer tocht te krijgen. Vlug liep hij het pad af naar de weg. Deachterdeuren van de lijkwagen stonden open. Hij gaf de zak aan en bleef kijken naar de beidemannen die hem met alle geweld in de lijkkist duwden bovenop het lijk van Strangways. Toen klomhij naar binnen en sloot de deuren, ging zitten en zette zijn hoge hoed op.

    Toen de eerste vlammen zichtbaar werden door de bovenramen van de bungalow, zette de lijkwagenzich zachtjes in beweging en reed naar het Mona Reservoir. Daar zou de verzwaarde kist in hetvijftig vademen diepe graf glijden en zouden in drie kwartier het personeel en de paperassenvan het Caraïbische radiostation van de Geheime Dienst volkomen vernietigd zijn.

    2 Keus van wapenen

    Drie weken later diende in Londen de maand maart zich aan als een ratelslang.

    Vanaf het eerste licht op de eerste maart werd de stad gegeseld door hagel en ijskoude nattesneeuw, voortgedreven door een storm met windkracht 8. Dit was nog zo toen de mensen zichdoodongelukkig naar hun werk begaven, hun benen voortdurend gehinderd door de natte zoom vanhun regenjas, het gezicht gevlekt van de kou.

    Het was een beroerde dag en dat zei iedereen, zelfs M, die zelden het bestaan van het weerzelfs in zijn meest extreme vormen wilde erkennen. Toen de oude zwarte Sil-ver Wraith Rolls methet schoreme nummerbord buiten het hoge gebouw van Regent’s Park stilhield en hij er stijfuitklom, kreeg hij de hagel volop in zijn gezicht, als werd er met een jachtgeweer op hemgeschoten. In plaats van zich snel naar binnen te begeven, liep hij doelbewust om de wagen heennaar het portier naast de chauffeur.

    Ik heb de wagen vandaag niet meer nodig, Smith. Breng die maar weg en ga naar huis. Ik gavanavond wel met de ondergrondse. Geen weer om auto te rijden. Nog erger dan zo’n konvooi omde Noord gedurende de oorlog.’

    De vroegere eerste stoker Smith grijnsde dankbaar. ‘Ja-ja, meneer. Bedankt.’

    Hij zag hoe die bejaarde kaarsrechte figuur om de motorkap heenliep, het trottoir overstak enin het gebouw verdween. Net iets voor die ouwe. Altijd moesten zijn mannen eerst goed verzorgdzijn. Zo had je ze tegenwoordig niet meer. Met een klik schakelde Smith de wagen in zijn eerste

versnelling en reed weg, strak door de druipende voorruit turend.

    M ging met de lift naar de achtste verdieping en liep over de met een dik kleed bedekte gangnaar zijn bureau. Hij deed de deur achter zich dicht, ontdeed zich van zijn jas en das en hingdie achter de deur. Hij haalde een grote blauwe zijden zakdoek met veel moesjes uit zijn zak enwreef daar bruusk mee over zijn gezicht. Het was wel vreemd, maar

    zoiets had hij nooit gedaan waar de portiers e: de . : bediende bij waren. Hij ging achter zijnbureau z::ten en boog zich voorover naar de huistelefoon. Hii drukte op een knop. ‘Ik ben er,Miss Moneypenny. Het berichtenboek graag en al wat u nog meer mocht hebben. En laat Sir JamesMolony me opbellen. Die zal nu wel zijn ronde doen in het St. Mary’s Ziekenhuis. Zeg de ChefStaf dat ik 007 over een half uur zal ontvangen. En geef me het dossier over Strangways.’

    M wachtte op het metaalachtige ‘Ja, meneer’ en liet de knop los.

    Hij leunde achterover, pakte zijn pijp en begon die nadenkend te stoppen. Hij keek niet op toenzijn secretaresse binnenkwam met een stapeltje papieren en zelfs negeerde hij het half dozijnroze documenten met Urgent bovenop het boek. Als die van vitaal belang waren geweest zouden zehem vannacht wel geroepen hebben.

    Een geel lichtje ging branden. M nam de zwarte telefoon op uit het rijtje van vier. ‘Bent uhet, Sir James? Hebt u vijf minuten voor me?’

    ‘Voor u zes.’ Aan het andere eind van de lijn lachte de beroemde neuroloog uiterstvergenoegd. ‘Moet ik een bewijs van krankzinnigheid afgeven voor een der ministers van HareMajesteit?’

    ‘Vandaag niet.’ M fronste geïrriteerd het voorhoofd. In de Marine hadden ze vroeger deregering gerespecteerd. ‘Het gaat over die man van mij die u behandeld hebt. De naam zullen wemaar niet noemen. Dit is een open lijn Ik heb gehoord dat u hem gisteren hebt laten gaan. Ishij geschikt om zijn werk te doen?’

    Er werd even gezwegen aan de andere kant van de lijn. De stem was nu die van de beroepsman,weloverwogen. ‘Lichamelijk is hij zo gezond als een vis. Het been is ook helemaal genezen. Erzullen wel geen kwalijke gevolgen zijn. Ja, het is wel goed met hem.’ Weer werd er gezwegen.‘Maar een ding, M. Er bestaan grote spanningen, weet u. U laat die lui van u veel te hardwerken. Kunt u hem om te beginnen niet iets gemakkelijks geven? Met wat u me verteld hebt,heeft hij het de laatste jaren niet bepaald makkelijk gehad.’

    M zei bars: ‘Daar wordt hij voor betaald. Als hij zijn werk niet aan kan, dan zien we dat gauwgenoeg. Hij zou de eerste niet zijn die er onder bezweken is. Naar wat u

    zegt te oordelen, moet hij in prima conditie zijn. Hij is heus niet zo zwaar beschadigd geweestals sommige van de patiënten die ik u gestuurd heb, mannen die echt door de mangel zijngewrongen.’

    ‘Nou ja, als u het zo ziet. Maar pijn is een raar iets. We weten er maar weinig van. Je kuntdie niet meten. Het verschil bijvoorbeeld tussen de pijn van een vrouw die een kind krijgt eneen man die last van nierstenen heeft. En God zij dank schijnt het lichaam het snel tevergeten. Maar dat mannetje van u heeft echt pijn gehad, M. U moet niet denken dat, omdat erniets gebroken is …’

    ‘Ja, natuurlijk.’ Bond had een fout begaan en daar had hij voor geboet. In elk geval hield Mer niet van de les gelezen te worden hoe hij met zijn agenten moest omgaan, zelfs niet door eender beroemdste doktoren ter wereld. De stem van Sir James Molony had erg kritisch geklonken.Plotseling zei M: ‘Hebt u wel eens gehoord van iemand die Steincrohn heet, Dr. PeterSteincrohn?’

    ‘Nee, wie is dat?’

    ‘Een Amerikaanse dokter. Heeft een boek geschreven dat onze lui uit Washington hierheen hebbengestuurd voor onze bibliotheek. Die man vertelt hoeveel lijden het menselijk lichaam kanverdragen. Hij geeft een lijst van de onderdelen van ons lichaam die de doorsneemens kanmissen. Ik heb die lijst trouwens overgeschreven om later te gebruiken. Wilt u die lijst eens

    horen?’ M dook in zijn jaszak en legde wat brieven en vodjes papier op het bureau voor hem.Met zijn linkerhand haalde hij er een blaadje uit en vouwde dat open. Hij werd helemaal nietvan zijn stuk gebracht door het stilzwijgen aan de andere kant van de lijn. ‘Hallo, Sir James!Wel, dit zijn ze dan: “Galblaas, milt, amandelen, blinde darm, een van beide nieren, een vanbeide longen, zowat de helft van zijn bloed, twee vijfde van zijn lever, het grootste gedeeltevan zijn maag, zowat een zesde van zijn ingewanden en de helft van zijn brein”.’ M zweeg.Toen het zwijgen aan de andere kant voortduurde, zei hij: ‘Wilde u wat opmerken, Sir James?’

    Er klonk een benard gegrom aan het andere eind. ‘Het verwondert me dat hij er nog niet een armof een been bij doet, of allebei. Ik ziet niet in wat u probeert te bewijzen.’ M lachtekortaf. ‘Ik wil niets bewijzen, Sir James. Ik vond het alleen maar een belangwekkend lijstje.Ik wou alleen

    maar zeggen dat m;;n mannetje er vrij licht afgekomen schijnt te zijn vergeleken met eendergelijke strat Maar, M draaide bij, ‘laten we daar niet over redetwisten.’ Op milder toonzei hij: ‘Ik beoogde trouwens om hem een soort adempauze te geven. Er is iets in Jamaica aande hand.’ M keek naar de stromende ramen. ‘Dat wordt eerder een rustkuur. Twee van mijnagenten, een man en een vrouw, zijn samen verdwenen. Zo ziet het er althans naar uit. Onzevriend kan daar nu eens inlichtingen gaan inwinnen — en nog wel in de zon ook. Hoe vindt udat?’

    ‘Precies goed. Op een dag als vandaag zou ik ook wel ïo’n klusje willen hebben.’

    Maar Sir James Molony was vastbesloten te zeggen wat hij op zijn hart had. Hij ging voorzichtigdoor: ‘Denk nu niet dat ik me met uw zaken wil bemoeien, M, maar er zijn grenzen aan de moedvan een mens. Ik weet wel dat u die lieden moet behandelen als materiaal dat opgeofferd kanworden en licht te vervangen is, maar ik neem aan dat u ook niet wilt dat ze er op hetverkeerde moment onderdoor gaan. Die man die ik hier heb gehad is een taaie. Ik zou zo zeggendat hij nog heel wat werk voor u kan verrichten. Maar u weet wat Moran in dat boek van hem overmoed heeft te zeggen.’

    ‘Ik kan het me niet herinneren.’

    ‘Hij zegt dat moed een kapitaal is dat door de uitgaven vermindert. Ik ben het met hem eens.Ik wil dan ook alleen maar zeggen dat deze speciale man sedert de oorlog heel wat heeft moetenuitgeven. Ik wil niet zeggen dat hij negatief staat op de bank, dat nog niet, maar er zijngrenzen.’

    ‘Juist.’ M vond dat het zo wel genoeg was. Tegenwoordig was alles een en al slapheid.‘Daarom stuur ik hem ook naar het buitenland. Een vakantie op Jamaica. Geen zorgen, Sir James,ik zal wel op hem passen. Tussen twee haakjes, bent u er nog achter gekomen wat dat voor spulwas dat die Russin in hem heeft gestopt?’

    ‘Daar heb ik gisteren bescheid op gekregen.’ Ook Sir James Molony was blij op een anderonderwerp over te kunnen gaan. De oude baas was even ruw als het weer. Zou er kans op bestaandat hij wat hij wilde zeggen had doen doordringen tot wat hij M’s dikke hersenpan noemde?‘Dat heeft ons drie maanden gekost. Het was een pientere knaap op de School voor TropischeZiekten die ermee aankwam.

    Het spul was fugu verg;: De Japanners gebruiken het om zelfmoord te plegen. Het is arkomstigvan de geslachtsorganen van de Japanse egelvis. Daar moet je weer Rus voor zijn om iets tegebruiken waar nog nooit iemand van gehoord heeft. Ze hadden net zo goed curare kunnengebruiken. Dat heeft zowat hetzelfde effect: verlamming van het centrale zenuwstelsel. Dewetenschappelijke naam voor fugu is tetrodotoxine. Het is verschrikkelijk spul en werkt ergvlug. Eén injectie zoals die man van u heeft gehad en binnen enkele seconden zijn de spierenverlamd. Eerst ziet de man dubbel en daarna kan hij de ogen niet open houden. Vervolgens kanhij niet meer slikken. Zijn hoofd valt om en hij kan het niet meer opheffen. Hij gaat dood aanverlamming van de ademhalingsorganen.’

    ‘Dan heeft hij wel geluk gehad er zo af te komen.

    ‘Het is een wonder. Het is helemaal te danken aan die Fransman die bij hem was. Die legde hemop de vloer en paste kunstmatige ademhaling toe alsof hij in het water had gelegen. Hij hieldhoe dan ook zijn longen aan de gang tot de dokter kwam. Gelukkig had de dokter in Zuid-Amerikagewerkt. Hij dacht dat het curare was en behandelde hem daarnaar. Maar het was een op demiljoen. En bovendien, wat is er met die Russin gebeurd?’

    M zei kortaf: ‘O, die is dood. Wel, bedankt, Sir James. En maakt u zich maar niet bezorgd overuw patiënt. Ik zal wel zorgen dat hij het niet te moeilijk krijgt. Tot ziens.’

    M legde de telefoon neer. Zijn gezicht stond koud en uitdrukkingloos. Hij haalde de map met totstand gekomen gesprekken naar zich toe en liep daar vlug doorheen. Bij sommige boodschappenschreef hij een opmerking. Zo nu en dan voerde hij een kort telefoongesprek met een derafdelingen. Toen hij klaar was smeet hij het stapeltje in het mandje van Afgedane Zaken enpakte zijn pijp en de tabakspot die van een granaat van twaalf-en-eenhalf pond was gemaakt.Voor hem lag nu alleen nog maar een lichtgele map met daarop de rode ster van Uiterst Geheim.Midden over de map stond in blokletters geschreven: CARAIBISCH STATION, en daaronder,gecursiveerd, Strangways en Trueblood.

    Er flikkerde weer een lichtje aan. M duwde het knopje neer. ‘Ja?’

    ‘007 is er, meneer.’

    ‘Laat hem maar binnenkomen. En zeg de wapenmeester

    dat hij over vijf minuten boven komt.’

    M leunde achterover. Hij stopte zijn pijp in zijn mond en hield er een lucifer bij. Door derook heen hield hij de deur van het bureau van zijn secretaresse in de gaten. Zijn ogen stondenerg helder en waakzaam.

    James Bond kwam door de deur binnen en deed die achter zich dicht. Hij liep naar de stoel aande andere kant van het bureau van M en ging zitten.

    ‘Goedemorgen, 007.’

    ‘Morgen, meneer.’

    Behalve het geluid van M’s pijp was het stil in het vertrek. Er schenen heel wat lucifers voornodig te zijn om die aan te krijgen. Op de achtergrond krasten de vingernagels van de nattesneeuw tegen de twee brede ramen.

    Het was alles precies zoals Bond het zich herinnerd had die maanden dat hij van ziekenhuis naarziekenhuis werd gestuurd, die saaie weken van herstel, het harde werk om zijn body weer inconditie te krijgen. Voor hem was dit of hij opnieuw het leven binnenstapte. Hier in ditvertrek tegenover M zitten was het zinnebeeld van het normale waarnaar hij verlangd had. Hijkeek door de rook heen in de listige grijze ogen. Die namen hem op. Wat ging er gebeuren? Eenlijkschouwing over de rommel die hij van zijn laatste geval had gemaakt? Kortaf eenterugverwijzing naar een der binnenlandse afdelingen om daar een poosje kantoorarbeid teverrichten? Of een fijne nieuwe opdracht die M zolang opgezouten had tot Bond weer aan het werkkon?

    M smeet het doosje lucifers op het roodlederen bureau. Hij leunde achterover en omklemde dehanden achter zijn hoofd.

    ‘Hoe voel je je? Blij weer terug te zijn?’

    ‘Erg blij, meneer. En ik voel me prima.’

    ‘Weet je nog wat te zeggen over die laatste opdracht? Ik heb je er maar niet meelastiggevallen tot je weer beter zou zijn. Je hebt gehoord dat ik een onderzoek heb lateninstellen. Ik geloof dat de Chef je een verhoor heeft afgenomen. Heb je daar nog wat aan toe tevoegen?’

    De stem van M was zakelijk, koud. Het stond Bond niets aan. Er kwam vast wat onaangenaams. Hijzei: ‘Nee, meneer. Het was een knoeiboel. Ik geef mezelf de schuld dat ik die

vrouw de gelegenheid heb gegeven mij te krijgen. Dat had niet moeten gebeuren

    M haalde zijn handen van achter zijn hoofd vandaan, kwam langzaam naar voren en legde ze platop het bureau voor hem. Zijn ogen stonden hard.

    ‘Precies.’ De stem was als fluweel, maar gevaarlijk. ‘Als ik me goed herinner, bleef jerevolver haken. Die Beretta van je met die knaldemper. Dat deugt niet, 007. Als je een 00nummer hebt kun je je zo iets niet permitteren. Wil je er liever mee uitscheiden en gewonedienst doen?’

    Bond verstijfde. Vol wrok keek hij M aan. De vergunning om voor de Geheime Dienst te mogendoden, de 00 voor een getal, was een grote eer. Die was moeizaam verdiend. Hij kreeg daardoorde enige opdrachten die hij leuk vond, de gevaarlijke.

    ‘Nee, zeker niet, meneer.’

    ‘Dan zullen we iets aan je uitrusting moeten doen. Dat was een der uitspraken van het Hof vanOnderzoek. Ik ben het ermee eens. Begrijp je me?’

    Koppig zei Bond: ‘Ik ben aan die revolver gewend, meneer. Ik werk er graag mee. Wat er gebeurdis had iedereen kunnen overkomen. Met elke revolver.’

    ‘Daar ben ik het niet mee eens. En het Hof van Onderzoek ook niet. Dat is dus afgedaan. Deenige vraag is wat je in plaats daarvan gaat gebruiken. M boog zich voorover naar dehuistelefoon. ‘Is de wapenmeester daar? Laat hem maar binnenkomen.’

    M leunde achterover. ‘Misschien weet je het niet, 007, maar majoor Boothroyd is de grootsteexpert ter wereld op het gebied van kleine vuurwapenen. Was dit niet zo, dan was hij ook niethier. We zullen eens horen wat hij te zeggen heeft.’

    De deur ging open. Een kleine slanke man met zandkleurig haar kwam binnen, liep op het bureauaf en ging naast Bonds stoel staan. Bond keek in zijn gezicht. Hij had de man niet vaak gezien,maar hij herinnerde zich die heel wijd van elkaar staande heldere grijze ogen die nooit schenente knipperen. Met een nietszeggende blik op Bond, ging de man er op zijn gemak bijstaan en keekverder naar M. Hij zei: ‘Goedemorgen, meneer,’ op een vlakke, gevoelloze toon.

    ‘Morgen, wapenmeester. Ik wou je het een en ander vragen.’

    M’s stem was heel nonchalant. ‘Allereerst, wat denk e van de Beretta, de zesvijfendertiger?’

    ‘Goed voor dames, meneer.’

    Ironisch trok M zijn wenkbrauwen tegen Bond op. Bond lachte zwakjes.

    ‘Zo! En waarom zeg je dat?’

    ‘Zit geen kracht achter, meneer. Maar makkelijk om mee om te gaan. Ziet er ook een beetjeapart uit, als u weet wat ik bedoel, meneer. Dat trekt de dames.’

    ‘En als die een knaldemper heeft?’

    ‘Dan zit er nog minder kracht achter, meneer. En ik houd niet van dempers. Die zijn zwaar enraken in je kleren verward als je haast hebt. Ik zou niemand aanbevelen een dergelijkecombinatie te gebruiken. Niet als het ernst is.’

    Heel prettig zei M tot Bond: ‘Nog aanmerkingen hierop, 007?’

    Bond haalde de schouders op. ‘Ik ben het er niet mee eens. Ik gebruik die Beretta zesvijfendertig nu al vijftien jaar. Hij heeft het altijd gedaan en ik heb er nooit mee gemist.Geen slechte staat van dienst voor een revolver. Ik ben er nu eenmaal aan gewend en ik kan errecht mee mikken. Als het moest heb ik grotere revolvers gebruikt: de 11 mm Colt, bijvoorbeeld, met de lange loop. Maar voor dichtbij en om niet in de gaten te lopen heb ik lieverde Beretta.’ Bond zweeg. Hij voelde dat hij toch wat toe moest geven. ‘Maar ik ben het eenswat die dempers betreft, meneer. Die deugen niet. Maar soms moet je wel.’

    ‘We hebben gezien wat er dan gebeurt,’ zei M droog. ‘En wat dat veranderen van revolverbetreft, dat is slechts een kwestie van oefening. Je kunt gauw genoeg gewend raken aan eenander.’ M liet een tikkeltje medeleven in zijn stem uitkomen. ‘Het spijt me, 007. Maar ik ben

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com