EPUB

Fleming, Ian - [James Bond 007 07] De man met de gouden vingers (goldfinger)

By Edward Howard,2014-03-26 05:56
6 views 0
Fleming, Ian - [James Bond 007 07] De man met de gouden vingers (goldfinger)

IAN FLEMING

De man met de gouden vingers

coproductie sid stefan en toonboon

    Deel 1

    1 Overpeinzingen na een dubbele whisky

    James Bond zat, met twee dubbele whisky’s achter zijn kiezen, in de wachtkamer van MiamiAirport en mediteerde over leven en dood.

    Mensen doden hoorde bij zijn vak. Hij had het nooit leuk gevonden en als het gebeuren moestdeed hij het zo netjes mogelijk en vergat het. Hij was, als geheim agent met de zeldzamedubbele nul voor zijn nummer - wat bij de geheime dienst de bevoegdheid om te doden aangeeft -verplicht zo onaandoenlijk tegenover de dood te staan als een chirurg. Als het gebeuren moest,moest het gebeuren. Het getuigde van slecht vakmanschap er spijt over te gevoelen - erger nog,het was een doodskloppertje in de ziel. En toch had de dood van die Mexicaan iets vreemdindrukwekkends gehad. Niet dat hij niet verdiende te sterven. Hij was een slecht mens, zoiemand die ze in Mexico een capungo noemen. Een capungo is een bandiet die voor het luttelebedrag van veertig pesos een moord wil plegen, dat wil zeg-fen voor vijf rijksdaalders - hoewelhij voor een aanslag op et leven van Bond waarschijnlijk meer zou hebben gekregen - en als jehem zo zag, zou je zeggen dat hij zijn hele leven dood en verderf had gezaaid. Maar toen Bondhem had gedood, nog geen vierentwintig uur geleden, had het leven zijn lichaam zo snel, zovolstrekt verlaten, dat Bond het bijna uit zijn mond had zien wegvliegen als een vogeltje,zoals op de Haïtiaanse primitieven.

    Wat een geweldig verschil bestond er tussen een lichaam met iemand erin en een lichaam metniemand! Zó is er een mens, en zó is er geen mens meer. Dit was een Mexicaan geweest met eennaam en een adres, een werkvergunning en misschien een rijbewijs. Toen was er iets uit hemvertrokken, uit dat omhulsel van vlees en goedkope kleren, en wat er van hem over was, was eenlege papieren zak die op de vuilnisman wacht. En dat andere, dat de smerige Mexicaanse bandiethad verlaten, was groter dan heel Mexico.

    Bond keek naar het wapen waarmee het gebeurd was. De

    snijkant van zijn rechterhand was rood en gezwollen. Er zou spoedig een bult op verschijnen.Bond bewoog zijn vingers en kneedde zijn rechterhand met zijn linker. Gedurende de snellevliegreis had hij dat van tijd tot tijd al meer gedaan. Het was een pijnlijke bezigheid, maarals hij de bloedsomloop op gang hield, zou zijn hand sneller genezen. Je wist nooit hoe gauw jehet wapen weer nodig zou hebben. Er verschenen cynische plooien bij Bonds mondhoeken.‘National Airlines, “Airline of the Stars”, kondigt het vertrek aan van vlucht NA 106 naarLa Guardia Field, New York. De passagiers wordt verzocht zich naar ingang nummer zeven tebegeven. Allen instappen, alstublieft.’ De luidspreker werd met een resonerende klikuitgeschakeld. Bond keek op zijn horloge. Nog minstens tien minuten voor Transamerica zouworden afgeroepen. Hij wenkte een serveerster en bestelde nog een dubbele whisky met ijs. Toenhet grote, dikke glas werd gebracht, liet hij de drank erin rondwervelen om ze met hetsmeltende ijs te verdunnen en leegde het voor de helft. Hij drukte zijn sigarettepeuk uit enzat met zijn kin in zijn linkerhand somber over het glinsterende beton te staren naar de zon,die al voor de helft in de baai was verzonken.

    Met de dood van de Mexicaan had hij de laatste hand gelegd aan een beroerde opdracht, een vande beroerdste die hij had gehad - smerig, gevaarlijk en zonder enig ander voordeel dan dat hijer door uit het hoofdkwartier had kunnen wegkomen.

    Een forse Mexicaan had een paar papavervelden. Niet voor de snijbloemen. De bloemen werdengemaaid om de opium, die snel en naar verhouding goedkoop werd verkocht door de kelners van eenklein café in Mexico City, ‘Madre de Cacao’ genaamd. De Madre de Cacao genoot meer dan genoegprotectie. Als je opium wou hebben ging je maar naar binnen en met je consumptie bestelde jewat je hebben wou. Je betaalde je consumptie aan de kassa en de man aan de kassa vertelde jehoeveel nullen er achter je rekening kwamen. Het was een ordelijke handel waar niemand buitenMexico enig belang bij had.

    Toen kondigde de regering in het verre Engeland aan -daartoe aangezet door de actie derVerenigde Naties tegen de smokkelhandel in verdovende middelen - dat heroïne in Engelandverboden zou worden. Soho was in opschudding, en ook de eerbare dokters die hun patiëntenhevige pijnen

    wilden besparen. Het verbod is de ziel van de misdaad. Al heel spoedig vielen de gewonesmokkelkanalen vanuit China, Turkije en Italië bijna droog door de clandestiene voorraad-vorming in Engeland. Een eerzaam importeur en exporteur in Mexico City, die Blackwell heette,had een zuster in Engeland die verslaafd was aan heroïne. Hij hield van haar en had medelijdenmet haar en toen ze schreef dat ze zou sterven als er niemand was die haar hielp, geloofde hijhaar en begon zich op de hoogte te stellen van de onwettige handel in verdovende middelen in

    Mexico. Na verloop van tijd kwam hij, via vrienden en vrienden-van-vrienden, bij de Madre de

    Cacao terecht en vandaar bij de Mexicaanse papaverkweker. Gaandeweg leerde hij de branche

    kennen en hij kwam tot de slotsom dat hij, als hij fortuin wist te maken en tegelijkertijd de

    lijdende mensheid kon dienen, het Geheim des Levens gevonden zou hebben. Blackwell deed in

    kunstmest. Hij had een depot en een klein fabriekje en een personeelssterkte van drie man voor

    bodemonderzoek en botanische research. De forse Mexicaan was er gemakkelijk van te overtuigen

    dat Blackwell’s team zich, achter deze achtenswaardige gevel, zou kunnen bezighouden met het

    bereiden van heroïne uit opium. Het vervoer naar Engeland werd door de Mexicaan met bekwame

    spoed geregeld. Voor de tegenwaarde van duizend pond per keer, nam een van de diplomatieke

    koeriers van het ministerie van buitenlandse zaken een extra koffer mee naar Londen. De prijs

    was redelijk. De inhoud van de koffer was, nadat de Mexicaan hem op het depot van Victoria

    Station had afgegeven en het bonnetje had gestuurd naar een man die Schwab heette, per adres

     Boox-and-Pix, Ltd, W.C. 1, twintigduizend pond waard.

    Ongelukkigerwijze was Schwab een slecht mens, die maling had aan de lijdende mensheid. Hijdacht zo, dat als de Amerikaanse jeugdige delinkwenten per jaar voor miljoenen dollars aanheroïne konden verbruiken, de Engelse teddy-boys en hun vriendinnetjes dat ook wel eens kondendoen. In twee kamers in Pimlico versneden zijn personeelsleden de heroïne met maagpoeders endirigeerden het naar de dans-lokalen en amusementsgelegenheden.

    Schwab had al een fortuin gemaakt toen de C.I.D. hem op het spoor kwam. Scotland Yard besloothem nog wat meer te laten verdienen terwijl men intussen de bron van zijn koopwaar opspoorde.Ze lieten Schwab nauwlettend volgen en na verloop van tijd kwamen ze terecht op Victoria

    Station en vandaar bij de Mexicaanse koerier, In dat stadium moest, aangezien er een vreemdemogendheid bij betrokken raakte, de geheime dienst in de arm worden genomen en Bond kreegopdracht uit te zoeken waar de koerier zijn voorraden betrok, en de stroom bij de bron af tedammen. Bond deed wat hem was opgedragen. Hij vloog naar Mexico City en kwam weldra bij deMadre de Cacao terecht. Daarna stuitte hij, onder het mom van koper van de Engelse markt, op deforse Mexicaan. De Mexicaan ontving hem minzaam en verwees hem naar Blackwell. Het leek Bond

    beter zich met Blackwell te gaan bezighouden. Hij wist niets van Blackwells zuster, maar de man

    was kennelijk een amateur en zijn verbittering over het heroïneverbod in Engeland klonk

    oprecht. Op een nacht brak Bond in zijn depot in en legde er een brandbom neer. Toen ging hij

    anderhalve kilometer verder in een café zitten en zag de vlammen aan de horizon boven de daken

    oplaaien en hij hoorde de zilveren waterval van de belgeluiden der brandweerbrigades. De

    volgende morgen belde hij Blackwell op. Hij legde een zakdoek over de microfoon en sprak er

    doorheen.

    ‘Het spijt me dat gisteren uw magazijn is afgebrand. Ik vrees dat uw verzekering debodemmonsters die u aan het onderzoeken was niet zal dekken.’ ‘Wie is dat? Met wie spreekik?’

    ‘Ik kom uit Engeland. Die rommel van u, daar zijn hier al een heleboel jonge mensen aanoverleden. En een heleboel andere hebben er schadelijke gevolgen van ondervonden. Santos komtnooit meer met zijn diplomatenkoffer naar Engeland. Schwab zal tegen de avond wel in degevangenis zitten. Die Bond die je gesproken heeft, ontsnapt ook niet meer aan het net. Depolitie zit achter hem aan.’ Er kwamen uitingen van schrik over de lijn. ‘Akkoord, maar doetu het niet meer. Houdt u maar bij uw kunstmest.’ Bond hing op.

    Blackwell zou het nooit in de gaten hebben gekregen. Het was kennelijk de Mexicaan geweest diede afleidingsmanoeuvre had dóorgehad. Bond had de voorzorg genomen van hotel te veranderen,maar toen hij die avond na een laatste borrel in Copacabana naar zijn kamer wandelde, trad hemplotseling een man in de weg. De man had een vuil witlinnen pak aan en een witte chauffeurspetop die te groot was voor zijn hoofd. Er lagen diepe blauwe schaduwen onder

    zijn Azteken-jukbeenderen. In de ene hoek van de spleet die zijn mond was hing een tandestokeren in de andere een sigaret. Zijn marihuana-ogen waren glinsterende speldeprik-ken.

    ‘U vrouw hebben? Nummertje maken?’ ‘Nee.’

    Negerinnetje? Mooi bosmeisje?’ ‘Nee.’

    ‘Foto’s dan?’

    De in de jas glippende hand was Bond zo’n vertrouwd gebaar, zo geladen met welbekende gevaren,dat hij, toen de hand naar voren schoot en de lange zilveren vinger naar zijn keel ging, in degoede houding stond en erop was voorbereid. Bijna automatisch ging Bond over tot ‘pareren vanuitval naar boven’ uit het boekje. Zijn rechterarm kwam naar voren, zijn lichaam wentelde mee.De twee onderarmen ontmoetten elkaar tussen de twee lichamen, sloegen het mes van de Mexicaan

    uit de richting en maakten de weg vrij voor een krakende kaakslag met Bonds linkerhand. Bond’s

    harde, gesloten vuist had geen grote afstand afgelegd, misschien een halve meter, maar de

    buitenrand van zijn hand had, terwijl hij zijn vingers gespreid hield om de spieren te spannen,

    met ontzettende kracht de man onder zijn kin getroffen. De slag veegde de man bijna van het

    trottoir. Misschien was het die klap geweest waaraan de Mexicaan was doodgegaan, die hem de nek

    had gebroken, maar toen hij op weg naar de grond achteroverviel, had Bond zijn rechterhand

    achteruitgestoken en hem zijdelings op de open en bloot liggende keel geslagen. Het was de

    dodelijke slag met de dwarse hand op de adamsappel, toegebracht met gesloten vingers, waarvan

    de Commando’s zich met zoveel succes hadden bediend. Zo de Mexicaan nog leefde — vóór hij de

     grond bereikte was hij zeker dood.

    Bond stond een ogenblik hijgend naar de hoop verkreukelde goedkope kleren te kijken die daar inhet stof lag. Hij keek de straat naar beide kanten af. Er liep niemand. Er passeerden enkeleauto’s. Gedurende het gevecht waren er misschien nog meer voorbijgereden, maar ze hadden in deschaduw gestaan. Bond knielde naast zijn slachtoffer neer. Zijn pols klopte niet meer. De ogen,die zo gestraald hadden van de marihuana, braken reeds. Het huis waarin de Mexicaan had gewoond

    was verlaten. De huurder was vertrokken. Bond tilde het lijk op en legde het tegen de muur,

    dieper in

    de schaduw. Hij veegde met zijn handen langs zijn kleren, voelde of zijn das recht zat en zettede weg naar zijn hotel voort.

    Bij de morgenschemering was Bond opgestaan, had zich geschoren en was naar het vliegveldgereden waar hij het eerste vliegtuig nam dat Mexico verliet. Het ging naar Caracas. Bond vloognaar Caracas en hing in de wachtkamer voor kwam een Transamerica Constellation die hemdiezelfde avond naar New York zou brengen.

    Weer zoemde en echode de luidspreker. ‘Transamerica Airlines moet tot zijn spijt mededelen datvlucht nummer TR 618 naar New York vertraging heeft. De nieuwe vertrektijd is acht uurmorgenochtend. De passagiers wordt verzocht zich te vervoegen bij het loket van deTransamerica, waar hun overnachting zal worden geregeld. Dank u.’ Zo! Ook dat nog? Zou hij opeen ander vliegtuig overstappen of de nacht in Miami doorbrengen? Bond had zijn borrel

    vergeten. Hij nam zijn glas op, gooide zijn hoofd achterover en dronk zijn whisky tot de

    laatste druppel uit. Het ijs tinkelde vrolijk tegen zijn tanden. Dat was het. Goed idee. Hij

    zou de nacht in Miami doorbrengen en zich bedrinken, zo dronken worden dat hij naar bed moest

    worden gebracht door welke slet hij ook had opgepikt. Hij was in geen jaren dronken geweest.

    Het weed hoog tijd. Deze extra nacht, die hem in de schoot kwam vallen, was een overtollige

    nacht, een verloren nacht. Hij moest er iets van zien te maken. Het was tijd dat hij zich eens

    liet gaan. Hij was te gespannen, te ingekeerd. Verdraaid, wat zat hij toch te somberen over die

    Mexicaan, die capungo, die op hem af was gestuurd om hem te vermoorden? Het was een kwestie

    geweest van moorden of vermoord worden. Trouwens, de mensen waren altijd bezig andere mensen te

    doden, over de hele wereld. De mensen gebruikten hun auto’s om anderen dood te rijden. Zedroegen besmettelijke ziekten met zich mee, bliezen microben in andermans gezicht, vergaten hetgas in de keuken uit te draaien, pompten koolmonoxyde in gesloten garages. Hoeveel mensen warener bijvoorbeeld betrokken bij de vervaardiging van atoombommen, van de mijnwerkers die deuranium dolven tot de aandeelhouders die de aandelen van de mijnen in handen hadden? Was er

    iemand ter wereld die niet op een of andere manier, al was het misschien alleen statistisch,

    betrokken was bij het doden van zijn naaste? Het laatste daglicht was verdwenen. De verlichte

    landings-en blauw gestreepte das, die nog net niet de das was van de Brigade of Guards. Zijn

    manchetten staken enkele centimeters uit zijn mouwen, zodat zijn manchetknopen van gepolijst

    kristal zichtbaar waren, met een klein vliegje erin. Hij droeg antracietkleurige zijden sokken

    en glimmend ma-honiebruine schoenen. De man had een donkere strooien deukhoed op met een smalle

    rand en een breed bordeauxrood lint.

    Mr. Du Pont ging tegenover Bond zitten en haalde sigaretten en een gladde gouden aansteker tevoorschijn. Bond merkte op dat hij lichtelijk zweette. Hij kwam tot de conclusie dat Mr. DuPont was wie hij scheen: een zeer rijke Amerikaan, en een beetje verlegen. Hij wist dat hij hemeerder had gezien, maar hij had er geen idee van waar of wanneer. ‘Rookt u?’

    ‘Graag.’ Hij kreeg een sigaret. Bond wendde voor, de gepresenteerde aansteker niet op temerken. Hij had een hekel aan uitgestoken aanstekers. Hij nam zijn eigen aansteker en stak zijnsigaret aan.

    ‘Frankrijk, in ‘51, Royale les Faux.’ Mr. Du Pont keek Bond gretig aan. ‘Dat Casino. Ethel,mijn vrouw, en ik zaten naast u aan tafel, die avond toen u zo goed speelde met die Fransman.’

    Bonds geheugen rende ver terug. Ja, natuurlijk. De Du Ponts waren aan de baccarattafel nummer 4en 5 geweest. Bond was nummer zes geweest. Het hadden ^ongevaarlijke lieden geschenen. Hij wasblij geweest dat hij zo’n solide bolwerk aan zijn linkerzijde had gehad, die fantastischeavond toen hij Le Chiffre had verslagen. Nu zag Bond het allemaal weer vóór zich - de hellelichtkring op het groene laken, de roze, krabachtige handen die naar de kaarten graaiden. Hij

    rook de sigarettenwalm en de scherpe geur van zijn eigen zweet. Dat was me een avond geweest!

     Mr. Du Pont over de tafel aan en glimlachte bij de herinnering. ‘Ja, natuurlijk, ikBond keek

    herinner het me weer. Neem me niet kwalijk, dat het zo lang duurt. Maar ddt was me een avond!Ik dacht aan bijna niets anders dan aan mijn kaarten’. Mr. Du Pont grijnsde terug, gelukkig enopgelucht. ‘O gunst, natuurlijk, Mr. Bond. Ik begrijp het best. En ik hoop van harte dat u mewilt excuseren dat ik u zo op het lijf kom vallen. Ziet u…’ Hij knipte met zijn vingers om

    een serveerster. ‘Maar we moeten er iets op drinken. Wat drinkt u?’

    banen pinkelden groen en geel onder de blauwzwarte hemel en weerspiegelden met kleine lichtjesvanaf het olieachtige oppervlak van het beton. Met brullende motoren hobbelde er een DC7 overde groene hoofdbaan. De ruiten van de wachtkamer rinkelden zachtjes. Er stonden mensen op om tekijken. Bond trachtte hun gezichten te lezen. Hoopten ze dat het vliegtuig zou verongelukken -ze een schouwspel zou bezorgen, iets om over te praten, iets om hun lege levens te vullen? Of

    wensten ze het alle goeds toe? Wat wensten ze de zestig passagiers toe? Het leven of de dood?

    Bond trok zijn mondhoeken naar beneden. Ophouden. Niet zo vervloekt somber zijn. Het komt

    allemaal door die smerige opdracht. Je bent jezelf zat, moe van het plichtmatige hard-zijn. Je

    wut eens wat anders. Je hebt te veel dood gezien. Je wilt een brok leven - gemakkelijk, zacht,

    prettig. Bond realiseerde zich dat hij voetstappen hoorde. Er kwam iemand naast hem staan. Bond

    keek op. Het was een nette man van middelbare leeftijd, die de indruk maakte rijk te zijn. Hij

    keek. ver/egen en verontschuldigend. ‘Neem me niet kwalijk, maar u bent beslist Mr. Bond…

    Mr…eh… James Bond?’

    2. ‘Afgesproken’

    Bond beminde de anonimiteit. Zijn ‘Inderdaad’ klonk ontoeschietelijk.

    ‘Hé, dat is wel een heel groot toeval.’ De man stak hem zijn hand toe. Bond stond langzaamop, pakte de hand en liet hem los, de hand was papperig en vormeloos - als een handvormig stukmodder of een opgeblazen rubber handschoen. ‘Mijn naam is Du Pont. Junius Du Pont. Ik neem aandat u zich mij niet meer herinnert, maar we hebben elkaar al eerder ontmoet. Mag ik hier gaan

    zitten?’ Het gezicht, de naam? Ja, er was iets bekends. Lang geleden. Niet in Amerika. Bondzocht in zijn archieven terwijl hij de man opnam. Mr. du Pont was omstreeks de vijftig, rozig,gladgeschoren en gekleed in de conventionele vermomming waarmee Brooks Brothers de schaamte derAmerikaanse miljonairs bedekt. Hij droeg een donkerbruin tropenkostuum en een witzijden hemdmet een slappe boord. De punten van de boord werden bij elkaar gehouden met een goudenveiligheidsspeld onder de knoop van een smalle, donkerrood

    ‘Graag. Whisky met ijs.’

    ‘En voor mij een cognac.’ De serveerster liep weg. Mr. Du Pont boog zich stralend naar hemover. Een vleugje zeep of after-shave lotion waaide over de tafel. Lentheric? ‘Ik wist dat uhet was; Zodra ik u hier zag zitten. Maar ik dacht bij mezelf: Junius, je vergist je niet vaakin een gezicht, maar ga je ervan overtuigen. Nou, ik zou vanavond met de Transamerica vliegenen toen ze de vertraging aankondigden, keek ik naar uw gezicht en, als u het me niet kwalijkwilt nemen, Mr. Bond, daar stond vrij duidelijk op te lezen dat u ook met de Transamericavloog.’ Hij wachtte tot Bond zou knikken. Toen ging hij snel voort: ‘Dus ik rende naar hetloket en vroeg de passagierslijst ter inzage. En ja hoor, daar stond u. “J. Bond”.

    Mr. Du Pont leunde achterover, ingenomen met zijn speurzin. De borrels werden gebracht. Hijhief zijn glas. ‘Op uw gezondheid, sir. Ik heb vandaag bepaald een geluksdag’. Bondglimlachte neutraal en nam een slok. Mr. Du Pont boog zich weer voorover. Hij keek om zichheen. Aan de tafels om hen heen zat niemand. Niettemin dempte hij zijn stem. ‘Ik denk zo dat ubij uzelf zegt: nou, leuk om Junius Du Pont weer eens te zien, maar wat zou het eigenlijk?Waarom doet het hem zo’n bijzonder genoegen me juist vanavond weer te ontmoeten?’ Mr. Du Ponttrok zijn wenkbrauwen op alsof hij de rol van Bond op zich nam. ‘Het is niets voor mij om mein te dringen in andermans gehei… eh… zaken. Maar na die avond in Royale hoorde ik dat u nietalleen een groot kaarter was maar ook … eh … wat zal ik zeggen?… dat u een soort… eh…detective was. Ziet u, zo’n soort functionaris van de inlichtingendienst.’ Mr. Du Pont wasvanwege zijn indiscretie zeer rood in zijn gezicht geworden. Hij liet zich achteroverzakken,haalde een zakdoek te voorschijn en veegde zijn voorhoofd af. Hij keek Bond bezorgd aan.

    Bond haalde zijn schouders op. In de grijsblauwe ogen die gericht waren op Mr. Du Pont’s ogen,hard en waakzaam geworden ondanks zijn verlegenheid, stond een mengsel van oprechtheid, ironieen protest te lezen. ‘Vroeger heb ik wel wat in dat soort dingen geliefhebberd. Eenoverblijfsel uit de oorlogstijd. Toen vond je het nog leuk om Indiaantje te spelen. Maar invredestijd zit er geen brood in.’ ‘Juist, juist.’ Mr. Du Pont maakte met de hand waarin hijzijn sigaret hield, een gebaar alsof hij iets opzij schoof. Zijn

    ogen vermeden die van Bond toen hij de volgende vraag stelde, op de volgende leugen wachtte.(Bond dacht: er steekt een wolf in deze Brooks-Brothers-kleren. Het is een schrandere vent.)‘Dus nu bent u een gezeten burger geworden?’ Mr. Du Pont glimlachte vaderlijk. ‘Wat bent ugaan doen, als ik vragen mag?’

    ‘In-en export. Ik ben bij Universal in dienst. Misschien heeft u wel eens met ze te makengehad.’ Mr. Du Pont speelde het spel verder. ‘Hm. Universal. Eens kijken. ‘O ja, wel eensvan gehoord natuurlijk. Kan niet zeggen dat ik ooit zaken met ze gedaan heb, maar ik meen aandat het daar nooit te laat voor is.’ Hij grinnikte vettig. Er zijn geweldig veel dingen waarinik belangen heb. Het enige waarvan ik naar waarheid kan beweren dat ik er niet ingeïnteresseerd ben, zijn chemicaliën. Misschien is het mijn ongeluk, Mr. Bond, maar ik ben geenchemische Du Pont.’

    Bond kwam tot de slotsom dat de man er heel tevreden mee was dat hij toevallig behoorde tot datspeciale slag Du Ponts. Hij leverde geen commentaar. Hij keek op zijn horloge om Du Pont tedwingen ter zake te komen. Hij stelde vast dat hij voorzichtig diende te zijn met het op tafelleggen van zijn eigen kaarten. Mr. Du Pont had een aardig, rozig, vriendelijk kindergezicht meteen samengetrokken, nogal vrouwelijk-preuts mondje. Hij zag er even argeloos uit als elkemiddelbare Amerikaan die met zijn camera voor Bucking-ham Palace staat. Maar Bond vermoeddevele harde, scherpe eigenschappen achter die bloemzoete gevel. Mr. Du Pont’s gevoelige oogving Bond’s blik op zijn horloge op. Hij keek op zijn eigen horloge. ‘Lieve hemel! Zeven uur

    en ik zit hier maar te babbelen zonder ter zake te komen. Nou, kijk eens, Mr. Bond. Ik zit meteen probleem en ik zou uw advies zeer op prijs stellen. Als u er tijd voor heeft en als uvannacht in Miami denkt te blijven zou het mij een groot genoegen doen als u mijn gast wildezijn.’ Mr. Du Pont stak zijn hand op. ‘O, ik denk wel dat ik u een comfortabel onderdak kanbezorgen. Ik ben namelijk eigenaar van een gedeelte van de Floridiana. Misschien heeft ugehoord dat we de zaak omstreeks Kerstmis geopend hebben? We doen goede zaken, kan ik welzeggen. Die goeie ouwe Blaue Fontein loopt goed,’ lachte Mr. Du Pont toegeeflijk. ‘Zo noemenwe de Fontainebleau hier. Nou, wat denkt u, Mr. Bond? U krijgt de beste suite — al zou ik ereen paar van

    de best betalende gasten voor op straat moeten zetten. En u zoudt me een groot genoegen doen.’Mr. Du Pont keek hem smekend aan.

    Bond had al besloten te accepteren - zonder aarzeling. Wat het probleem van Mr. Du Pont ookmocht zijn - chantage, gangsters, vrouwen — het zou een of ander typisch rijke-luisprobleemzijn. Dit was het brok gemakkelijk leven waar hij om gevraagd had. Aanpakken. Bond kwam met eenof ander protest. Mr. Du Pont viel hem in de rede. ‘Toe nou, Mr. Bond, en gelooft u me, ik doehet graag, heel graag.’ Hij knipte met zijn vingers naar de serveuse. Toen ze kwam, wendde hijzich van Bond af en legde de rekening buiten Bond’s gezichtsveld. Zoals vele zeer rijke mensenvond hij het grenzen aan onfatsoenlijk vertoon om iemand te laten zien hoeveel geld hij welhad. Hij stak zijn geld weer in zijn broekzak - de achterzak is onder de rijkelui niet dejuiste plaats - en nam Bond bij de arm. Hij voelde dat Bond weerstand bood aan zijn aanrakingen trok zijn hand terug. Ze liepen de trap af en de grote hal in. ‘Laten we nu dadelijk uwkamers gaan reserveren.’ Mr. Du Pont sloeg de richting van het Transamerica-loket in. Metenkele korte zinnetjes toonde Mr. Du Pont zijn macht en invloed in zijn eigen rijk: hetAmerikaanse. ‘Ja, Mr. Du Pont. Zeker, Mr. Du Pont. Ik zal ervoor zorgen, Mr. Du Pont.’

    Buiten zoefde een glimmende Chrysler Imperial naar de stoeprand. Een chauffeur met een hardgezicht en in een biscuitkleurig uniform haastte zich het portier te openen. Bond stapte in enliet zich in de zachte bekleding vallen. Het interieur van de wagen was heerlijk koel, bijnakoud. De employé van de Transamerican repte zich met Bond’s koffer, overhandigde hem aan dechauffeur en ging met een buiginkje weer naar binnen. ‘Bill ‘s on the Beach,’ zei Du Ponttegen de chauffeur en de grote wagen gleed tussen de overvolle parkeerplaatsen door naar deoprijlaan. Mr. Du Pont liet zich achteroverzakken. ‘Houdt u van steenkreeft, Mr. Bond? Heeft uhet wel eens gegeten?’ Bond zei van wel, en dat het hem gesmaakt had. Mr. Du Pont praatte overBill’s on the Beach en over de onderscheidenlijke verdiensten van steenkreeft en Alaska-kreeft, terwijl de Chrysler Imperial snel door de stad Miami reed, over ae Biscayne Boulevarden via de Douglas Mac-Arthur Causeway over Biscayne Bay. Bond gaf hem de

    geëigende antwoorden, en liet zich drijven op de stroom van snelheid en gemak enrijkeluisgekeuvel.

    2e stopten voor een witgeschilderde, begin-negentiende-eeuw-se namaakgevel, van hout enstucwerk. Een roze lichtreclame luidde: Bill’s on the Beach. Terwijl Bond uitstapte, gaf Mr.Du Pont instructies aan de chauffeur. Bond hoorde hem zeggen: ‘De Alohasuite,’ en: ‘Als eriets is, zeg dan tegen Mr. Fairlie me hierheen te roepen. Akkoord?’ Ze liepen de treden vanhet bordes op. Het grote restaurant was in wit gehouden met roze guirlanden boven de ramen. Erstonden roze lampjes op de tafels. Het restaurant zat vol met door de zon verbrande mensen indure tropenkleding - glimmende, opzichtige shirts, rinkelende gouden armbanden, zonnebrillenmet juwelen op het montuur, vlotte strohoeden naar inlands model. Er hing een mengsel vangeuren, waarin de zure lucht van lichamen die de ganse dag in de zon hadden gelegenoverheerste.

    Bill, een verwijfde Italiaan, repte zich naar hen toe. ‘Hé, Mr. Du Pont. Dat doet me plezier,sir. Een beetje druk vanavond. Ik zal gauw een plaatsje voor u zoeken. Deze kant op,alstublieft.’ Met een groot in leer gebonden menu boven zijn hoofd kronkelde hij zich tussende eters door een weg naar de beste tafel in het lokaal, een hoektafel voor zes personen. Hijtrok twee stoelen naar achteren, knipte in zijn vingers naar de maître d’hôtel en dewijnkelder, legde twee menu’s voor hen neer, wisselde complimenten uit met Mr. Du Pont en liet

ze alleen.

    Mr. Du Pont sloeg zijn menu dicht. Hij zei tegen Bond: ‘Kom, laat dat nu eens aan mij over.Als je iets niet lust, stuur je het terug.’ En tegen de oberkelner: ‘Steenkreeft. Niet uit deijskast. Verse. Gesmolten boter. Dikke toast. Ja?’

    ‘Heel goed, Mr. Du Pont.’ De wijnkelner nam handenwassend de plaats van de oberkelner in.

    ‘Tweemaal een halve liter champagne. De Pommery ‘50. In zilveren kannen. Kan dat?’

    ‘Heel goed, Mr. Du Pont. Een cocktail om te beginnen?’ Mr. Du Pont wendde zich tot Bond. Hijglimlachte eri trok zijn wenkbrauwen op.

    Bond zei: ‘Wodka-martini, graag. Met een schijfje citroen.’ ‘Maak er twee van,’ zei Mr. DuPont. ‘Dubbele.’ De wijnkelner repte zich weg. Mr. Du Pont liet zich in zijn stoel zakken enhaalde zijn sigaretten en aansteker te voorschijn.

    Hij keek het restaurant rond, beantwoordde enkele groetend opgestoken handen met een glimlachen een eveneens opgestoken hand en wierp een blik op de belendende tafels. Hij schoof zijnstoel dichter naar die van Bond. “Dat rumoer is niets aan te doen, dat spijt me,’ zei hijverontschuldigend. ‘Het gaat_ alleen om de kreeft. Ze zijn uit deze streek. Ik hoop dat je erniet allergisch voor bent. Ik ben hier eens met een meisje geweest dat ik kreeft liet geven,maar haar lippen zwollen op als fietsbanden.’

    De verandering die er in Mr. Du Pont had plaatsgevonden amuseerde Bond - zijn radde tong, zijnautoritaire optreden, nu hij dacht Bond eenmaal aan de haak te hebben, op zijn monsterrol tehebben staan. Hij was een ander man dan de verlegen, onhandige hulpzoeker die hem op hetvliegveld had benaderd. Wat wilde Mr. Du Pont van Bond? Het kon nu ieder ogenblik komen, hetvoorstel. Bond zei: ‘Ik ben nergens allergisch voor.’ ‘Goed zo.’

    Er volgde een pauze. Mr. Du Pont knipte verscheidene malen zijn aansteker open en dicht. Hijwerd er zich van bewust dat hij een irriterend geluid voortbracht en duwde hem van zich af. Hijkwam tot een besluit. Hij zei tegen zijn handen die voor hem op tafel lagen: ‘Speelt u weleens canasta, Mr. Bond?’

    ‘Ja, een mooi spel. Ik speel het graag.’ ‘Met z’n tweeën?’

    ‘Heb ik wel eens gedaan. Het is niet zo erg leuk. Als je niet al te stom doet, geen vanbeiden, wordt het gauw gelijk spel. Een kwestie van waarschijnlijkheidsrekening. Je hebt geenkans dat de punten ver uiteenlopen.’ Mr. Du Pont knikte nadrukkelijk. ‘Precies. Dat dacht ikzelf ook. Na honderd spelletjes zullen twee spelers van gelijk niveau gelijk eindigen, ‘t Isniet zo aardig als Gin of Oklahoma. maar in zekere zin vind ik het daarom juist interessant. Jekomt de tijd door, je hebt een hoop kaarten, je verliest eens wat en wint eens wat, en niemandkomt er al te beroerd af. Niet?’

    Bond knikte. De martini’s werden gebracht. Mr. Du Pont zei tegen de wijnkelner: ‘Breng erover tien minuten nog een paar.’ Ze dronken.

    M. Du Pont draaide zich om en keek Bond aan. Zijn gezicht stond gemelijk en vermoeid. Hij zei:‘Hoe zou u het vinden, Mr. Bond, als ik u vertelde dat ik in een week tijd

    vijfentwintigduizend dollar verloren heb met canasta - met één partner?’ Bond wilde alantwoord geven. Mr. Du Pont stak zijn hand op. ‘En let wel, ik ben een goed kaartspeler. Lidvan de Regency Club. Ik speel veel met mensen als Charlie Goren, Johnny Crawford - bridge dan.Maar ik wil maar zeggen dat ik met kaarten weet om te gaan.’ Mr. Du Pont keek Bond vorsend inde ogen.

    ‘Als u al die tijd met dezelfde man hebt gespeeld, heeft hij vals gespeeld.’

    ‘Precies.’ Mr. Du Pont gaf een klap op het tafellaken. Hij liet zich in zijn stoel zakken.‘Precies. Dat dacht ik zelf ook toen ik verloren had - vier hele dagen lang. Ik zei bijmezelf, die rotvent speelt vals en verdraaid als ik er niet achterkom hoe hij dat doet en ikhem Miami uit laat jagen. Dus ik verdubbelde de inzet, en daarna nóg eens; Hij was er erg blijmee. En ik lette op iedere kaart die hij speelde, op iedere beweging. Niets! Geen enkeleaanwijzing. Geen gemerkte kaarten. Een nieuw spel kaarten zodra ik het wilde. Mijn eigen

    kaarten. Hij kon me onmogelijk in de kaart kijken - want ik zat steeds recht tegenover hem.Geen handlanger om hem tips te geven. En hij won maar en won maar. Vanmorgen wéér. En vanmiddagwéér. Tenslotte werd ik er zo dol van - zonder het te laten merken weliswaar -‘ Bond mochteens de*ken dat hij niet tegen zijn verlies had gekund - ‘dat ik netjes heb betaald. Maarzonder het tegen die vent te zeggen, heb ik mijn koffer gepakt en ben naar het vliegveld gegaanen heb voor het eerste vliegtuig naar New York passage genomen. Stel u voor!’ Mr. Du Pont hiefzijn handen. ‘Weglopen. Maar vijfentwintigduizend dollar is vijfentwintigduizend dollar. Ikzag het al vijftig, honderdduizend worden. Maar ik kon gewoon niet éen zo’n spelletje meerverdragen en ik kon ook niet verdragen dat ik die vent niet dóór kon krijgen. Dus ik ging ervandoor. Wat zegt u daarvan? Ik, Junius Du Pont, die me gewonnen gaf omdat ik het niet meer konverdragen op mijn donder te krijgen!’

    Bond knorde meelevend. Het tweede rondje werd gebracht. Bonds belangstelling was enigermategewekt. Hij had altijd belangstelling voor alles wat met kaarten te maken had. Hij kon zich hettafereel voorstellen, de twee mannen die maar speelden en speelden en de ene die rustig schuddeen gaf en zijn punten opschreef terwijl de andere steeds maar zijn kaarten middenop tafelgooide met een gebaar vol beheerst

    misnoegen. Mr. Du Pont was stellig bij de neus genomen. Maar hoe? Bond zei:

    ‘Vijfentwintigduizend dollar is een hoop geld. Wat was de inzet?’

    Mr. Du Pont keek sullig. ‘Vijfentwintig cents een punt, toen vijftig, toen een dollar. Nogalhoog, zou ik zeggen, met een gemiddelde van tweeduizend punten per spel. Zelfs bijvijfentwintig cents is dat nog vijfhonderd dollar per speL Bij een dollar per punt is het, alsje steeds maar blijft verliezen, je reinste moord.’ ‘U heeft af en toe toch wel eensgewonnen?’ ‘O zeker, maar net als ik de schooier een poot wilde uitdraaien, combineerde hijwat hij kon, en redde zich eruit. Zeker, ik won wat kleingeld, maar alleen als hij al met zo’nhonderdtwintig down was, en dan moest ik nog prachtige kaarten hebben. Maar u weet het bijCanasta moet je dadelijk uitleggen, maar om je tegenstander daartoe te dwingen, moet je eentrucje verzinnen. En verdraaid, ‘t leek wel of hij helderziende was. Mijn trucjes had hijsteeds door, maar de zijne, daar tippelde ik steeds in. Als hij gedwongen werd om neer teleggen, waren het steeds singletons en azen en steeds draaide hij zich eruit. Het leek wel ofhij iedere kaart kende die ik in mijn hand had.’ ‘Hingen er spiegels in de kamer?’

    ‘Gunst, nee! We speelden altijd buiten. Hij zei dat hij bruin

    wou worden. Dat werd hij ook wel. Zo rood als een kreeft.

    Hij wilde alleen ‘s morgens en ‘s middags spelen. Zei dat hij

    niet kon slapen als hij ‘s avonds speelde.’

    ‘Wie is die man eigenlijk? Hoe heet hij?’

    ‘Goldfinger.’

    ‘Voornaam?’

    ‘Auric. Dat betekent “van goud”, niet? Dat is hij ook. Hij

    heeft vuurrood haar.’

    Tvfationaliteit?’

    ‘U zou het niet geloven, maar hij is Engelsman. Woont in Nassau. Aan de naam zou je zeggen dathet een jood is, maar hij ziet er niet naar uit. We hebben onze beperkingen in Floridiana. Alshij een jood was geweest zou hij geen toegang hebben gehad. Paspoort uit Nassau. Toen ik methem begon te spelen liet ik door de huisdetective een kijkje bij hem nemen.’

    ‘Waar doet hij in?’

    Du Pont glimlachte grimmig. “Dat heb ik hem gevraagd. Hij zei: “O, in alles wat ik zotegenkom.” Een draaierig

    iemand nogal. Kruipt in zijn schulp als je hem een rechtstreekse vraag stelt. Hij praat maarvrolijk aan, over niets.’ “Hoeveel geld heeft hij?’

    ‘Haha!’ zei Mr. Du Pont explosief. ‘Dat is het gekste van allés. Hij is steenrijk.Stéenrijk! Ik heb bij mijn bank informaties ingewonnen. Hij bulkt van het geld. Miljonairsvindt je in Nassau dertien in het dozijn, maar hij bekleedt er de eerste of tweede plaatsonder. Hij schijnt zijn geld in baren goud te hebben belegd. Die houdt hij over de hele wereldin omloop om de goudprijs in zijn voordeel te wijzigen. Doet net alsof hij een federale bankis. In valuta heeft hij geen vertrouwen. Ik kan niet zeggen dat hij daar ongelijk in heeft, enals je let op het feit dat hij een van de rijkste mensen ter wereld is, moet er wel iets inzijn systeem zitten. Maar als hij zó rijk is, waarom wil hij mij dan in godsnaam een stommevijfentwintigduizend dollar afzetten?’ Een groepje kelners, die zich rond hun tafel schaarden,bespaarde Bond de moeite een antwoord te bedenken. Met veel plichtplegingen werd er een grotezilveren schaal grote kreeften middenop tafel gezet, met gebroken schalen en scharen. Eenzilveren sauskom boordevol gesmolten boter en een grote schaal toast werden naast hun bordgeplaatst. De zilveren kannen droegen een roze schuimkop. Tenslotte ging de oberkelner m?t eengladde grijns achter hun stoel staan en bond ze een voor een een lang witzijden slab om de halsdie tot hun schoot reikte.

    Het deed Bond denken aan Charles Laughton in de rol van Hendrik VIII, maar Mr. Du Pont, noch deom hen heen zittende eters schenen verrast over deze gulzige vertoning. Mr. Du Pont harkte meteen opgewekt ‘Ieder voor zich’ een aantal brokken kreeft op zijn bord, overgoot ze rijkelijkmet gesmolten boter en begon te schransen. Bond volgde zijn voorbeeld en ving aan hetheerlijkste maal dat hij ooit had genoten te nuttigen, of liever te verslinden. Hetsteenkreeftevlees was het meest malse, smakelijkste vlees van schaaldieren dat hij ooit hadgeproefd. De droge toast en de enigszins aangebrande smaak van de gesmolten boter pasten eruitstekend bij. De champagne scheen heel in de verte naar aardbeien te ruiken. Ze was ijskoud.Elke maal nadat hij zich van kreeft had bediend, spoelde hij zijn mond met champagne voor devolgende ronde. Ze aten aan éen stuk door en met overgave en wisselden nauwelijks een woord totde schotel leeg was.

    Met een klein boertje veegde Mr. Du Pont voor het laatst de boter van zijn kin met zijn zijdenslab en liet zich achteroverzakken. Hij had blosjes op de wangen. Hij keek Bond vergenoegd aan.Hij zei vol eerbied: ‘Mr. Bond, ik betwijfel of er waar ook ter wereld iemand zo goed gegetenheeft als wij hier vanavond. Wat denkt u?’

    Bond dacht: ik heb gevraagd om een brok gemakkelijk leven, het leven van de rijkelui. Hoebevalt het me? Hoe vind ik het om te vreten als een zwijn en zulke opmerkingen te moetenaanhoren? Het idee nog eens ooit zo’n maal naar binnen te werken, of welk ander maal ook samenmet Mr. Du Pont, bracht hem plotseling in opstand. Hij voelde zich even beschaamd om zijnafkeer. Hij had erom gevraagd en hij had het gekregen. Het was de puritein in hem die zichverzette. Hij had een wens gedaan en de wens was niet alleen vervuld, hij had te veel van hetgoede gehad. Bond zei: ‘Dat weet ik niet, maar het was inderdaad zeer goed.’ Mr. Du Pont wastevreden. Hij bestelde koffie. Bond sloeg sigaren en cognac af. Hij stak een sigaret op enwachtte met belangstelling op de clou. Hij wist dat er een clou zou komen. Al het andere waskennelijk ae voorbereiding daartoe geweest. Nu, laat het maar komen.

    Mr. Du Pont, schraapte zijn keel. ‘En nu, Mr. Bond, wil ik u een voorstel doen.’ Hij staardeBond aan en trachtte bij voorbaat zijn reactie te peilen.

    ‘Het was stellig een beschikking dat ik u daar op het vliegveld ontmoet heb.’ Mr. Du Pont’sstem klonk plechtig en oprecht. ‘Onze eerste ontmoeting in Royale heb ik nooit vergeten. Ikherinner het me tot in de kleinste kleinigheden - uw beheersing, uw durf, de manier waarop u dekaarten hanteerde.’ Maar Mr. Du Pont was zijn toespraak moe geworden. Hij zei gehaast: ‘Mr.Bond, ik zal u tienduizend dollar betalen als u als mijn gast hier wilt blijven tot u er achterbent hoe die Goldfinger mij bij het kaarten verslaat.’ Bond keek Mr. Du Pont in de ogen. Hijzei: ‘Dat is een mooi aanbod, Mr. Du Pont. Maar ik moet terug naar Londen. Ik moet binnenachtenveertig uur in New York zijn om mijn vliegtuig te pakken. Als u morgenochtend enmorgenmiddag uw gebruikelijke spelletjes zoudt willen spelen, zou ik meer dan genoeg tijdhebben om de oplossing te vinden. Maar morgenavond moet ik weg, of ik iets voor u heb kunnendoen of niet. Zullen we het zo doen?’ ‘Afgesproken,’ zei Mr. Du Pont.

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com