DOC

a--- niet

By Rachel Ortiz,2014-06-22 18:06
18 views 0
a--- niet

a--- niet

    aar bloemgestel met een open as, waarop een (groot) aantal zittende bloemen, elk in de oksel van een bractee : racemeus, en met centripetale bloeivolgorde abaxiaal van de hoofdas weggekeerd

    abiotisch niet-levend, zoals : primaire

    abscissielaagje laagje cellen waarvan de middenlamella wordt opgelost, waardoor deze cellen loskomen van elkaar (= afscheidingslaagje)

    accrescent samen uitgroeiend met een ander aangrenzend orgaan

    acro---, akro--- aan de top

    acrocarp, akrokarp met (het éne !) sporenkapsel aan de top van de stengel (Mossen)

    acrokont, akrokont met flagel(len) op de top ingeplant

    acrostichoïd met sporangia in een doorlopende laag over (een deel van) het bladoppervlak Acrostichum Mangrovevaren

    actine een van de proteïnen waaruit de microfilamenten zijn opgebouwd

    actinomorf met 2 of meer symmetrievlakken (bloem)

    actinostele stele waarbij de xyleempakketjes (op doorsnede) stervormig zijn uitgegroeid (al of niet vanaf het centrum), en tussen de sterarmen liggen de floëempakketjes (wortel van

    Zaadplanten)

    acyclisch met de elementen ingeplant volgens een doorlopende schroeflijn langs de (bloem)as, letterlijk : niet in een krans (= schroefvormig)

    adaxiaal naar de hoofdas toegekeerd

    ademwortel wortel die bij moerasplanten of mangroveplanten vertkaal omhoog groeit, tot ze boven het wateroppervlak uitsteekt (= pneumatofoor)

    adenine een van de 4 "organische basen" die de basis vormen van de genetische code adpressoren de vier hygroscopische draden die de sporen van Paardestaarten (Equisetum) omgeven

    adventiefwortel wortel die uit een stengel te voorschijn treedt (= bijwortel) adventieve embryogenese 1 of meerdere embryo's ontwikkelen zich uit andere cellen dan die van de embryozak, vaak uit cellen van de nucellus of integumenten, in dit geval groeien vaak meerdere embryo's tegelijk uit : poly-embryonie

    aërenchym een type parenchymweefsel met zeer grote luchtholten, die de (interne) gasuitwisseling bevorderen, aanwezig bij veel waterplanten

    aestivatie de manier waarop de kroon- of kelkbladen elkaar met de randen al of niet bedekken tijdens het knopstadium (= knopdekking)

    agamospermie ontwikkeling van kiemkrachtige zaden zonder versmelting van gameten agar een bepaald type galactaan (kenmerkend voor de celwand van Rhodophyta)

akinete ? dikwandige overlevingssporen of akineten (Cyanobacteria)

    akont zonder flagellen

    albedo endokarp van een citrusvrucht

    aleet spore zonder waarneembare zwakke plaats in de sporenwand

    alginaten zouten van alginezuur (= polymeer van mannuronzuur en

    guluronzuur) (Phaeophyta)

    allogeen ontstaan onder invloed van een externe factor

    allorhizie met goed ontwikkelde hoofdwortel en zijwortels, duidelijk van elkaar verschillend in grootte

    alternantie met afwisselende plaatsing, zoals in een bloem : de sepalen alterneren met de petalen, die alterneren met de buitenste krans van meeldraden, die alterneren met de binnenste krans, die alterneren met de karpellen

    amentum een aarvormig bloemgestel met een as waarop talrijke zittende bloemetjes, vaak hangend, en vaak na de bloei als een geheel afvallend (= echt katje) amficribraal vaatbundeltype met centraal xyleem, concentrisch omgeven door floëem (=

    perifloïsch, amfifloïsch)

    amfifloïsch vaatbundeltype met centraal xyleem, concentrisch omgeven door floëem (=

    perifloïsch, amficribraal)

    amfigaster een blaadje van een derde rij blaadjes aan de onderzijde van de stengeltjes (bij sommige bebladerde Levermossen) (= buikblaadjes)

    amfimixis geslachtelijke vorm van embryo-ontwikkeling, dus mét versmelting van gameten

    amfistomatisch blad blad met stomata zowel in boven- als onderepidermis amfitrich met meerdere flagellen aan beide celuiteinden (= bipolair polytrich) (Bacteria) amfivasaal vaatbundeltype met centraal floëem, concentrisch omgeven door xyleem (=

    amfixylisch)

    amfixylisch vaatbundeltype met centraal floëem, concentrisch omgeven door xyleem (=

    amfivassal)

    amyloplast een kleurloze plastide, die zetmeel stapelt

    anafase een fase van de mitose, waarbij de chromatiden vanuit het equatoriale vlak onderweg zijn naar de polen van de spoelfiguur

    anamorf de conidiale vorm van een fungus

    anatroop ovulum ovulum dat helemaal over 180 ? is gewenteld, zodat chalaza en micropyle elk aan een ander uiteinde van het ovulum liggen

    androecium geheel van meeldraden in een bloem

    androgynofoor asvormig uitgegroeid deel van de bloemas waarop meeldraden en stamper staan

anemochorie verspreiding van diasporen door de wind

    angiospermie toestand van bedektzadigheid, zaden (of jong : ovula) ingesloten in een vrucht (of jong : ovarium)

    anisofyllie het verschijnsel bij decussate fyllotaxis waarbij de twee bladeren op een knoop (sterk) ongelijk van vorm zijn

    anisogamie bevruchting waarbij twee beweeglijke gameten met ongelijke grootte met elkaar versmelten

    anisomeer niet alle kransen bevatten een gelijk aantal elementen (bloem) anisotomie dichotome vertakking met ongelijk uitgroeiende takken

    annulus ring of lijn met bijzondere, verdikte cellen in een sporangium, waarlangs het sporangium openbarst (Varens)

    anthela bloemgestel, structureel gelijk aan een pluim, maar waarbij de internodia van de hoofdas zeer kort blijven, en de laagste internodia van de laagste zijtakken zeer lang uitgroeien (= speer)

    anthera (mv. antherae) bovenste en verdikte deel van de meeldraad dat het pollen bevat (= helmknop)

    antheridiofoor steelvormig en vertikaal omhooggroeiend deel van het thallus (bij sommige Levermossen), dat de antheridia draagt

    antheridium mannelijk gametangium (deel van de gametofyt), waarin de (meestal talrijke) antherozoïden worden gevormd

    antheridiumcel de cel in een pollenkorrel die zich na deling (of soms eerst na afsplitsing van een steelcel) omzet tot 2 spermacellen of 2 spermatozoïden

    antherozoïde beweeglijke mannelijke gameet, spermatozoïde, maar dan botanisch : ontstaan

    in een antheridium

    anthesis de bloeifase van een bloem

    anthropochorie verspreiding van de diasporen door de mens

    anticliene deling deling met de nieuwe dwarswand tussen de twee dochtercellen dwars op de lengterichting van het weefsel

    antipoden drie cellen aan het chalazale einde van de embryozak (Angiospermae) apert een type knopdekking, waarbij de randen van de blaadjes elkaar niet raken apetalie oorspronkelijk zonder kroon

    apex top

    apicaal meristeem meristeem aan de top van stengel of wortel

    apicale cel topcel (die in diverse groepen instaat voor de groei door deling) apicale placentatie placentatie aan de top van het ovarium

    aplanospore niet-beweeglijke spore

    apocarpie, apokarpie toestand waarbij de karpellen van een bloem niet zijn vergroeid apogamie het embryo ontwikkelt zich uit een andere dan de eicel, meestal uit een van de synergiden, opnieuw is hier dan een onderscheid te maken tussen haploïde en diploïde apogamie (cf. parthenogenese)

    apomixis aseksuele vormen van embryo-ontwikkeling, dus : zonder versmelting van gameten

    apopetalie het volledig verdwijnen van een (oorspronkelijk aanwezige) kroon apoptosis de bijzonder sterk georganiseerde celdood zoals die bij de meeste dierlijke cellen wordt waargenomen

    apothecium beker-, nap- of schijfvormige ascokarpen (bv. Peziza, Helotium) waar het hymenium volledig vrij ligt; het omringende weefsel wordt excipulum

    genoemd (Ascomycetes)

    ---arch met --- aantal ontstaanscentra, of met een --- gelegen ontstaancentrum archegoniofoor steelvormig en vertikaal omhooggroeiend deel van het thallus (bij sommige Levermossen), dat de archegonia draagt

    archegonium flesvormig vrouwelijk gametangium (deel van de gametofyt), met de vrouwelijke gameet : de eicel

    archegoniumkamer ruimte tussen het nucellusweefsel en het macroprothalliumweefsel, met zicht op de archegonia

    archespore de cel of verzameling cellen waaruit de sporen (ev. mikro-, makrosporen) zullen ontstaan

     areole kussentje met haartjes en doornen bij Cactaceae, die worden gezien als sterk verkorte en omgevormde zijtakjes van Cactaceae

    arillus vlezige uitgroei van de top van de funiculus (= zaadrok)

    armpalissadeparenchym palissadeparenchymcellen met armvormige instulpingen van de celwand

    articulatie scheidingslijn tussen (bv.) bladsteel en bladschijf, waardoor deze twee tov elkaar kunnen bewegen (= gewricht)

    ascocarp, ascokarp zie : ascoom

    ascogonium eencellige structuur met vrouwelijke kernen, die zullen koppelen met de mannelijke kernen uit de spermatokyste, en dan in de ascogene hyfen

    overgaan (Ascomycetes)

    ascoom 'vruchtlichaam' van een Ascomyceet

    ascus sporokysten met (1-4)-8-(veel) endosporen

    atactostele stele met over de gehele doorsnede van de stengel verspreide gesloten collaterale vaatbundels (meeste Monocotylen)

    atavisme erfelijke terugslag, het opnieuw verschijnen bij een afstammeling van een bepaald kenmerk dat in enkele tussenliggende generaties niet meer aanwezig was atroop ovulum niet gewenteld, rechtopstaand

    autoecie verschijnsel bij parasitaire organismen, waarbij ze hun cyclus kunnen volbrengen op 1 enkele gastheer

    autogeen ontstaan zonder tussenkomst van een externe factor, op eigen kracht autotrofie het organisme leeft met gebruik van enkel anorganische bouwstoffen auxospore sferische spore met ditto kiezelschaal, die na kieming uitgroeit tot een individu met normale, typische vorm en grootte (Diatomeeën)

    axillaire placentatie placentatie op de centrale as van een 2- of meerhokkig ovarium (= centraal-hoekstandig)

    bacteriochlorofyl een vorm van chlorofyl die bij Bacteria wordt aangetroffen (onder diverse varianten)

    ballistochorie verbreiding van de diasporen (meestal zaden) door mechanische middelen ontwikkeld door de plant zelf

    ballistospore aktief weggeslingerde spore (Basidiomycetes)

    basale cel de micropylaire cel na de eerste deling van een zygote

    basale placentatie placentatie aan de basis van het ovarium

    basidioom vruchtlichaam van de meeste Basidiomycetes

    basidium een typische cel waarop 4 exosporen gevormd worden op dunne steeltjes, de sterigmata (Basidiomycetes)

    bastvezel een langgerekte cel van het floëemweefsel waarvan de celwand sterk is verdikt

    bedekte vrucht vrucht uitgegroeid uit een onderstandig vruchtbeginsel, dus bedekt door de bekervormig uitgegroeide én met de vruchtwand vergroeide bloembodem

    bes vlezige vrucht waarbij de zaden in het vruchtvlees liggen, niet omhuld door een hard endokarp

    bicollaterale vaatbundel vaatbundel met centraal xyleem, aan beide zijden omgeven door floëemweefsel (Convolvulaceae, Cucurbitaceae, Solanaceae), ontstaan door de zeer dichte

    nadering van een mergfloëemstreng bij een (gewone) open collaterale vaatbundel

    bifaciaal blad een blad waarvan onder- en bovenzijde (op dwarse doorsnede) niet gelijk zijn aan elkaar

    bijwortel wortel die uit een stengel te voorschijn treedt (= adventiefwortel) bispore ontwikkeling ontwikkeling van de embryozak uit 2 macrosporekernen bitunicate ascus eutunicate ascus met tweelagige wand, meestal met

    strekkingsgroei (Ascomycetes)

    bivalenten de paren van homologe chromosomen

bladbeker een bekervormig uitgegroeid blad (= ascidiaat blad)

    bladdimorfisme het verschijnsel waarbij een plant (loof)bladeren draagt van twee sterk verschillende vormen, overgangsvormen zijn niet aanwezig

    bladkussen een verdikt deel van de bladsteel, dit in staat is om vervormingen uit te voeren, waardoor de bladschijf bewegingen kan tonen (= pulvinus)

    bladvenster de opening in het geleidingsweefsel van de stengel, waar een aftakking (= bladspoor) is gevormd

    brachyblast een tak waarbij de internodia zeer kort blijven, met bladeren zeer dicht opeen geplaatst (= kortlot)

    bracteaat met schutbladeren die sterk zijn verkleind, en vaak vliezig of bruinig, vaak snel verschrompelend

    bractee een blad met een uitgegroeide okselknop (= schutblad)

    bracteole één van de twee steelblaadjes die bij Dicotylen aanwezig zijn op een zijtak (=

    steelblaadje)

    broedknop een knopje dat ontstaat als okselknop of op andere plaatsen, en meteen uitgroeit tot een nieuwe, kleine plant

    buikblaadje een blaadje van een derde rij blaadjes aan de onderzijde van de stengeltjes (bij sommige bebladerde Levermossen) (= amfigaster)

    buurcellen cellen die de twee sluitcellen van een huidmondje omgeven, en verschillend in bouw van de andere epidermiscellen

    callus weefsel gevormd na beschadiging van een orgaan (= wondweefsel) calyptra 1) kapje bovenop het sporekapsel (gevormd uit de uitgegroeide resten van het archegonium) (Mossen) (= huikje)

    2) kapvormige groep cellen rond de worteltop (Vaatplanten) (= wortelkapje) 3) een bij anthesis afvallend kapje van de bloem, gevormd door de congenitaal vergroeide sepalen (en/of petalen) (Bloemplanten)

    cambium een cellaag met meristematische activiteit

    campylotroop ovulum een ovulum met inwendig hoefijzervormig gekromde nucellus, zodat chalaza en micropyle vlakbij elkaar liggen

    capitulum racemeus bloemgestel waarbij op een gemeenschappelijke bloembodem talrijke kleine bloemetjes zitten, samen omgeven door een reeks omwindselbladen (zeer goed ontwikkeld bij de Asterfamilie) (= hoofdje, korfje)

    carotenoïden groepsnaam voor carotenen, gele tot rode, lipofiele kleurstoffen van plantaardige oorsprong, die bij diverse wiergroepen worden omgezet tot xanthofyllen carrageen galactaansulfaat (kenmerkend voor de celwand van Rhodophyta) caruncula een wratvormige uitgroei van de mikropyle bij sommige zaden (= kiemwratje)

    catafyl, katafyl klein, gereduceerd blad, meestal aan de basis van de stengel, of op rizomen (= laagteblad)

    cauliflorie vorming van bloemen en bloemgestellen op oudere, verhoute delen van de plant (= stambloei)

    cefalodium, cephalodium een aantal lichenen met een chlorofyt als fycobiont krijgen soms een soort wratten (of gallen?) (inwendig of uitwendig), waarin een cyanofyt aanwezig is (Lichenes)

    cellulair endosperm (triplosperm) de triploïde kern deelt zich herhaalde malen, maar er

    worden meteen na elke deling celwanden aangelegd (gewone type bij Dicotylen - Asteridae) cellumen (kleine) holte ingenomen door de levende cel, ingesloten door een zeer sterk verdikte celwand

    celmembraan de dunne, levende grenslaag van de protoplast, die instaat voor de uitwisseling met de omliggende cellen

    celplaat een structuur die verschijnt tijdens de late anafase bij de deling van een plantencel, en die de aanzet vormt van de nieuwe celwand; volgt na de vorming van de fragmoplast celspanning de mate waarin een cytoplasma de volledige ruimte binnen een celwand heeft ikngenomen (= turgor)

    centraal-hoekstandige placentatie placentatie op de centrale as van een 2- of meerhokkig ovarium (= axillair)

    centrifugaal ontwikkelend vanuit het centrum naar buiten toe (in bovenzicht), of van boven naar beneden (in zijzicht) (middelpuntvliedend)

    centriole een structuur die als organiserend centrum van een pool van een spoelfiguur optreedt bij een celdeling, en is opgebouwd uit merkwaardig mooi geordende microtubuli centripetaal ontwikkelend van buiten naar het centrum toe (in bovenzicht), of van beneden naar boven (in zijzicht) (= middelpuntzoekend)

    centromeer de vernauwing van een chromosoom, waarop (bij celdeling) de kinetochoren zullen binden, en die op hun beurt zullen binden met de trekdraden van de spoelfiguur chalaza plaats waar de vaatbundel, die de zaadknop van voedsel voorziet, eindigt (meestal uitwaaierend)

    chemotroof als energiebron voor de levensverrichtingen wordt energie uit chemische processen gebruikt

    chiasma het verschijnsel waarbij twee homologe chromosomen tijdens de meiose delen uitwisselen (= crossing-over)

    chlorenchym het (groene) parenchym van een blad tussen en rond de nerven (= bladmoes) choripetalie met vrije kroonbladen

    chromatiden de twee identieke delen van een chromosoom, geassembleerd tijdens de S-

    fase van de celcyclus, en uiteenwijkend tijdens de anafase van de mitose chromatine gedespiraliseerde werkvorm van het DNA; door toenemende spiralisatie en verdichting (ter voorbereiding van een celdeling) wordt het chromatine zichtbaar onder de vorm van chromosomen

    chromatinefibril één van de gecondenseerde vormen tijdens de spiralisatie van de chromatine (zie figuur)

    chromoplast een plastide met pigmenten (andere dan chlorofyl), meestal gele of oranje carotenoïden

    chrysolaminarine reservestof (polysaccharide) (Algae)

    circinnaat overlangs spiralig opgerold (meestal adaxiaal, zelden abaxiaal), zoals bij jonge macrofyllen van varens

    cladodium stengel met afgeplatte, bladachtige vorm, maar zonder vaste vorm of afmetingen cleistogamie bevruchting binnen eenzelfde gesloten bloem

    cleistothecium ? bolvormige, gesloten vruchtlichamen zonder bepaalde

    openingswijze (Ascomycetes)

    ---cole levend op, levend in

    collaterale knoppen horizontale rij knoppen in de oksel van één enkel (schut)blad, kenmerkend voor veel Monocotylen

    collaterale vaatbundel vaatbundel met 1 xyleempakket en 1 floëempakket, xyleem meestal centraal, floëem meestal perifeer,

    * open : met cambiumlaag, typisch voor Dicotylen

    * gesloten : zonder intermediaire cambiumlaag, typisch voor Monocotylen collenchym parenchym, waarbij de (nog levende) cellen ofwel in de hoeken (hoekcollenchym), ofwel op de pericliene wanden (plaatcollenchym) verdikt zijn; meestal net onder de epidermis, geeft stevigheid aan de stengels

    columella 1) de centrale zuil met steriel weefsel in het sporekapsel (Mossen) 2) het centrale deel van de calyptra van de wortel, met statocysten (Bloemplanten) commissurale nerf nerf ter hoogte van de vergroeiingsnaad van twee organen van bladnatuur, zoals bij de petalen van Asteraceae

    concaulescentie vergroeiing van (een deel van) de bloemsteel met de stengel waarop haar axillerende bractee staat

    concentrische vaatbundel vaatbundel met geleidingsweefsel in concentrische vorm, met 1) centraal xyleem, volledig omgeven door floëem (= amficribraal), ofwel 2) net omgekeerd (= amfivasaal)

    connectief (connectivum) centrale deel van een anthera, vaak apicaal wat uitgegroeid, en soms met zeer bijzondere aanhangsels (= helmbindsel)

    contort een type knopdekking, waarbij de randen van de blaadjes elkaar regelmatig en in dezelfde zin dakpansgewijs bedekken (= gedraaid)

    contractiele wortels bijwortels op bv. een bol, die deze bol dieper in de grond trekken door verkorten en verbreden van deze wortels (= trekwortels)

    convolutief een bepaalde manier van compacteren van een blad in de knop (= opgerold) (zie figuur)

    cormus 1) plantenlichaam, gedifferentieerd in drie fundamentele delen, wortel-stengel-blad (vandaar : Cormophyta)

    2) sterk opgezwollen verticaal rizoom met korte internodia (bv. Taro, Colocasia esculenta) 3) knolvormig opgezwollen basaal stengeldeel, waarop de bladeren rozetvormig staan ingeplant (bv. Herfsttijloos, Colchicum, en Tuberoos, Polianthes tuberosa) corrugaat een bepaalde manier van compacteren van een blad in knoptoestand (= verfrommeld) (zie figuur)

    cortex parenchymatische laag tussen epidermis en centrale cylinder (= schorsparenchym, een te vermijden term !)

    corymbus bloemgestel, structureel gelijk aan een pluim, maar waarbij de internodia van de hoofdas eerder kort blijven, en de laagste internodia van de laagste zijtakken eerder lang uitgroeien, waardoor alle bloemen ongeveer in één vlak komen te liggen, met als bekend

    voorbeeld de Vlier (= tuil)

    cotyl bladachtig orgaan van het embryo, aanwezig in het zaad (bij Dicotylen wellicht een orgaan "sui generis")

    crassinucellaat met een dikke nucellus

    cribrale elementen = floëem

    crista (mv. cristae) letterlijk = kam(men), gebruikt o.a. voor de instulpingen van het binnenste membraan in een mitochondrium

    cruciate tetrade met 4 cellen gerangschikt op de toppen van een vlak kruis (pollenkorrels) cryptocotylair kieming waarbij de cotylen verborgen blijven binnen in de blijvende zaadhuid en ev. vruchtwand

    cryptopore stomata diep ingezonken stomata, half-verborgen door cuticula-kammen, zoals bij veel xeromorfe planten

    cupula bekervormige structuur die elke cyme omgeeft in het katje van Fagaceae (Beukenfamilie), bij rijpheid uitgegroeid tot een bolster (letterlijk : bekertje) cuticula niet-cellulair laagje op de buitenzijde van de epidermis, met een complexe, meerlagige structuur, afgescheiden vanuit de epidermis

    cyathium een bijzonder type van schijnbloem (pseudanthium) bij Wolfsmelk, opgebouwd uit een centrale en eindstandige vrouwelijke topbloem, omgeven door 5 bracteeën, die elk een

schicht van sterk gereduceerde mannelijke bloemetjes dragen

    cyme basispatroon van een dichasium, opgebouwd uit een (relatief !) terminale bloem, met op haar bloemsteel twee steelblaadjes (bracteolae); de okselknoppen van deze twee steelblaadjes (alfa & beta) groeien uit tot twee bloemstelen met elk hun (laterale) bloem cystolieten steenvormige aggregaten, gevormd in de vacuole van een cel

    cytoplasma protoplasma zonder de kern

    cytosine een van de 4 "organische basen" die de basis vormen van de genetische code cytoskelet het inwendig "skelet" van een cel, opgebouwd uit microfibrillen en microfilamenten

    decussaat een bepaalde bladstand, namelijk : kruisgewijs tegenoverstaand (bij fyllotaxis) deelblaadje één van de onderdelen van een samengesteld blad, dus met laterale

    deelblaadjes en een terminaal deelblaadje

    dekschub onderdeel van de kegel bij Gymnospermae, nl. schub van bladnatuur, die axillair een zaadschub draagt, en er vaak sterk mee is vergroeid

    diarch met twee ontstaanscentra

    diaspore functionele verspreidingseenheid, aseksueel (bol, knol, fragment, ...) of seksueel (zaad, vrucht, enkele vruchten samen, of delen van planten, ...)

    dichasium bloemgestel met een (relatief) terminale bloem, waarvan de bloemsteel twee bracteolae (= steelblaadjes) draagt; de okselknoppen van deze steelblaadjes groeien uit tot een (relatieve) zijtak met hun eigen (relatieve) topbloem, op een bloemsteel die ook weer twee steelblaadjes draagt, waarvan de okselknoppen opnieuw kunnen uitlopen tot een zijtakje, etc. : dit herhalende patroon wordt aangeduid als een dichasium dichotome vertakking vertakking waarbij het topmeristeem of de topcel zich in twee gelijke delen splitst, met vorming van twee (oorspronkelijk) gelijkwaardige takken dictyostele stele met sterk netvormig vervlochten & talrijke vaatbundels differentiatie proces van specialisatie, waarbij de cel uit de celcyclus treedt, in de G0-fase diffuus centromeer situatie bij een chromosoom waarbij de aanhechtingsplaats van het kinetochoor niet strikt is gelokaliseerd, over de gehele lengte van het chromosoom kunnen de spoeldraden zich vasthechten

    digenetisch generatiewisseling van gametofyt en sporofyt

    dikaryofase levensfase waarbij per (hyfe)cel twee haploïde kernen per cel aanwezig zijn

    dioecie mannelijke en vrouwelijke bloemen gescheiden, op twee verschillende planten (= tweehuizigheid)

    diploïd toestand van een cel, waarbij twee homologe sets chromosomen aanwezig zijn in de kern, elke set van één van de ouders

    diplont organisme met dominerende diploïde levensfase

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com