DOC

Algemene Psychologie

By Pedro Robertson,2014-06-02 23:51
5 views 0
Algemene Psychologie

    Algemene Psychologie

Hoofdstuk1

1.1 Definitie van Psychologie

    ; Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij die

    gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan dat gedrag

    ten grondslag liggen.

    ; Door systematische observatie van meetbare kenmerken inzicht krijgen in processen die

    niet rechtstreeks te observeren vallen.

    ; Vroeger: ziel was niet verbonden met de rest van de wereld en dus niet onderworpen aan

    aardse wetmatigheden. -> geen plaats voor wetenschappelijke studie van gedrag!

1.2 Ontwikkelingen in de Psychologie

    1.2.1 Filosofie

    ; Copernicus: Plaats in universum. Planeten rond de zon draaien ipv omgekeerd. Mensen

    onderworpen aan natuurwetten. -> wetenschappelijke studie van gedrag mogelijk!

    ; Decrates: rationalisme, nativisme.

    o Dualisme van Plato:

    ; lichaam bestaat uit 2 onafhankelijke elementen:

    ; Lichaam: omhulsel.

    ; Geest: lichaam geen invloed op geest.

    o Twee principes:

    ; Rationalisme: waarheid achterhalen door rede, niet nadenken.

    ; Nativisme: aangeboren kennis kon de waarheid achterhalen.

    o Mechanische visie:

    ; Wereld = complexe machine onder invloed van wiskunde wetten.

    ; Menselijke lichaam = onderdeel machine.-> onderworpen aan natuurwet!

    ; Wetenschappelijke studie van gedrag mogelijk zonder afbreuk te doen

    aan de geest, dankzij dualisme.

    o Overgang van religieus naar wetenschappelijk wereldbeeld.

    ; Empiristen: Zintuiglijke ervaringen & associaties van ideeën

    o Tegen rationalisme (decrates)

    o Empirisme: Inhoud geest komt door zintuiglijke ervaringen. (Hobbes, locke)

    o Locke: werking menselijke geest <-> decrates: de waarheid.

    o Tabula rasa: schone lei waarop alle nieuwe ervaringen komen. (aristoteles)

    o Associationisme: Hogere-ordekennis door combinatie van eenvoudige dingen.

    ; Als 2 dingen tegelijk ervaren worden dan hebben ze kans om mentaal

    met elkaar geassocieerd te worden.

    ; Associaties door gelijkenis en samen voorkomen in tijd of ruimte.

1.2.2 Darwin

    ; Evolutietheorie van Darwin: Mensen geëvolueerd uit dieren. -> gedrag bestuderen zoals

    dat van de dieren.

    Mentale chronometrie: Hoeveel mentale processen er nodig zijn voor het uitvoeren van een taak en hoe moeilijk deze processen zijn door te kijken naar de snelheid van uitvoeren.

     1

    1.3 Beginjaren: onderzoeksscholen 1880-1930

    1.3.1 Structuralisme

    ; Startpunt psychologie: 1879. Wilhelm Wundt richtte het eerste psychologische labo op in

    Leipzig.

    ; Introspectie: kijken naar het eigen bewustzijn van binnenuit. ; Structuralisme: via introspectie de structuur van het bewustzijn ontdekken. Elk complex

    proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire componenten:

    o Sensaties: Zintuiglijke prikkels

    o Beelden: Herinneringen

    o Gevoelens: Emoties

    ; Weinig praktisch nut.

    ; Onbetrouwbaar.

    1.3.2 Gestaltpsychologie

    ; Reactie tegen het Structuralisme.

    ; Waarneming is in gehelen (gestalten) en niet in onafhankelijke sensaties. ; Opgericht door:

    o Wertheimer

    o Kohler

    o Koffka

    1.3.3 Functionalisme

    ; Nut van bewustzijn onderzoeken ipv structuur (structuralisme). ; Sterke invloed door evolutietheorie van Darwin.

    o Sommige overtuigingen hadden beter overlevingskans.

    ; Functionalisme:

    o grotere interesse voor individuele verschillen tussen mensen.

    o verschillen tussen mensen en dieren.

    ; Belangrijke figuur:

    o Dewey

    o James

    1.3.4 Behaviorisme

    ; Wetenschap van gedrag.

    ; Behaviorisme: enkel bij observeerbaar/meetbaar gedrag kan men onderzoek verrichten en

    theorieën vormen.

    ; Weinig nut in studie van geest, mentale processen, bewuste ervaring. ; Verwerping structuralisme, verradicalisering functionalisme. ; Logisch positivisme:

    o Wetenschap = meest succesvolle manier om de wereld te begrijpen en kennis te

    genereren.

    o 3 grote ideeën behavioristen:

    ; Operationele definitie: theorieën baseren op directe observaties die door

    anderen herhaald kunnen worden. Concepten definiëren in termen van

    meetprocessen.

    ; Onderscheid tussen OV en AV. Behaviorisme = studie van de invloed van

    de stimulus. S-R-psychologie: stimulus lokt respons uit.

    ; Beschrijven van een relatie tussen OV en AV in de vorm van een wet. ; Belangrijke figuur:

    o Watson

    o Skinner

    Homunculus: Geest in de machine

    Inprenting: vroege, snelle neiging om een bewegend voorwerp te volgen.

     2

1.3.5 Psychoanalyse

    ; bewustzijn & gedrag zijn oppervlakkige fenomenen waarvan de ware oorsprong van het

    ontstaan van persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen lag bij onbewuste

    krachten.

    ; Helpen van mensen door onbewuste conflicten via vrije associatie en droominterpretatie.

    ; Theorie is niet empirisch getoetst.

    ; Belangrijke figuur:

    o Freud

1.4 Hedendaagse Psychologie

    1.4.1 Hedendaags

    ; Cognitieve psychologie: om menselijk gedrag te begrijpen heb je informatieverwerkende

    (cognitieve) processen die zich afspelen in de hersenen nodig.

    ; 3 grote principes:

    o Biologisch aspect

    o Cognitieve aspect

    o Sociaal-cultureel aspect

1.4.2 Biologisch aspect

    ; Biologie speelt op vier manieren een rol:

    o Gedrag verloopt via het centrale zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen en het

    ruggenmerg.

    o Genen bepalen de lichamelijke kenmerken, intelligentie, persoonlijkheid,

    problemen,…

    o Evolutie, via de wet van de sterkste. Natuurlijke selectie. Genetische

    eigenschappen hebben een invloed op gedrag.

    o Processen binnenin het lichaam. (hormonen)

    ; Toename van belang van bio in de psychologie vanaf 1990, toename van apparaten die

    hersenactiviteit konden meten.

    ; Cognitieve neurowetenschap: combinatie van psychologie en neurobiologisch onderzoek.

1.4.3 Cognitieve processen

    ; Mensen leren constant. -> Probleem voor behavioristen.

    ; Ontstaan van cognitieve processen: mensen en dieren leren bepaalde handelingen uit te

    voeren omdat ze hun kennis gebruiken om tot een bevredigend resultaat te bekomen.

1.4.4 Sociaal-cultureel

    ; Hofstede maakt vier dimensies waarop culturen verschillen.

    o Individualisme vs. Collectivisme: klemtoon op individu of groep.

    o Afstand op basis van macht: statusverschillen in de maatschappij.

    o Vermeiding van onzekerheid: rituelen en instituten om dit te vermeiden.

    o Masculiniteit: rolverdeling tussen mannen en vrouwen.

    ; Probleem:

    o Ergfelijkheid-milieudebat / nature-nurturedebat: in dit debat probeert men te

    achterhalen hoeveel verschillen tussen mensen aangeboren is en hoeveel

    verschillen door ervaring opgedaan wordt.

    o Oplossen door tweelingonderzoek: genetisch identiek!

Veldexperiment: onderzoek in een natuurlijke situatie.

     3

    1.5 Onderzoeksmethoden

    1.5.1 Inleiding

    ; wetenschappelijk onderzoek: nauwkeurige observatie en beschrijving van het

    onderzoeksonderwerp.

    ; Beginpunt psychologisch onderzoek: objectieve registratie van de feiten, uitgevoerd op

    een manier die nauwkeurig beschreven wordt, zodat een andere wetenschapper dit op

    dezelfde manier kan herhalen (replicatie).

    ; Theorie: samenhangend geheel van ideeën dat gebruikt wordt om een fenomeen te

    verklaren.

    ; Literatuurstudie: kijken wat al bekend is over deze theorie.

    1.5.2 Beschrijvend onderzoek

    ; vormen van Beschrijvend onderzoek:

    o Naturalistische observatie: gedrag wordt systematisch geobserveerd in een

    natuurlijke context.

    ; Reactieve gedragingen: aanwezigheid onderzoeker heeft een invloed op

    het geobserveerde gedrag.

    o Vragenlijst: een reeks vragen die de ondervraagden beantwoorden, zonder

    onderzoeker.

    o Interview:

    ; Gestructureerd: vaste lijst vragen in een bepaalde volgorde.

    ; Ongestructureerd: vragen liggen niet vast. Inhaken op het antwoord.

    ; Sociale wenselijkheid: de neiging om op vragen te reageren die

    maatschappelijk gewaardeerd wordt.

    o Opiniepeiling: inventaris van opinies bij een representatieve steekproef.

    o Psychologische tests: tests voor het meten van vaardigheden en eigenschappen.

    ; Gestandaardiseerde tests: procedure voor het meten van vaardigheden

    die aan een vooronderzoek onderworpen zijn.

    o Archiefdata: gepubliceerde onderzoeken samenvoegen.

    o Gevalstudie: gedetailleerd onderzoek over een persoon of een gebeurtenis.

    1.5.3 Correlatieonderzoek

    ; Variabele: elk kenmerk dat kan veranderen en dat gemeten kan worden. ; Correlatie: de mate waarin twee variabelen met elkaar samenhangen. De mate waarin

    een wijziging in de ene variabele samenhangt met een wijziging in de andere en visa

    versa.

    ; Correlatiecoëfficiënt: getal tussen +1 en -1. Drukt het verband uit van de correlatie.

    o Positief verband: als variabele 1 stijgt, stijgt variabele 2 ook.

    o Negatief verband: als variabele 1 daalt, stijgt variabele 2. ; Men kan geen voorspellingen doen adhv correlatieonderzoek.

    1.5.4 Experimenteel onderzoek

    ; experimenteel onderzoek: manipuleren van één of meer variabelen en kijken of dit effect

    heeft op een andere variabele.

    ; 1. Eerst een theorie opstellen.

    ; 2. Dan een hypothese opstellen:

    o Een voorspelling op basis van een theorie die in een proef getoetst wordt. ; 3. hypothese in een experiment brengen.

    o OV: de gemanipuleerde variabele.

    o AV: de variabele die gemeten wordt.

    o Controle Variabele: deze worden constant gehouden.

    ; 4. operationaliseren van variabelen: AV en OV omzetten naar concrete, meetbare

    handelingen.

    ; 5. Data verzamelen en analyseren: testen van de proefpersonen. ; 6. hypothese evalueren: bevestigen of weerleggen van hypothese.

     4

1.5.5 Convergerende Evidentie

    ; interne validiteit: de conclusies over de oorzaak/gevolg-relaties tussen de variabelen zijn

    gerechtvaardigd.

    o Verandering in de AV is te wijten aan manipulatie van de OV.

    ; Externe validiteit: Veralgemeenbaarheid van de onderzoeksresultaten buiten de

    onderzoekssetting.

    o Veralgemenen naar populaties zonder biases tegen te komen.

1.5.6 Ethiek

    ; gebruik van mensen:

    o Voor de proef:

    ; toestemming geven van medewerking.

    ; Informed consent: informatie over het onderzoek.

    o Na de proef:

    ; Debriefing: inlichting over het doel.

    ; Gebruik van dieren:

    o Ook ethische normen ivm onderzoek op dieren.

Hoofdstuk3

3.1 gewaarwording en waarneming

    3.1.1 Inleiding

    ; gewaarwording: opname van stimuli die vertaald als neuronaal signaal naar de hersenen

    verstuurd wordt en daar omgezet wordt in beelden, klanken, geuren, smaken, ….

    ; Waarneming: organiseren, interpreteren en begrijpen van de gewaarwording.

3.2 Gezichtsvermogen

    3.2.1 Fysica

    ; licht: elektromagnetische straling, in de vorm van trillingen.

    ; golflengte: de afstand tussen 2 pieken.

    ; Zichtbaar licht: tussen 400 en 700 nm = het zichtbaar spectrum.

    ; Lichtintensiteit: hoeveel fotonen per tijdseenheid een oppervlak bereiken.

    ; Refractie: Als fotonen een oppervlak raken wordt de lichtgolf gebroken en veranderd deze

    van richting.

3.2.2 Oog en gezichtsbanen

    ; Lichtstralen focussen op de retina. Route van stimulus naar retina:

    o Lichtgolf door cornea (hoornvlies).

    ; Transparant buitengedeelte aan de voorkant van het oog.

    o Lichtgolf door kamervocht en pupil.

    ; De opening in de iris.

    ; Gepigmenteerde structuur in de ogen.

    ; Pupil in het donker groot, in helder licht klein.

    o Lichtgolf door de lens

    ; Lens is elastisch en wordt geregeld door de ciliaire spieren. Deze zorgen

    voor accommodatie.

    ; Bolle lens: dichtbij

    ; Platte lens: veraf

    ; Beeld is omgekeerd en wordt gecorrigeerd door de hersenen.

    ; Kegeltjes en staafjes activeren retina.

    o Retina: dun weefsel aan de achterkant van het oog en bevat lichtgevoelige

    receptoren.

    o Transductie: proces waarbij receptorcel fysische energie omgezet wordt in

    elektrische signalen. Bij het zicht:

    ; Omzetten van lichtenergie in zenuwimpulsen.

    o Kegeltjes: perceptie van kleur. Bevinden zich in de fovea.

    ; Centrale gedeelte van de retina.

     5

    o Staafjes: lichtintensiteit en beweging. Afwezig in de fovea, rond de fovea. ; Ogen naar hersenen.

    o Retina bestaat uit 3 lagen:

    ; Visuele receptoren:

    ; Kegeltjes en staafjes.

    ; Horizontale cellen:

    ; Bipolaire en amacriene vellen.

    ; Ganglioncellen:

    ; signaal gecomprimeerd.

    ; Axonen vormen de oogzenuw

    ; Blinde vlek: deel van het visuele veld dat niet waargenomen

    wordt.

    o Hersenen werken het beeld bij met ontbrekende informatie.

    o Primaire visuele cortex: lob aan de achterkant van de hersenen

    o Gezichtsbanen splitsen in het chiasma opticum.

    o Geheugen voor gezichten wordt bepaald door deel van gezicht dat we in het

    linkse gezichtsveld zien.

    ; Scherp zien.

    o Probleem: de cornea en de lens focussen het beeld op een verkeerd brandpunt.

    ; Brandpunt voor de retina: bijziendheid of myopie -> slecht ver kijken.

    ; Brandpunt achter de retina: verziend of hypermetropie -> slecht dicht.

    ; Presbyopie: binnenste lens wordt hard door ouderdom.

    ; Astigmatisme: cornea niet perfect bolvormig.

    o Intensiteit bepaald: helderheid.

    o Golflengte bepaald: kleur.

    3.2.3 Helderheid en lichtheidperceptie

    ; staafjes worden acties bij zwak licht.

    ; Kegeltjes worden actief bij sterk licht.

    ; Licht- en duisternisadaptie: aanpassing van de ogen.

    ; Lichtheid wordt bepaald door de relatieve helderheid van een voorwerp ten opzichte van

    de omringende voorwerpen.

    ; Gelijktijdig contrast: gepercipieerde lichtheid hangt af van de helderheid van de

    omringende voorwerpen.

    ; Lichtheidconstantie: lichtheid van een voorwerp blijft gelijk onder verschillende

    belichtingen.

    3.2.4 Kleurperceptie

    ; 3 types kegeltjes:

    o Groen

    o Rood

    o Blauw

    o De golflengte bepaald de tint.

    o Trichromatische theorie: alle kleuren komen tot stand door de mening van 3

    primaire kleuren.

    o Kegeltjes reageren op een korte, midden of lange golflengte. ; Complementaire kleuren:

    o Rood / groen

    o Blauw / geel

    o Wit / zwart

    ; Kleurconstantie en contrast.

    o Het streven om kleuren als gelijk te blijven zien ondanks verschillen in belichting. ; Additieve en subtractieve kleurenmenging:

    o Licht = Additieve kleurenmenging: golflengten van 2 lichten samenvoegen.

    o Kleur = Subtractieve kleurenmenging: samenvoegen van kleur zorgt voor minder

    golflengten op de retina.

     6

    ; verzadiging: hoeveelheid achromatisch licht bij chromatisch licht. Achromatisch licht

    verkrijg je wanneer alle intensiteiten van de 3 kleuren dezelfde is. ; Kleurendeficientie: niet functioneren van rood- groengevoelige kegeltjes.

    o Oorsprong: recessief gen op het X-chromosoom.

    3.3 Gehoor

    3.3.1 Fysica

    ; Geluid is het gevolg van trilling.

    ; Zuivere toon: sinusgolf

    ; Amplitude: verschil tussen hoogte en diepte van de golf.

    ; Frequentie: aantal cycli die de golf doorloopt in één tijdseenheid. (hertz) ; Toonhoogte: 20 20.000Hz

    3.3.2 Oor

    ; 3 grote delen:

    o Buitenoor: oorschelp en gehoorgang

    o Middenoor

    o Binnenoor

    ; 1. De oorschelp vangt geluiden op en leidt ze naar de gehoorgang waar de golven tegen

    het trommelvlies botsen en dit doen trillen.

    ; Trommelvlies is de ingang voor het middenoor en staat in verbinding met 3 beentjes:

    o Hamer

    o Aambeeld

    o Stijgbeugel

    ; 2. Wanneer het trommelvlies in beweging wordt gezet dan bewegen de gehoorsbeentjes. ; 3. Daardoor ontstaat vibratie van de voet van de stijgbeugel tegen het ovale venster

    (opening in het slakkenhuis).

    ; 4. Ovale venster heeft een vlies waardoor het kloppen van de stijfbeugel drukgolven

    veroorzaakt die de vloeistof in het slakkenhuis laat bewegen.

    ; 5. In de vloeistof van het slakkenhuis zitten basilaire membranen. Hier staan haarcellen

    op.

    ; 6. De haarcellen worden plat gedrukt door de trilling van de vloeistof. ; 7. Dit wordt omgezet in een neuronale impuls die langs de gehoorszenuw naar de

    hersenen gaat.

    ; 8. De signalen komen aan in de primaire auditieve cortex.

    3.3.3 Toonsterkte, toonhoogte, klankkleur

    ; toonsterke wordt bepaald door de amplitude

    ; gewaarwording toonhoogte gebaseerd op 2 manieren.

    o Tonen met een hoge frequentie produceren golven die een minder grote afstand

    afleggen en waarvan hun piek dichter bij het ovale venster ligt.

    o Haarcellen vuren met een snelheid ongeveer gelijk aan de frequentie van de toon.

    ; Zenuwcellen kunnen niet sneller dan 1000 per seconde vuren.

    ; Salvoprincipe: groepen cellen wisselen elkaar af.

    3.3.4 auditieve lokalisatie

    ; bepalen van waar het geluid komt.

    o Geluid van rechts komt eerder in het rechteroor dan in het linkeroor.

    o Hersenen berekenen dit verschil.

    3.3.5 Gehoorverlies

    ; conductiedoofheid: door ouder worden. Gehoorsbeentjes worden stugger. ; Tijdelijke drempelverschuiving: na luide klanken, zwakke klanken niet waarneembaar. ; Sensorineurale doofheid: middenoor functioneert niet goed. Schade in haarcellen.

     7

3.4 Reukzin

    3.4.1 inleiding

    ; Elke molecule die de neus binnengaat past maar op één soort receptor.

    ; 1. Receptoren worden geactiveerd

    ; 2. Boodschapper wordt verzonden naar Bulbus olfactorius.

    ; 3. Signaal gaat naar corticale centra.

    ; 4. Neuronale signalen worden geïnterpreteerd als geuren.

    ; Geuradaptie: Reuksysteem past zich snel aan aan een blijvende stimulus.

3.4.2 Feromonen

    ; het paargedrag van dieren wordt beïnvloed door geuren. Geuren zijn er om de juiste

    partner aan te trekken.

    ; Bij mensen ook.

3.5 smaakzin

    3.5.1 inleiding

    ; 5 verschillende smaken:

    o Zout

    o Zuur

    o Zoet

    o Bitter

    o Umami: zeewier, vleessaus, gebakken champignons

    ; Smaak zit vooral op de tong, het gehemelte en de keelholte.

3.5.2 Smaakvoorkeuren

    ; zoet boven bitter:

    o zoet: bevat suiker

    o bitter: is misschien giftig

3.6 tastzin

    3.6.1 druk en temperatuur

    ; tastzin registreert drukveranderingen op de huid.

    ; Belangrijk voor 3 redenen:

    o Op basis van tast voorwerpen herkennen.

    o Aanraking belangrijk voor sociale relaties.

    o Bij manipulatie geeft het feedback over hoeveel druk we mogen uitvoeren.

    ; 4 soorten receptoren:

    o Snelle veranderingen op precieze plaats.

    o Langdurige veranderingen op specifieke plaats.

    o Snelle veranderingen over grote oppervlakten.

    o Langdurige veranderingen over grote oppervlakten.

    ; Afzonderlijke receptoren voor warm en koud.

3.6.2 Pijn

    ; vrije zenuwuiteinden: receptoren verantwoordelijk voor pijn.

    ; Zenuwbundels brengen informatie over weefselbeschadiging naar het ruggenmerg.

    ; Er zijn 2 soorten:

    o Snel signalen doorsturen en goede lokalisatie: schade beperken.

    o Traag en diffuus signaal

    ; Verdere verklaring pijn:

    o Soms geen pijn, zelf na ernstige verwonding.

    o Pijnervaring verminderen door aangename stimuli.

    o Genezen wonde kan aanleiding geven tot pijn.

    o Fantoompijn: pijn in lichaamsdeel dat er niet meer is.

    ; Poortcontroletheorie: pijnervaring en pijnmodulatie is belangrijk. Pijnervaring is

    noodzakelijk voor ons de behoeden. Maar men moet proberen de pijn te onderdrukken.

    ; Endorfine: stoffen in het lichaam die pijnstillers creëren

     8

3.7 Kinesthesie

    3.7.1 inleiding

    ; Kinesthesie informeert ons over de positie en de bewegingen van onze ledenmaten.

    ; Evenwichtsgevoel: stelt ons in staat om in balans te blijven.

    o Evenwichtsorganen liggen in het binnenoor.

3.8 Psychofysica

    3.8.1 absolute drempel

    ; psychofysica houdt zich bezig met het bestuderen van de gevoeligheid van de zintuigen.

    ; Absolute drempel: de laagste waarde van een stimuli die een persoon kan detecteren.

    o Wordt gedefinieerd als de stimulusintensiteit in 50% van de gevallen tot ‘ja’ leidt.

3.8.2 differentiële drempel en wet van weber

    ; differentiële drempel: kleinste waardeverschil dat er moet zijn tussen twee prikkels zodat

    men de twee prikkels kan onderscheiden.

    ; De wet van weber: de differentiële drempel voor een stimulusintensiteit is een bepaald

    percentage van die intensiteit.

    ; Weberfractie: de verhouding tussen de differentiële drempel en de beginintensiteit.

    o Hoe kleiner de weberfractie, hoe gevoeliger het zintuig.

Hoofdstuk4

4.1 Gewaarwording en waarneming

    4.1.1 waarneming

    ; visuele agnosie: niets herkennen of kennen van voorwerpen die je waarneemt.

    ; Visueel signaal is beperkt en verandert voortdurend:

    o Signaal dat in de hersenen komt is onvolledig. Door o.a.:

    ; Blinde vlek

    ; Oogbeweging

    ; Knipperen

    o Alleen het deel dat op de fovea valt bevat voldoende info om gedetailleerd waar

    te nemen

    o Beelden op de retina zijn plat. We moeten een driedimensionale voorstelling

    maken.

    o Het binnenkomende signaal van een voorwerp veranderd voortdurend.

    ; Perceptuele constantie: gelijkblijvende voorwerpen ondanks voortdurende veranderingen

    in het retinale beeld.

    ; Proximale stimulus: geheel aan fysische energie dat onze receptoren stimuleert.

    ; Distale stimulus: het voorwerp in de buitenwereld dat fysische energie produceert.

    ; Waarneming als heuristisch interpretatieproces: het visuele systeem vormt de proximale

    stimulus om tot een distale stimulus door gebruik te maken van voor de hand liggende

    aannames van de omgeving.

4.1.2 illusies

    ; visuele illusies: gevallen van verkeerde perceptie.

    ; Raster van Herman:

    o Denkbeeldige grijze vlekken.

    o Laterale inhibitie: ganglioncellen onderdrukken de activiteit van omringende

    ganglioncellen als ze zelf heel actief zijn.

    o Hersenen interpreteren de geïnhibeerde cellen als minder helder licht.

    o Intersecties worden meer geïnhibeerd.

    ; Bottum-up processen: informatiestroom van de receptoren naar de hersencentra. Die

    verantwoordelijk zijn voor het herkennen en classificeren van voorwerpen.

    ; Top-down processen: informatiestroom van kenniscentra naar de vroegere stadia van

    verwerking.

     9

    4.2 bottum-up

    4.2.1 inleiding

    ; begint bij de receptoren onderaan en zoekt zijn weg naar de hersencentra aan de top. ; structureren receptorsignalen:

    o primaire schets

    o perceptuele organisatie

    o patroon- en objectherkenning

    4.2.2 Primaire schets

    ; Primaire schets:

    o inputsignalen worden vereenvoudigd.

    o randen van de vorm zijn belangrijk.

    o op zoek gaan naar plaatsen met abrupte overgang in helderheid.

    4.2.3 Perceptuele organisatie

    ; perceptuele organisatie: het proces waarbij de verschillende randen uit het retinale beeld

    gestructureerd worden in grotere gehelen.

    o Perceptuele groepering: processen die ervoor zorgen dat elementen uit de

    primaire schets waargenomen worden als bij elkaar horend.

    ; Gelijkheid

    ; Nabijheid

    ; Geslotenheid

    ; Goede voortzetting

    ; Groeperingprincipes beschreven door gestaltpsychologen.

    ; helpen om de alledaagse visuele perceptie te begrijpen.

    o Figuur-achtergrondscheiding: noodzakelijk om onderscheid te maken tussen

    figuur en achtergrond.

    ; de figuur wordt gezien als een voorwerp dat dichter bij de kijker staat en

    begrensd is door een contour.

    ; Omsingeling

    ; Grootte

    ; Symmetrie

    ; Locatie

    ; Textuur

    ; Vorm

    ; Vertrouwdheid

    4.2.4 Patroon- en objectherkenning

    ; patroonherkenning: om een object te herkennen moet het beeld aan een voorstelling in

    het geheugen gekoppeld worden.

    o Template matching: templates worden vergeleken met de figuur. Als de template

    voldoende overeenstemt met de figuur dan wordt het voorwerp herkend.

    ; Templates zijn voorstellingen van voorwerpen die in het geheugen

    opgeslagen zijn.

    ; Beperking:

    ; klein deel slechts waarneembaar van de figuur

    ; uiterlijk kan variëren

    o kenmerkenherkenning: ons visuele systeem kan voorwerpen herkennen op basis

    van karakteristieke kenmerken.

    o Voorwerpen kunnen beschreven worden adhv 36 basisvormen: geons

     10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com