DOC

Mensen zieke dieren

By Sue Sanders,2014-06-23 08:07
8 views 0
Mensen zieke dieren

Mensen: zieke dieren?

    Frans Jacobs

    De Maand van de Filosofie is dit jaar gewijd aan het Redelijke Beest. Dat getuigt eigenlijk van een heel traditionele benadering van de mens, die we allemaal kunnen terugvoeren tot Aristoteles. De vraag is dan wel waarom niet is gekozen voor de al even traditionele benaming het Redelijke Dier. Dat ‘Beest’ suggereert een zekere wildheid en ongetemdheid, die ontbreken aan het veel neutraler ‘Dier’. Alsof de bedenkers een interne spanning wilden inbouwen in de mens: op basis van een irrationele en zelfs wilde natuur heeft zich bij de mens met veel kunst en vliegwerk een zekere redelijkheid ontwikkeld, een laagje beschaving op een enorme stapel wilde driften. Het Redelijke Dier roept heel andere associaties op, die van een opgaande lijn in de ontwikkeling van wezens: eerst de levenloze natuur, dan levende wezens met een steeds grotere complexiteit, en als kroon op dat alles verheft zich daar de mens, met zijn redelijkheid en zijn zedelijkheid. Ik kan me voorstellen dat de organisatoren van de Maand van de Filosofie deze hoogverheven associaties hebben willen uitsluiten. Het geloof in de Rede is geen dominant cultuurgoed meer; we hebben allemaal de invloed ondergaan van de bekende Meesters van het Wantrouwen: Marx, Nietzsche, Freud, aan welk drietal ik geneigd ben Darwin toe te voegen, zeker nu we het hebben over het redelijke beest. Dat in het jaar van het Redelijke Beest de Socrates Wisselbeker is gewonnen door een boek over het darwinisme en over de invloed daarvan op ons wereldbeeld, is mooi meegenomen.

    Niet het Redelijke Dier dus, maar het minder verheven Redelijke Beest. Maar waarom niet nog een stapje verder en de mens beschrijven als een nog minder verheven Ziek Dier? Deze benaming komt voor bij zulke uiteenlopende filosofen als Nietzsche en Scheler, en, gelet op de inhoud van hun denken, had ze ook gebezigd kunnen worden door de al even uiteenlopende filosofen Rousseau en Schopenhauer (ik heb er naarstig naar gezocht, maar heb het Animal Malade

    en het Krankes Tier bij hen helaas niet aangetroffen, maar de zoektocht gaat voort). Ziek Dier onderscheidt zich van Redelijk Beest doordat de mens niet meer als verheven boven de dieren wordt beschreven, in welke geringe mate ook, maar als minderwaardig aan de dieren, die een gezondheid uitstralen waaraan de mens niet kan tippen. Wat zit hier achter? Hoe komt iemand op zulk een gedachte?

    Een verwijzing naar Schopenhauers denken kan wellicht verhelderend zijn.

1. Schopenhauer

    In een bepaald opzicht is Schopenhauer een heel traditionele filosoof, die de kern van de redelijkheid van de mens zoekt in zijn vermogen om algemene begrippen te vormen, die het mogelijk maken om voorstellingen die zich verliezen in de onbeperktheid van ruimte en tijd, samen te ballen in een geconcentreerde voorstelling van oneindig vele voorstellingen. Wie beschikt over het begrip ‘mens’ staat niet meer verwilderd tegenover een eindeloze reeks mensachtige voorstellingen, maar heeft die allemaal samengebracht in een door hemzelf geconstrueerd begrip dat hem dan ook voorziet van een greep op die verwarrende veelheid van voorstellingen. Zo iemand is ertoe in staat om algemene oordelen te formuleren als ‘De mens is een redelijk dier’, waarbij hij oordeelkundig een bepaalde menselijke eigenschap aanmerkt als de belangrijkste van allemaal.

    Dat de mens volgens Schopenhauer een redelijk dier is, verheft hem dus in zekere mate boven het dier, dat slechts beschikt over voorstellingen zonder begrippen, maar in een ander opzicht delen mens en dier dezelfde substantie, ze zijn nl. allebei veruitwendigingen van de Wil, van een anonieme oerkracht die diep in hen werkzaam is. In de sfeer van ruimte en tijd gaan al die representanten van de Wil onderling een strijd aan, denk aan de voortdurende strijd tussen prooidieren en hun prooi, een strijd die levende wezens uiteindelijk allemaal verliezen, doordat ze doodgaan. De mens kan die strijd veel efficiënter voeren dan dieren, precies door zijn beschikking over algemene begrippen, die het ook mogelijk maken dat hij op grond van ervaringen uit het verleden plannen ontwerpt voor de toekomst. Daarmee kan hij zijn vijanden en zijn rivalen veel beter het hoofd bieden.

    Maar juist datgene wat de mens in de strijd om het bestaan verheft boven het dier, doet hem er volgens Schopenhauer ook veel ellendiger aan toe zijn dan het dier. Het dier kan genieten van het nu, terwijl de mens altijd terugdenkt aan wat hij verloren heeft en bang is voor wat hem in de toekomst te wachten staat. Het dier kan zonder haatgevoelens en gewetenswroeging zijn prooi verschalken, terwijl de mens zijn driften nooit onbekommerd kan botvieren. Dieren spelen altijd open kaart (een fraai beeld!, WWV, II, 84), vertonen een zekere onschuld en naïveteit en komen rond uit voor wat ze willen, terwijl mensen hun neigingen en affecten vaak verborgen houden. Ze gebruiken hun taal niet alleen om te onthullen, maar ook om te verhullen: veinzen en huichelen is hun eigen. Dat dieren in het nu leven en zich geen voorstelling kunnen maken van de toekomst,

    - 2 -

    heeft tot gevolg dat ze, anders dan de mens, niet worden gekweld door doodsangst. Kortom:

    In gleichem Maße also, wie die Erkenntnis zur Deutlichkeit

    gelangt, das Bewußtsein sich steigert, wächst auch die Qual,

    welche folglich ihren höchsten Grad im Menschen erreicht, und

    dort wieder um so mehr, je deutlicher erkennend, je intelligenter

    der Mensch ist: der, in welchem der Genius lebt, leidet am

    meisten. (WWW, I, 425v.)

    Und dieser Welt, diesem Tummelplatz gequälter und

    geängstigter Wesen, welche nur dadurch bestehn, daß eines

    das andere verzehrt, wo daher jedes reißende Tier das

    lebendige Grab tausend anderer und seine Selbsterhaltung

    eine Kette von Martertoden ist, wo sodann mit der Erkenntnis

    die Fähigkeit, Schmerz zu empfinden, wächst, welche daher im

    Menschen ihren höchsten Grad erreicht, und einen um so

    höheren, je intelligenter er ist dieser Welt hat man das

    System des Optimismus anpassen und sie uns als die beste

    unter den möglichen andemonstrieren wollen. Die Absurdität ist

    schreiend. (WWV, II, 744)

    Met de toename van kennis neemt ook het vermogen om te lijden toe: juist wat de mens verheft boven het dier, zijn rede, maakt hem ongelukkiger dan het dier. Het had me niet verbaasd wanneer Schopenhauer de mens zou hebben gekarakteriseerd als een ziek dier.

    2. Nietzsche

    Wie wél spreekt over de mens als over een ziek dier, is Nietzsche, en wel in het derde en laatste deel van Zur Genealogie der Moral. Nadat hij in het eerste deel

    de oorsprong van de tegenstelling tussen goed en kwaad heeft geschilderd, en hij in het tweede deel heeft proberen te begrijpen waar begrippen als schuld en geweten vandaan komen, probeert Nietzsche in het derde deel te achterhalen wat ascetische idealen te betekenen hebben: hoe is het mogelijk dat mensen, die bepaald worden door wensen, verlangens en driften, een ideaal gaan koesteren dat juist afziet van alle wensen, verlangens en driften? Het leven dreigt zich daar te keren tegen het leven zelf, iets wat Nietzsche beschouwt als baarlijke nonsens (‘einfach Unsinn’, 118). (Zulke onzin wordt volgens Nietzsche

    ook verkondigd door Schopenhauer, wiens Die Welt als Wille und Vorstellung

    eindigt met een ophemeling van wereldvlucht en ascese.) Dat mensen, vooral mensen die door cultuur geciviliseerd en getemd zijn, er ascetische idealen op

    - 3 -

    na houden, beschouwt Nietzsche als iets ziekelijks. In par. 13 vinden we daarvoor deze verklaring:

    Woran hängt sie, jene Krankhaftigkeit? Denn der Mensch ist

    kränker, unsicherer, wechselnder, unfestgestellter als irgend ein

    Thier sonst, daran ist kein Zweifel, - er ist das kranke Thier:

    woher kommt das? Sicherlich hat er auch mehr gewagt,

    geneuert, getrotzt, das Schicksal herausgefordert als alle

    übrigen Thiere zusammen genommen: er, der grosse

    Experimentator mit sich, der Unbefriedigte, Ungesättigte, der

    um die letzte Herrschaft mit Thier, Natur und Göttern ringt, - er,

    der immer noch Unbezwungene, der ewig-Zukünftige, der vor

    seiner eignen drängenden Kraft keine Ruhe mehr findet, so

    dass ihm seine Zukunft unerbittlich wie ein Sporn im Fleische

    jeder Gegenwart wühlt: - wie sollte ein solches muthiges und

    reiches Thier nicht auch das am meisten gefährdete, das am

    Längsten und Tiefsten kranke unter allen kranken Thieren

    sein?... (p. 119v.)

    De mens is een dier onder de andere dieren, maar met dit verschil dat hij volgens Nietzsche geen vaste natuur heeft. Dat maakt hem zieker, onzekerder, wisselender, onvaster dan andere dieren, en dwingt hem ertoe om experimenten met zichzelf aan te gaan, zoals bijv.: zal ik mijn krachten wijden aan de filosofie dan wel aan de muziek? Wie zich met alles wat in hem is gaat wijden aan bijv. de filosofie, onderneemt een waagstuk: hij daagt het lot uit, en kan dus ook faliekant mislukken. Allicht dat zo’n wezen bij tijd en wijle gaat twijfelen aan zichzelf en dat hij het soms moe wordt om steeds maar weer zijn ambities na te jagen.

    In tegenstelling tot de mens is het dier volgens Nietzsche het steeds in het heden levende, herinneringsloze, onhistorische en daardoor gelukkige wezen. Het dier is voor Nietzsche dan ook een teken van spontaniteit, vitaliteit en schoonheid, maar ook van een naïeve wreedheid, en Nietzsche heeft er plezier in om allerlei dieren ten tonele te voeren waaraan hij zijn idealen omtrent de mens kan ophangen: de adelaar, de slang, de leeuw., enz. In Die fröhliche

    Wissenschaft schrijft Nietzsche dan ook:

    Ich fürchte, die Thiere betrachten den Menschen als ein Wesen

    Ihresgleichen, das in höchst gefährlicher Weise den gesunden

    Thierverstand verloren hat, - als das wahnwitzige Thier, als das

    lachende Thier, als das weinende Thier, als das unglückliche

    Thier. (HWdP 10, 1212)

    - 4 -

    De citaten dat ik zojuist gegeven heb, zijn in zoverre opvallend dat Nietzsche er een uitspraak doet over het wezen van de mens: de mens is als zodanig een ziek dier, zoals volgens Aristoteles de mens als zodanig een redelijk dier is. Over het algemeen is Nietzsche afkerig van zulke algemene karakteriseringen. Wanneer hij elders in Zur Genealogie der Moral spreekt over ziekte en

    ziekelijkheid, is het altijd in wat ik maar een cultuurfilosofische context noem: het type mens dat we nu overal tegenkomen, is door de beschaving tam geworden en heeft geen ambities meer, het is verwekelijkt en gedegenereerd, is kortom ziek geworden. Deze ziekte staat dan tegenover de Grosse Gesundheit van de

    Übermensch, die haar voorafschaduwing vindt in de ridder en de aristocraat:

    Die ritterlich-aristokratischen Werturtheile haben zu ihrer

    Voraussetzung eine mächtige Leiblichkeit, eine blühende,

    reiche, selbst überschäumende Gesundheit, ... (p. 22)

    Die wijsgerig-antropologische en die cultuurfilosofische beschouwingen over ziekte en gezondheid zijn natuurlijk wel verenigbaar: juist zijn constitutionele zwakte maakt de mens ontvankelijk voor allerlei falen, maar als hij daaraan toegeeft en het opgeeft, wordt hij pas echt ziek, en heeft hij zichzelf van alles te verwijten. Elders in Zur Genealogie der Moral fulmineert Nietzsche dan ook

    tegen die zieke mensen die bij elkaar kruipen en een gezamenlijke haat koesteren jegens de gezonden, en die ook nog een vreselijke stank om zich heen verspreiden. Hen moeten gezonde mensen mijden als de pest. Straks zal ik een wig drijven tussen Nietzsches wijsgerig-antropologische beschouwingen over de mens als een ziek dier (die interessante suggesties bevatten), en zijn cultuurfilosofische beschouwingen (waaraan volgens mij een luchtje zit). Eerst wil ik het overzicht over filosofen die ik goed kan gebruiken voor mijn betoog over de mens als een ziek dier, vervolledigen door een korte verwijzing naar Rousseau en Scheler.

    3. Rousseau en Scheler

    In Rousseau’s Discours sur l’origine et les fondement de l’inégalité parmi les hommes (1755) lezen we dat de mensen gelukkig waren toen ze leefden in eenvoudige hutjes die ze zelf konden optrekken, toen ze eigenhandig hun kleren maakten, zichzelf opdoften met veren en schelpenkettingen, hun eigen lichaam beschilderden met vele kleuren, hun pijlen en hun bogen op allerlei manieren verfraaiden, toen ze hun eigen zeilboot en hun eigen muziek-instrumenten maakten. Toen leefden ze vrij, gezond en gelukkig. Maar toen

    - 5 -

    iemand bedacht dat het nuttig zou zijn als hij voorraden aanlegde voor meerdere personen, was het in de kortste keren gedaan met de gelijkheid, deed de eigendom haar intrede, en veranderden de bossen in bouwland, dat mensen met hun zweet moesten besproeien. De mensen gingen reflecteren en kwamen in de greep van hun voorstellingsvermogen, waardoor ze niet meer tevreden waren met wat ze hadden, maar verlangden naar wat ze niet hadden. Kunstmatige behoeften deden daardoor hun intrede, behoeften die onverzadigbaar zijn en altijd uit zijn op meer. Was de mens van nature gelukkig en goed, de samenleving bederft hem en maakt hem ongelukkig. Rousseau zegt dan wel niet dat de samenlevingsmens een ziek dier is, maar dit citaat komt toch aardig in de buurt:

    Si elle [la nature] nous a destinés à être sains, j'ose presque

    assurer que l'état de réflexion est un état contre nature, et que

    l'homme qui médite est un animal dépravé.

    Mensen hebben niet alleen zichzelf verpest, maar ook de dieren die ze tot hun huisdieren hebben gemaakt:

    Le cheval, le chat, le taureau, l'âne même ont la plupart une

    taille plus haute, tous une constitution plus robuste, plus de

    vigueur, de force, et de courage dans les forêts que dans nos

    maisons; ils perdent la moitié de ces avantages en devenant

    domestiques, et l'on dirait que tous nos soins à bien traiter et

    nourrir ces animaux n'aboutissent qu'à les abâtardir. Il en est

    ainsi de l'homme même: en devenant sociable et esclave, il

    devient faible, craintif, rampant, et sa manière de vivre molle et

    efféminée achève d'énerver à la fois sa force et son courage. Aldus Rousseau over het bedorven, of verdorven, dier dat de cultuurmens is, wat in de nabijheid komt van ziek dier.

    Ten slotte iets over Scheler, bij wie de mens als het zieke dier inderdaad uitdrukkelijk voorkomt, evenals bij Nietzsche. Maar de verschillen zijn groot. Volgens Die Stellung des Menschen im Kosmos (1928) is de mens, naar zijn

    lichamelijke zijde beschouwd, een deel van het dierenrijk, maar naar zijn geestelijke zijde beschouwd, participeert hij aan een transcendent rijk van waarden. Een zich op Darwin beroepend denken, dat de mens geheel en al opvat als een natuurlijk wezen, kan zich volgens Scheler nooit rekenschap geven van cultuur en van geschiedenis, waarin de geest van de mens werkzaam is en zijn grootheid blijkt. Wanneer we de mens louter opvatten als een biologisch wezen, dan blijkt hij in een doodlopende straat terechtgekomen

    - 6 -

    te zijn; vooral zijn verstand is vanuit een biologisch gezichtspunt als een ziekelijke afwijking van het normale te beschouwen. De mens is, kortom, als levend wezen onder de andere levende wezens een erblich krankes Tier.

    Daarom ligt zijn ware wezen in zijn geestelijke persoonlijkheid, die geen deel is van de gewone wereld, maar van een ideale werkelijkheid.

    4. Rousseau, Schopenhauer, Nietzsche en Scheler: overeenkomsten en verschillen

    De mens als ziek dier: hij komt als zodanig voor bij Nietzsche en Scheler, maar bij Rousseau en Schopenhauer komen we verwante gedachten tegen. Interessant zijn de verschillen en de overeenkomsten.

    Dat de mens een ziek dier is, vormt er volgens sommige van deze denkers geen beletsel voor, maakt het integendeel mogelijk, dat hij tot iets hogers geroepen is. Rousseau wil door een sociaal contract de oorspronkelijke gelijkheid tussen de mensen op een hoger niveau herstellen, en pleit ervoor dat mensen zo worden opgevoed dat ze niet meer het slachtoffer kunnen worden van kunstmatige begeerten. Nietzsche wil dat de zieke mens de wegbereider wordt van de Übermensch, die zal blaken van gezondheid. Scheler pleit ervoor dat we ons openstellen voor een sfeer van transcendente waarden, die ons doet vergeten dat we als lichamelijke wezens krakkemikkig zijn. De enige die wat dit betreft een beetje buiten de boot valt, is Schopenhauer. Bij hem geen oproepen om onze constitutionele kwetsbaarheid te boven te komen door verheven taken op ons te nemen. Natuurlijk, het kan gebeuren dat iemand van muziek geniet en dat hij even vrede heeft met zijn bestaan. Of dat iemand er bij tijd en wijle in slaagt om zijn begeerten tot bedaren te brengen en een soort van Stoïcijnse onaangedaanheid ten toon spreidt. Maar zulke uitwegen worden niet opgehemeld als iets wat de mens boven zichzelf verheft en tot de cultivering waarvan hij geroepen is, maar beschreven als handige trucs om ondanks alles iets van het ellendige leven te maken. Op de keper beschouwd zijn en blijven we beklagenswaardige wezens, veel beklagenswaardiger dan de dieren, die tenminste niet in de gaten hebben dat ze beklagenswaardig zijn. Ook op een ander punt zijn er interessante verschillen en overeenkomsten tussen de vier genoemde auteurs. Dat de mens een ziek dier is, is bij sommigen een wijsgerig-antropologische (of mijnentwege een ontologische) uitspraak, bij anderen een cultuurfilosofische (of misschien cultuurhistorische) uitspraak; de stelling kan bij één auteur zelfs beide betekenissen hebben. Volgens Rousseau

    - 7 -

    is de mens van nature goed en gezond, maar is hij door de beschaving gedegenereerd en ziek geworden: hier heeft de stelling van het zieke dier een cultuurfilosofische strekking; ’s mensen ware wezen is onbedorven. Volgens Scheler is de mens, beschouwd naar zijn lichamelijke kant, ziek te noemen; maar zijn essentie ligt niet daar, maar in zijn geestelijke dimensie, die hem verheft boven zijn ziekelijke lichaam: hier vinden we bij uitstek wijsgerig-antropologische stellingen, maar zien we ook dat het ziek-zijn van de mens slechts betrekking heeft op een minder belangrijk deel van hem. Bij Schopenhauer treffen we nergens cultuurfilosofische beschouwingen aan; hij is de metafysicus bij uitstek, die onverdroten op zoek gaat naar het wezen van de dingen. En daarmee is het beroerd gesteld: alles is onderworpen aan het blinde drijven van de wil, en doordat de mens zich van dat drijven bewust wordt, is hij er het slechtst aan toe van allemaal. Nietzsche is de enige van de vier die het ziek-zijn van de mens (of van mensen) in beide betekenissen gebruikt. De cultuurfilosofische beschouwingen domineren: de meeste mensen van nu zijn beklagenswaardige en zelfs verwerpelijke patiënten geworden; het wordt tijd dat de stinkende Augiasstal waarin ze zich ophouden wordt leeggeruimd. Tot onverdroten ontologische stellingen komt hij in die zeldzame passages waarin hij erkent dat het zelfs voor de toekomstige Übermensch niet gemakkelijk is om

    zijn ware roeping te vinden; want het valt niet mee om uit zulk beroerd materiaal zoiets moois te vervaardigen, om iemand die van nature ziek en zwak is tot grote prestaties op te zwepen.

    Die cultuurfilosofische beschouwingen, van Rousseau, maar ook van Nietzsche, vind ik over het algemeen weinig aantrekkelijk. Er wordt wat afgeklaagd door die heren, die mensen van nu als verdorven en ziekelijk diagnosticeren, en die ons gaarne voorzien van door henzelf gefabriceerde geneesmiddelen. Alleen al de zekerheid waarmee ze hun cultuurkritische stellingen debiteren, maakt me ietwat onpasselijk. Dan vind ik het consequente pessimisme van Schopenhauer, waaraan volgens hem niet te ontsnappen valt, een stuk aantrekkelijker. Schopenhauers pessimisme heeft geen cultuurkritische pretenties. Ik heb de neiging om het als een soort van metafysische hypothese te interpreteren: hoe kunnen we de op het eerste gezicht weinig plausibele stelling dat onze wereld niet de best mogelijke wereld is, zoals Leibniz dacht, maar de slechtst mogelijke, zo sterk mogelijk maken? Allerlei tegenargumenten die mensen bedenken om vol te houden dat het toch wel meevalt met de slechtheid van de wereld, worden door Schopenhauer op een heel slimme manier onderuitgehaald. Dat maakt Schopenhauers schildering van de ellende zeer vermakelijk, en ik ben ervan overtuigd dat het hem een immens plezier deed om het leed van ons bestaan

    - 8 -

    zo zwart mogelijk af te schilderen. Filosoferen over ons ellendige lot: dat is een prima manier om de tijd plezierig door te komen.

    De derde en belangrijkste vergelijking die we tussen de auteurs kunnen maken, betreft de strekking van de uitspraak dat de mens een ziek dier is. Daarbij wil ik me concentreren op de wijsgerig-antropologische stellingen die ze te berde brengen. Daarmee verlaat Rousseau al meteen het toneel: hij schrijft ziekte en bederf niet toe aan de mens in onderscheid tot het dier, maar aan de cultuurmens in onderscheid tot de primitieve mens. Met de mens als zodanig is er weinig mis. Maar ook aan Scheler ga ik voorbij: dat bij hem natuur en cultuur geheel van elkaar worden losgemaakt, dat de mens als biologisch wezen eigenlijk een mislukking is, die gelukkig wordt gecompenseerd door zijn openheid voor het transcendente, getuigt van een weinig aantrekkelijk dualisme. Resteren Schopenhauer en Nietzsche.

    Wanneer Schopenhauer de mens een ziek dier noemt, heeft dat als strekking: datgene wat de mens verheft boven het dier, zadelt hem tegelijk op met zoveel ongemak dat hij die winst weer inlevert en hij er in vergelijking met het dier ellendig aan toe is. Schopenhauer ontkent dus niet dat de mens, met name door zijn rede, meer vermag dan het dier, maar dat meerdere strekt hem op de keper beschouwd eerder tot nadeel dan tot voordeel. Wanneer Nietzsche de mens een ziek dier noemt, doelt hij op iets anders. De mens heeft, anders dan de dieren, geen vaste natuur; daardoor wordt hem niet door zijn natuur voorgeschreven welk soort leven hij zal gaan leiden, maar moet hij met zichzelf gaan experimenteren. Soms gaat dat goed: er zijn mensen die op het terrein van kunst en wetenschap, maar ook op dat van de politiek, grootse prestaties leveren waarvan de mensheid kan profiteren. Vaak gaat het mis: velen durven die experimenten niet aan te gaan, zijn er jaloers op dat die enkelingen het wel doen en proberen hen met morele praatjes in het gareel te houden. Dat de mens een ziek dier is, heeft nu wijsgerig-antropologisch gezien betrekking op de aangeboren zwakte van de mens. Constitutioneel is hij opgezadeld met een taak waaraan hij zich gemakkelijk kan vertillen. Dat is geen reden tot pessimisme, zoals bij Schopenhauer, maar wil de mens ertoe aansporen om, ondanks de verleiding om het op te geven, iets te maken van zijn leven. Schopenhauer en Nietzsche duiden niet helemaal op hetzelfde wanneer ze het hebben over de mens als een ziek dier. Schopenhauer geeft er een sombere draai aan: de winst die de mens op het eerste gezicht boekt ten opzichte van het dier, gaat gepaard met een nog groter verlies, zodat elk menselijk streven

    - 9 -

    zinloos wordt. Nietzsche beschouwt het als een uitdaging dat de mens door een zekere onvastheid en onevenwichtigheid wordt gekenmerkt: zon mens, hoe

    onzeker en onevenwichtig ook in vergelijking met het dier, staat voor een opgave die de moeite meer dan waard is.

    Ik wil nu wijzen op enige merkwaardigheden van de mens die we desgewenst vanuit een Schopenhaueriaanse of een Nietzscheaanse diagnose kunnen interpreteren. Door bekende problemen te bezien doorheen een bril die Schopenhauer en Nietzsche ons aanreiken, kijken we er opeens anders tegenaan. Dat heeft op zijn beurt weer een ander doel: te laten zien dat het weinig zin heeft om de mens allerlei morele taken voor te houden, wanneer je geen oog hebt voor problemen waarvoor hun eigen natuur hen stelt. Om Kant te parafraseren: als je wilt dat mensen recht overeind gaan staan (aufrechter

    Gang), moet je weten uit welk krom hout ze zijn samengesteld (krummes Holz).

    5. De keerzijde van altruïsme en rationaliteit (Schopenhauer) a. ‘Alle Menschen werden Brüder’, zo begint Schiller zijn Ode an die Freude.

    Beethoven heeft het enthousiast op muziek gezet, en de Europese Gemeenschap heeft daarop haar volkslied gebaseerd. Nee dus. Een moraal die eist dat mensen een gelijk gewicht toekennen aan de belangen van ieder individu dat door hun handelen wordt geraakt, eist het onmogelijke. Hun altruïsme is blijkbaar beperkt, de kring der partners (Van Haersolte) waartoe ze

    behoren is noodzakelijkerwijze particulier. Toch is bij de mens, anders dan bij het dier, de grens tussen wij en zij vloeiend: het wijgevoel beperkt zich niet tot de eigen stam, of het eigen dorp, dat is wel duidelijk, maar hoever het zich kan uitstrekken, is onduidelijk. Daarom dromen mensen er soms van om over te gaan tot een ideale, eventueel communistische, gemeenschap. Zulke experimenten lopen steevast op de klippen, en daarmee moeten we rekening houden bij het ontwerpen van zoiets als een wereldgemeenschap. Omgekeerd hechten mensen er vaak aan om zich juist af te scheiden van andere mensen, en met gelijkgestemden een gemeenschap aan te gaan van waaruit de rest van de mensheid als vreemd en vijandig wordt bejegend; dit proberen we dan weer te keren door het proclameren van universele mensenrechten, die vaak machteloos zijn tegenover groepsegoïsme. We kunnen dit alles interpreteren vanuit Schopenhauer: dat bij de mens onduidelijk is wie erbij horen en wie niet, en in welke mate, schept onvermoede mogelijkheden tot samenwerking, maar dat voordeel wordt rijkelijk weggenomen doordat mensen elkaar op de gekste gronden als vreemd en vijandig kunnen beschouwen. Een blik op de

    - 10 -

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com