DOC

Michel Vanhelleputte

By Annie Walker,2014-06-23 08:09
10 views 0
Michel Vanhelleputte

Michel Vanhelleputte

Op de vlucht: een historisch gegeven

    Sinds de Nieuwe Tijd kent de Europese geschiedenis gevallen van uitwijking van bevolkingsgroepen naar het buitenland om ideologische of politieke redenen. De massale emigratie van Zuid-Nederlanders naar de

    deVerenigde Provincies op het einde van de 16 eeuw is een bekend voor-beeld hiervan. Er zijn er echter

    andere: na de herroeping van het edict van Nantes door Lode-wijk de Veertiende in 1685 verlieten meer dan 200.000 hugenoten Frankrijk om zich in overwegend protestantse landen als Engeland, Holland of Pruisen te vestigen, en van 1731 tot 1733 wer-den ongeveer 80.000 Lutheranen uit het prinsbisdom Salzburg verdreven, maar vonden gelukkig asiel in Pruisen.

    deZulke verschijnselen uit de tijd van het vorstelijk absolutisme verdwenen nog niet helemaal in de 19

    eeuw, al kon er geen sprake meer zijn van een confessionele motivatie ervan. In het tijdperk dat men in de Duitse geschiedenis “Vormärz” noemt, nl. de periode tussen het Weense Congres van 1814/1815 en de

    volksopstanden van maart 1848 in steden als Berlijn, München en Wenen, leefden tienduizenden Duitse politieke vluchtelingen in Parijs, zodat de eerste Duitse socialistische krant, de Vorwärts, in de jaren 40

    devan de 19 eeuw daar kon verschijnen in 6000 exemplaren. Na de uiteindelijke liquidatie van de Duitse omwenteling van 1848 door de inname van de Badische stad Rastatt door Pruisische troepen emigreerden ongeveer 80000 jonge Badenaars naar Zwitserland uit vrees voor de te verwachten repressie. Later vonden zulke massale vluchten uit een bepaald Europees land om politieke redenen nog nauwelijks plaats. Slechts bepaalde individuele gevallen werden beroemd, zoals b.v. de emigratie van Victor Hugo uit Frankrijk na de machtsgreep van Louis Napoléon in 1851 of de korte ballingschap van Emile Zola in Engeland ten gevolge van zijn stellingname voor de ten onrechte veroordeelde commandant Dreyfus in 1898.

    De uitwijking om politieke redenen was dus een uitzondering geworden in de Europese context van het

    steeerste derde van de 20 eeuw. Daarom was de massale vlucht van schrijvers, kunstenaars en

    intellectuelen uit Duitsland ongeveer vier weken na de benoeming van Hitler tot rijkskanselier een bijzonder verrassende gebeurtenis.

    De nazi-coup: een beknopte historiek

    Men weet hoe de nazi-partij, die in 1920 in München gesticht was, na een tiental glansloze jaren opeens tot een belangrijke politieke kracht in Duitsland werd. Tengevolge van de economische wereldcrisis, die in 1929 met de zwarte vrijdag van Wall Street begonnen was, verspreidde werkloosheid zich over heel Duitsland, en dit had in september 1930 een rechtstreekse invloed op de verkiezingen voor de Reichstag: de communistische KPD behaalde 13% van de stemmen en hiermee 77 zetels in plaats van vroeger 23, en de fascistische NSDAP (de nazi-partij) meer dan 18% en daarmee 107 zetels in plaats van tot nu toe 12. Aangezien de economische toestand steeds slechter werd (er waren in januari 1932 meer dan zes miljoen werklozen in Duitsland) zette deze trend zich voort bij de vervroegde verkiezingen van 1932. Daarbij maakten de nationaal-socialisten, financieel gesteund door bepaalde industriemagnaten, veel grotere vorderingen dan de communisten: in juli 1932 werd de NSDAP de sterkste partij in de Reichstag met 37% van de stemmen, terwijl de communisten het toch tot ongeveer 14% brachten. Deze resultaten maakten de vorming van een regering onmogelijk: daarom werd er in november 1932 opnieuw gestemd. De NSDAP ging een beetje achteruit, maar bleef met 33% de sterkste politieke kracht in het land. Anderzijds behaalden de communisten nu bijna 17%. Deze bescheiden vooruitgang jaagde grootgrondbezitters en industriëlen schrik aan en bracht hen er toe druk uit te oefenen op rijkspresident Hindenburg opdat deze

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 1

    Hitler tot rijkskanselier zou benoemen, hetgeen gebeurde op 30 januari 1933. Er waren slechts drie nazi-ministers in de regering, maar Hitler had ervoor gezorgd dat zijn partij overal een rechtstreekse invloed zou hebben op de leiding van de politie, en dit was doorslaggevend voor het verdere verloop van de gebeurtenissen.

    Brecht: nazi-doelwit

    De in 1898 geboren Bertolt Brecht, die de duur en het moorddadig karakter van de Eerste Wereldoorlog tot pacifist gemaakt hadden, stond sinds het begin van de jaren twintig op de zwarte lijst van de nazi‟s,

    vooral wegens zijn antimilitaristisch, expressionistisch-satirisch gedicht Legende vom Toten Soldaten,

    geschreven in 1918 naar een tekening van de graficus George Grosz, een geestverwant van Frans Masereel.

    Daarenboven interesseerde Brecht zich sinds 1926 hoe langer hoe meer voor het marxisme, en dit maakte hem in de tijd van de economische wereldcrisis tot een bondgenoot van de communisten. Deze gezindheid werd b.v. duidelijk in zijn zgn. “Lehrstücke” en in zijn vrije, dramatische bewerking van de roman De

    Moeder van Maxim Gorki. Bovendien was Brecht getrouwd met de Joodse actrice Helene Weigel, die een vastberaden communiste was. Daarom hadden beiden in februari 1933 hun koffers gepakt. Dit was een wijze voorzorg, want de brand van de Reichstag op 27 februari 1933 was voor de nazi‟s het sein tot het begin van hun systematische vervolging van Joden en politieke tegenstanders. Brecht en zijn vrouw hebben dit onmiddellijk begrepen en daarom hebben zij op 28 februari 1933 Berlijn verlaten met de trein naar Wenen via Praag. Zij zouden pas meer dan vijftien jaar later Duitsland terugzien. Beroemd, maar op de vlucht.

    De vijfendertigjarige Brecht was met zijn zeer irreverente dichtbundel Hauspostille (1927) beroemd

    geworden, en het grote succes van zijn Dreigroschenoper (de Driestuiversopera) in 1928 had hem tot een

    gewaardeerd toneelschrijver gemaakt. Van haar kant was de twee jaar jongere Helene Weigel sinds haar twintigste jaar een zeer geapprecieerde actrice. Maar alleen al uit de vermelding van de grond van de beroemdheid van deze twee begaafde mensen blijkt hoe eng zij voor hun uitstraling aan hun vaderland gebonden waren, aan een vaderland waarin zij nu gevaar liepen aangehouden en gemarteld te worden (zoals dit b.v. gebeurd is met de pacifist Carl van Ossietzky, de hoofdredacteur van het tijdschrift Die

    Weltbühne).

    Het was dus voor Bert Brecht en Helene Weigel levensnoodzakelijk geworden Duitsland te verlaten, maar het verlies dat de vlucht uit hun onveilig geworden vaderland voor beiden betekende, kan men moeilijk overschatten. Zij verloren opeens hun maatschappelijke achtergrond, hun zeer dankbaar Berlijns toneelpubliek, en hiermee ook een zeer belangrijk deel van de materiële basis van hun bestaan. Zij moesten zoeken naar nieuwe publicatie- en opvoeringsmogelijkheden, en trachten een woonplaats te vinden waar het opnieuw mogelijk zou zijn rustig te werken. Dit zou enige tijd in beslag nemen, want de rest van Europa was er geenszins op voorbereid de talrijke vluchtelingen uit het nazistisch geworden Duitsland onmiddellijk op te vangen.

    Kurt Weill, die naar Parijs gevlucht was, kreeg daar in april 1933 opdracht een ballet te componeren met een dansende en een zingende hoofdrol. Aangezien het Jean Cocteau niet interesseerde een libretto daarvoor te schrijven, werd Brecht om zijn medewerking verzocht. Brecht, die toen in Zwitserland in het huis van de linkse schrijver Kurt Kläber logeerde, kwam op 7 april voor veertien dagen naar Parijs en schreef er de bekoorlijke, maar uiterst ironische tekst van het werk Die Sieben Todsünden der

    Kleinbürger (De zeven hoofdzonden van de kleinburgers), dat op 7 juni 1933 onder de eenvoudige titel Die sieben Todsünden in het Théâtre des Champs-Elysées in première ging. Met Lotte Lenya als Anna I en Tilly Losel als Anna II oogstte de opvoering de bijval van kenners, en het balletensemble ging dan naar Londen, waar het van 28 juni tot 17 juli gastvoorstellingen met dezelfde enscenering gaf.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 2

    Intussen had in Duitsland op 10 mei 1933 de grote, openbare verbranding plaatsgevonden van boeken die het nieuwe regime verwierp. Daartoe behoorden alle reeds verschenen werken van Brecht. Dit betekende dat b.v. boeken die van hem nog in voorraad waren bij een uitgever, niet meer mochten worden verkocht en bovendien dat geen uitgever het nog kon wagen één van zijn werken te publiceren. Er moest dus worden uitgekeken naar buitenlandse uitgevers.

    Een eerste gelegenheid in die zin deed zich voor op 26 juni 1933: de Amsterdamse uitgeverij Allert de Lange gaf haar belangstelling te kennen voor de door Brecht geplande Dreigroschenroman

    (Driestuiversroman), en het telegrafisch antwoord van de schrijver werd als aanvaarding beschouwd. Het contract met Allert de Lange werd na een paar onderhandelingen gesloten en Brecht kreeg op 8 augustus een degelijk voorschot op de opbrengst van de publicatie. Het geld kwam juist van pas, want op 9 augustus 1933 (de volgende dag) ondertekenden Brecht en Helene Weigel een koopovereenkomst betreffende een huis gelegen te Svendborg op het Deense eiland Fyn. Dit was een voorwaarde voor de toekenning van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Denemarken. Om echt bewoonbaar te zijn voor stedelingen, moest het huis eerst wat verbouwd worden. Onder leiding van Helene Weigel werden de nodige werken uitgevoerd, en op 21 december 1933 kon de woning door het hele gezin worden betrokken. In Svendborg

    Het verworven eigendom was een van 1800 date-rend zgn. „visserijhuis‟ met een grote tuin (een soort

    boomgaard), die langs een kleine aanlegplaats aan de zee grensde, een zee die Brecht „Sund‟ noemde

    omdat het een soort zee-engte was. Op die idyllische plek zou de schrijver tot april 1939 wonen en er talrijke gasten ontvangen, o.m. de bekende criticus, literair-historicus en kunstfilosoof Walter Benjamin, die er in 1934 en in 1938 verschillende zomermaanden doorbracht.

    De keuze van Denemarken als toevluchtsoord was te danken aan Helene Weigel, die sinds haar jeugd bevriend was met de Deense schrijfster Karin Michaelis (1872-1950) bij wie zij op 10 juni 1933 (terwijl Brecht in Parijs was) in Thurø (een eilandje in de buurt van Svendborg) aankwam. Karin Michaelis was niet alleen behulpzaam bij de vestiging van Brecht en Weigel in Denemarken, maar ook bij het leggen van contacten tussen de ballingen en het progressief gerichte deel van de Deense kunst- en literatuurwereld. Bij Karin Michaelis maakten Bert Brecht en Helene Weigel reeds in augustus 1933 kennis met de Deense actrice Ruth Berlau, die vanaf 1935 een belangrijke rol in hun leven zou spelen.

    Het jaar 1934 begon en Brecht verloor geen tijd. Reeds in april publiceerde hij een politiek geëngageerde dichtbundel, getiteld Lieder Gedichte Chöre in een oplage van 3000 exemplaren bij de Editions du

    Carrefour in Parijs, en einde augustus was hij klaar met de tekst van de Dreigroschen-roman, die nog voor

    het einde van het jaar verscheen. In december 1934 beantwoordde Brecht een rondvraag van het Pariser Tageblatt over de zending van de schrijver met zijn beroemd geworden essay Fünf Schwierigkeiten beim

    Schreiben der Wahrheit (vijf moeilijkheden bij het schrijven van waarheid). Nog in dezelfde maand dichtte hij in antwoord op een verzoek van Erwin Piscator het bekende Einheitsfrontlied, dat bij de

    Internationale Arbeidersmuziekolympiade van Pinksteren 1935 in Straatsburg met een muziek van Hans Eisler voor het eerst gezongen werd.

    Brecht op bezoek in Moskou

    In maart 1935 reisde Brecht naar Moskou, waar hij op 23 april gedichten voordroeg in het kader van de Duitstalige uitzending Moskauer Abend-stunden für Deutsche Arbeiter und Spezialisten, en op het einde van dezelfde maand een radiolezing hield over het onderwerp „ontwikkeling van het revolutionaire Duitse toneel en de Duitse revolutionaire dramatiek‟. Op 12 mei 1935 werd een Brechtavond georganiseerd in de „Club van de buitenlandse arbeiders‟, waar Brecht polemische gedichten voorlas en scènes uit zijn jongste stuk Die Rundköpfe und die Spitzköpfe, door a-mateurs gespeeld werden. Bovendien zong Carola Neher

    songs uit de Dreigroschenoper, en leerlingen van een school die Karl-Liebknecht-Schule heette, zongen andere liederen van Brecht. Volgens persberichten geciteerd door Werner Hecht in zijn Brecht-Chronik

    van 1997 moet die avond zeer succesvol zijn geweest. Tijdens dat verblijf van 1935 in Moskou, dat twee

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 3

    maanden duurde, had Brecht ook de gelegenheid zich vertrouwd te maken met de Chinese toneelkunst (hij zag twee grote gastvoorstellingen van de toneelgroep geleid door de Chinese acteur Mei Lan-Fang), en hij beleefde de opening van de Mos-kouse metro, die zo‟n grote indruk op hem maakte dat hij er een gedicht

    over schreef: Inbesitznahme der grossen Metro durch die Moskauer Arbeiterschaft am 27 April 1935. Het

    gedicht werd nog voor het vertrek van Brecht uit Moskou, nl. op 16 mei 1935, in de plaatselijke Deutsche Zentral-Zeitung gepubliceerd. Met dit ver-blijf van 1935 had de grootste toenadering van de schrijver tot de Sovjet-Unie plaatsgevonden. Hij had er geestverwanten als Erwin Piscator en Frans Masereel ontmoet en de toneelschrijver Sergej Tretjakow teruggezien, die hij in 1931 in Berlijn had leren kennen en met wie hij heel wat opvattingen over het theater deelde. Tretjakow heeft door verschillende artikels en vertalingen Brecht in de Sovjet-Unie bekendgemaakt. Hij zou in juli 1937 aangehouden worden. Vanaf dat tijdstip werden de betrekkingen van Brecht tot de Sovjet-Unie „zeer dun‟. Maar in de lente van 1935 was er nog

    geen sprake van grote ideologische processen in Moskou, en einde mei kwam Brecht enthousiast terug naar Svendborg.

    Op 8 juni 1935 werd zijn Duitse staatsburgerschap aan Brecht ontnomen. Hij reageerde op dit nieuws met het volgende gedicht:

    Im zweiten Jahre meiner Flucht

    Las ich in einer Zeitung, in fremder Sprache

    Dass ich meine Staatsbürgerschaft verloren hätte.

    Ich war nicht traurig und nicht erfreut

    Als ich meinen Namen las neben vielen anderen

    Guten und schlechten

    Das Los der Geflohenen schien mir nicht schlimmer als das

    Der Gebliebenen

(In het tweede jaar van mijn vlucht

    Las ik in een krant, in een vreemde taal

    Dat ik mijn staatsburgerschap verloren had.

    Ik was niet droevig en niet blij

    Toen ik mijn naam las naast vele andere

    Goede en slechte

    Het lot van de vluchtelingen scheen mij niet slechter te zijn

    Dan dat van hen die waren gebleven)

    Brecht zou van nu af stateloos zijn tot 1950: toen kreeg hij de in april 1949 aangevraagde Oostenrijkse nationaliteit (dit was mogelijk omdat zijn echtgenote Helene Weigel een Oostenrijkse van geboorte was.) Parijs en New-York

    In het heuglijke jaar 1935 ondernam Brecht nog twee grote reizen naar het buitenland. In juni reisde hij naar Parijs om deel te nemen aan het Eerste Internationale Schrijverscongres met het oog op de Verdediging van de Cultuur. Punt 3 van de agenda luidde: Het Individu. André Gide hield de

    inleidende rede. Tot de leiding van het congres behoorden ook Heinrich Mann en Jean-Richard Bloch. Brecht hield een voordracht over het thema Eine notwendige Feststellung zum Kampf gegen die

    Barbarei(Een noodzakelijke vaststelling met het oog op de strijd tegen de barbaarsheid). De discussies op het congres o.m. een botsing tussen Henri Barbusse en André Gide werden door Brecht nogal kritisch

    bekeken: hij bracht hierover ironisch verslag uit in een brief aan George Gross.

    Van midden oktober 1935 tot midden februari 1936 verbleef Brecht voor de eerste keer in New-York: een Engelstalige versie van zijn revolutionaire stuk Die Mutter (1932) werd er in november 1935 door de

    „Theatre Union‟ in het Civic Reper-tory Theatre opgevoerd. Het stuk werd 36 maal voorgesteld, en toch

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 4

    was Brecht zeer ontevreden met de verminking van zijn tekst en de primitieve ensceneringstijl. Maar in een brief aan Helene Weigel raadde hij haar aan Engels te leren.

    Das Wort - een korte episode

    Van begin maart tot einde juni 1936 bevond Brecht zich in Londen, waar hij voor Fritz Kort-ner aan een draaiboek voor de film Der Bajazzo werkte. Hij voerde het werk uit om wat geld te verdienen, maar het

    interesseerde hem niet bijzonder, aangezien hij de stof niet uitgevonden had. Voor de eerste keer voelde hij wat het was een bediende te zijn en alleen voor het te verwachten loon te werken. Deze ervaring scheen hem toch de moeite waard te zijn.

    In maart 1936 was Brecht verzocht om met Willi Bredel en Lion Feuchtwanger lid te worden van de redactieraad van het tijdschrift Das Wort, dat in Moskou moest verschijnen en zo mogelijk de hele

    antifascistische literatuur zou verenigen. Brecht nam het voorstel aan, en het eerste nummer van het tijdschrift zag het licht in juli 1936. In de zomer van 1938 geraakte Das Wort onder invloed van een kleine

    kliek, geleid door Georg Lukácz, en in januari 1939 liet Brecht zich zeer kritisch over het tijdschrift uit (op dat moment had hij geen nieuws meer van zijn meeste Moskouse vrienden en kennissen, die gearresteerd of verdwenen waren). In 1939 werd Das Wort zonder raadpleging van de uitgevers

    geliquideerd.

    In november 1936 ging een Deense versie van het antiracistisch en antikapitalistisch gerichte stuk Die

    Rundköpfe und die Spitzköpfe(De ronde en de spitse hoofden) grotendeels geschreven in 1931, in première in de Kopenhaagse schouwburg Riddersalen. Ondanks de drukke propaganda van Deense nationaal-socialisten tegen die opvoering kon het werk twintig keer worden gespeeld.

    Het Vervreemdingseffect

    Naar aanleiding van de voorbereiding van die voorstelling schreef Brecht het opstel waarin hij voor het eerst de term „Verfremdungseffekt‟ gebruikt: Verfremdungseffekte in der chinesischen Schauspielkunst.

    Hij ging daarbij uit van zijn eigen Moskouse ervaring met het theater van Mei Lan-Fang. Het artikel verscheen op het einde van het jaar 1936 in de Engelse vertaling van Walter White in Life and Letters To-

    Day (Londen) onder de titel The Fourth Wall of China. An essay on the effect of disillusion in the Chinese theatre. Bij het voortbrengen van het vermelde effect komt het erop aan het alledaagse, algemeen aanvaarde, als normaal beschouwde, opeens als vreemd, als abnormaal, als verkeerd voor te stellen, opdat de toeschouwer ertoe gebracht zou worden kritisch na te denken over het vertoonde. Vervreemdingseffecten zijn niet alleen te vinden in het Chinees toneel, maar b.v. ook in de schilderkunst van Pieter Brueghel de Oude. Brecht had het boek van Gustav Glück over Brueghels schilderijen en tekeningen als kerstgeschenk in december 1936 gekregen en was erover enthousiast. Hij bestudeerde de prenten aandachtig en vond daarin impulsen voor het schikken van scènes op het toneel. Hij schreef twee teksten over vervreemdingseffecten bij Brueghel: Verfrem-dungstechnik in den erzählenden Bildern des

    älteren Breughel en V-Effekte in einigen Bildern des älteren Breughel. Brecht was zeer sterk onder de

    indruk van het schilderij „De dulle Griet‟, dat een inspiratiebron zou worden voor zijn uitbeelding van de figuur Grusche in „De kaukasische Krijtkring‟ (krijtkring met in het midden een kind, waarvoor twee

    moeders vechten). Hij waardeerde bij Brueghel vooral diens voorstelling van de menselijke gedragingen als verkeerd.

    In april 1937 vervolledigde Brecht de tekst van zijn gedicht An die Nachgeborenen, dat uit drie delen

    bestaat. Het tweede en het derde deel waren eigenlijk reeds in april 1934 neergeschreven onder de respectieve titels In die Städte kam ich zu der Zeit der Unordung en An die Uberle-benden. Hans Eissler,

    die al muziek gecomponeerd had voor deze twee afzonderlijke gedichten, spoorde Brecht aan nog een elegie te dichten bij wijze van inleiding. Zo ontstond het eerste deel, dat begint met het vers Wirklich, ich

    lebe in finsteren Zeiten, en daarna de algemene titel An die Nachgeborenen. Dit gedicht werd in het

    vervolg heel vaak als de belangrijkste boodschap van Brecht aan het nageslacht aangezien.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 5

    Intussen was er in Spanje een burgeroorlog uitgebroken (juli 1936), en de bommenwerpers van de Duitse „Legion Condor‟, die de putschisten ondersteunden, hadden op 26 april 1937 de Spaanse stad Guernica

    vernield. Dit bracht Brecht ertoe een stuk in verband met de Spaanse Burgeroorlog te ontwerpen, dat uiteindelijk de titel kreeg: Die Gewehre der Frau Carrar. Hij werkte daaraan met Margarete Steffin, zijn

    toen-malige secretaresse, en ontleende motieven aan een Engelstalig stuk, de eenakter Riders to the Sea

    (1904) van John Millington Synge. Het nieuwe stuk, dat Brecht tot de „aristotelische dramatiek‟ rekent, was in augustus 1937 klaar en gaat in première op 16 oktober in Parijs in de oorspronkelijke taal met Helene Weigel in de rol van moeder Carrar. Vanaf december 1937 vonden Deenstalige opvoeringen door amateur-groepen in Kopenhagen plaats, en in maart 1938 werd het stuk ook in Stockholm gespeeld. In 1937 begint Brecht ook de reeks eenakters te schrijven die later zullen worden verenigd onder de titel Furcht und Elend des Dritten Reiches (Angst en ellende van het Derde Rijk). Acht van die zevenentwintig

    eenakters worden op 4 april 1938 in de Parijse Salle d‟Jéna gespeeld, met Helene Weigel in de rol van de

    Joodse vrouw in Die Jüdische Frau en van de oude vrouw in Arbeitsbeschaffung. Furcht und Elend des

    Dritten Reiches is een rechtstreekse aanval op de maatschappelijke toestanden in nazi-Duitsland. Er wordt aangetoond hoe de tussenmenselijke betrekkingen er worden vergiftigd door de heersende sfeer, die op verraad, mensenverachting en gewelddadigheid berust. Het geheel is beheerst door een aansporing tot verzet tegen deze sfeer. De schetsen zijn raak en aangrijpend. Het probleem was echter dat deze scènes de doorsnee-Duitser niet konden bereiken.

    In 1938 breidt het Derde Rijk zich uit: in maart wordt Oostenrijk geannexeerd en in oktober wordt het noordelijke deel van Tsjechië, het overwegend Duitstalige Sudetenland, met de instemming van Frankrijk en Groot-Brittannië door Duitse troepen bezet. Het nieuws van deze gebeurtenissen bedrukt uiteraard de gemoederen van de politieke vluchtelingen. Brecht heeft het later gehad over die duistere laatste maanden van het jaar 1938, toen velen de opmars van het fascisme voor onstuitbaar hielden en vreesden voor de definitieve ineenstorting van de westerse beschaving. Eigenaardig genoeg begon Brecht precies in deze sfeer zijn meesterstukken te schrijven zonder te weten of ze ooit zouden kunnen worden opgevoerd. Nog in Svendborg ontstaat in november 1938 de eerste versie van Leben des Galilei. Deze tekst wordt in

    januari 1939 licht herwerkt, en kopieën ervan worden naar theaters, vertalers en naar Brechts toenmalige uitgever Wieland Herzfelde in Praag verstuurd. De schrijver hoopt daarmee een financiële steun op te bouwen, want met het oog op de politieke toestand in Europa overweegt hij een verhuizing naar Amerika. (Erwin Piscator spoort hem in een brief van 3 maart 1939 daartoe aan).

    In Zweden

    Begin april 1939 krijgt Brecht een visum voor Zweden, waar hij uitgenodigd wordt om voordrachten over toneel te houden, en op 23 april vertrekt hij naar Stockholm, waar hij met zijn gezin in het huis van de beeldhouwster Ninnan Santesson op het eiland Lidingö kan wonen. In Kopenhagen bezorgt Ruth Berlau de druk van de „Svendborger Gedichte‟. Deze dichtbundel is een belangrijk document over de Deense episode in het leven van Brecht: hij weerspiegelt getrouw de spanning tussen de idyllische aspecten van Skovbostrand en de angst veroorzaakt door de politieke ontwikkelingen van Europa in de jaren 1933-1939. In september 1939 begint de Tweede Wereldoorlog met de Duitse invasie van Polen. Tevens bezetten Sovjettroepen Oost-Polen tot de demarcatielijn die vastgelegd werd in een geheim deel van het pact gesloten op 23 augustus tussen Hitler en Stalin. Brecht is bijzonder gechoqueerd door de nationalistische argumenten die Molotov, de Sovjetminister van buitenlandse zaken, gebruikt om de annexatie van Oost-Polen door de Sovjet-Unie te rechtvaardigen. De dramatische gebeurtenissen schijnen hem echter aan te zetten tot een verhoogd productietempo. Op zondag 17 september 1939 schrijft hij ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van zijn grootmoeder aan vaders kant (die in 1919 gestorven was) het bekende verhaal Die unwürdige Greisin (De onwaardige oma) dat lang na de dood van de schrijver de basis zou vormen van de Franse film La vieille dame indigne. Hiermee begint een reeks meesterwerken die in de

    laatste maanden in Zweden ontstaan.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 6

Mutter Courage

    Midden september 1939 waren Brecht en Weigel uitgenodigd bij Naima Wifstrand, een Zweedse actrice die een toneelschool leidde. Brecht informeerde bij haar naar een beroemde Zweedse marketentster. Naima Wifstrand vertelde hem over de gedichtenreeks Vaandrig Stahl van de Zweedse schrijver Johan

    Ludvig Runeberg en stuurde hem enkele dagen later een vertaling daarvan. Onder de indruk van zijn lectuur begon Brecht op 27 september het stuk Mutter Courage und ihre Kinder te schrijven, en een week

    later, op 3 oktober, was hij klaar met de eerste versie van dat drama dat op 19 april 1941 in Zürich in première zou gaan. Brecht had de rol van de stomme Katrien voor Helene Weigel geschreven opdat zij in zoveel mogelijk landen zou kunnen optreden.

    De handeling van Mutter Courage speelt in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), de ergste oorlog van de zeventiende eeuw, waarbij ongeveer de helft van de Duitse bevolking omkwam. Typische episodes uit die oorlog werden beschreven door een tijdgenoot, Hans Jakob Christoffel von Grimmelshausen, in zijn roman Der Abentheur-liche Simplicissimus Teutsch (1669), het beste verhaal uit die tijd, en in andere van

    zijn werken, b.v. Lebensbeschreibung der Ertzbetrügerin und Landstörtzerin Courasche (1670). Aan

    Grimmelshausen heeft Brecht niet alleen het pseudoniem „Courage‟ ontleend, maar ook de algemene sfeer van zijn stuk, dat in het teken staat van het uiterst moorddadige karakter van een grote oorlog. Dit betekent dat Brecht, aangezien zijn drama zo snel ontstond, op voorhand doordrongen moest zijn van allerlei herinneringen aan de werken van Grimmelshausen, één van de eerste auteurs die de gruwelen van een oorlog realistisch-satirisch uitgebeeld heeft.

    Van 5 tot 11 november 1939 schrijft Brecht het hoorspel Das Verhör des Lukullus, dat pas op 12 mei 1940

    uitgezonden zal worden door de Zwitserse zender Radio Beromünster. Zowel Das Verhör des Lukullus als

    Mutter Courage und ihre Kinder vertolken de pacifistische overtuiging van Brecht, die eigenlijk reeds in zijn vroege werken Legende vom toten Soldaten en Trommeln in der Nacht te vinden was.

    In januari 1940 schrijft Brecht het verhaal Der Augsburger Kreidekreis, waarvan de handeling net als die

    van Mutter Courage in de Dertigjarige Oor-log speelt. Dit zeer geslaagde verhaal, dat als voorstadium van het beroemde stuk Der Kaukasische Kreidekreis te beschouwen is, doet eigenlijk geloofwaardiger aan dan

    het latere toneelstuk over dezelfde problematiek.

    Weer op de vlucht

    Duitse troepen bezetten Denemarken en ontschepen in Noorwegen op 9 april 1940. Op dezelfde dag wordt het huis van Brecht op Lidingö doorzocht door de politie met het oog op de eventuele ontdekking van politieke publicaties. Er wordt niets van die aard gevonden, maar Brecht begrijpt dat hij zo gauw mogelijk Zweden moet verlaten. Hij zorgt voor een uitnodiging naar Finland door de Finse schrijfster Hella Wuolijoki en krijgt daardoor een visum. Zo kan hij op 17 april 1940 met zijn aanhang naar Finland wegvaren. Het blijft de bedoeling zo snel mogelijk een visum voor Amerika te bekomen. In Finland woont Brecht eerst in een klein appartement in Helsinki, waar hij er toch in slaagt een eerste versie van Der gute Mensch von Sezuan te voltooien, waaraan hij al in Svendborg en Lidingö gewerkt

    heeft. Dit werk, dat hem veel moeite gekost heeft, behandelt weliswaar een maatschappelijke problematiek, maar bevat geen enkele zinspeling op oorlogstoestanden. Het verwerkt de vruchten van de omgang van Brecht met Chinees toneel en zal later als één van zijn meest avant-gardistische stukken worden beschouwd. Maar voorlopig schijnt niemand belangstelling daarvoor te hebben. Van begin juli tot begin oktober 1940 kan Brecht met zijn gezin wonen in een huis op het landgoed Marlebäck van Hella Wuolijoki. Onder invloed van haar talrijke verhalen schrijft Brecht de klucht Herr

    Puntila und sein Knecht Matti. Brecht beschouwt dit stuk als onbelangrijk, maar na de oorlog zal het wel veel succes oogsten bij opvoeringen. Van oktober tot december 1940 werkt Brecht met zijn tbc-zieke secretaresse Margarete Steffin aan de dialogen die hij Flüchtlingsgespräche noemt. Hij zal deze nooit

    voltooien.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 7

Nog in Finland schrijft Brecht van 10 maart tot 12 april 1941 zijn satirische stuk Der aufhaltsame Aufstieg

    des Arturo Ui (de stuitbare opkomst van Arturo Ui) in samenwerking met Margarete Steffin. Brecht had gehoopt dat dit gangsterstuk een Amerikaans toneel zou interesseren, maar dit klopte niet (het ging pas in première in 1958). Het parallellisme tussen de loopbaan van Hitler en de biografie van de gangster Al Capone was hem opgevallen. De parodistische behandeling van het geval in klassieke verzen naar het voorbeeld van Schiller is zeer grappig, maar om het stuk volledig te waarderen, moet men de Duitse geschiedenis van de jaren 20 en 30 in zekere mate kennen.

    Op naar Amerika

    Op 12 mei 1941 beschikken Brecht en zijn aanhang over de nodige passen voor de Verenigde Staten. Zij vertrekken op 15 mei van Helsinki naar de Sovjet-Unie. De doodzieke Margarete Steffin stort in Moskou volledig in, en wordt in een ziekenhuis opgenomen. De anderen moeten echter hun reis absoluut voortzetten. In de transsibe-rische trein krijgt Brecht op 4 juni een telegram waarin de dood van Margarete hem wordt meegedeeld. Hij schrijft het volgende gedicht:

    In neunten Jahre der Flucht vor Hitler

    Erschöpft von den Reisen

    Der Kälte und dem Hunger des winterlichen Finnland

    Und dem Warten auf den Pass in einen anderen Kontinent

    Starb unsere Genossin Steffin

    In der roten Stadt Moskau

    (In het negende jaar van de vlucht voor Hitler,

    uitgeput door de reizen,

    De kou en de honger van het winterse Finland

    En het wachten op de pas naar een ander werelddeel

    Stierf onze kameraadse Steffin

    In de rode stad Moskou)

    De afvaart uit Wladiwostok vond plaats op 13 juni 1941 op het Zweedse vrachtschip SS Annie Johnson, dat over 51 plaatsen voor passagiers beschikte. De reis duurde vijf weken: op 21 juli 1941 kwamen het gezin Brecht en Ruth Berlau in Los Angeles aan. Zij werden verwelkomd door Lion Feuchtwanger, die hen aanraadde in Santa Monica (een wijk van Hollywood) te blijven, omdat het daar goedkoper was dan in New York. (oorspronkelijk was Brecht uitgenodigd naar de VS om theaterwetenschap aan de New School of Social Research in New York te doceren)

    In Hollywood probeerde Brecht wat geld te verdienen als schrijver van „film stories‟, maar het lukte

    nauwelijks. Slechts zijn medewerking aan het scenario van Hangmen also die, een film van Fritz Lang,

    heeft zijn naam in verband gebracht met Hollywood.

    Brecht werd vroeg gefascineerd door de figuur van Jeanne d‟Arc. Hij maakte een moderne versie van die

    figuur tot titelheldin van zijn stuk Die heilige Johanna der Schlachthöfe. Het is dus geen wonder dat hij in

    Amerika met de gedachte speelde een stuk te schrijven met de titel Jeanne d’Arc 1940, dat het thema

    collaboratie en verzet in Frankrijk zou behandelen. Hij sprak daarover met Lion Feuchtwanger, en stilaan ontstond de geschiedenis van Simone Machard, die Brecht voor het toneel en Feuchtwanger tot een roman bewerkte. Op die manier ontstond in 1942-1943 het stuk Die Gesichte der Simone Machard (De visioenen

    van Simone Machard), dat voorlopig niet opgevoerd kon worden. Maar op het einde van 1943 werd de roman Simone van Feuchtwanger verfilmd, en Brecht kreeg een deel van het honorarium.

    Sinds 1942 had Brecht ook graag de figuur van Schweyk, de Tsjechische romanheld van Jaroslav Hasek, tot hoofdpersonage van een stuk over de Tweede Wereldoorlog gemaakt. Zo ontstond in 1943 Schweyk im

    Zweiten Weltkrieg, maar ook dit stuk kwam niet in aanmerking voor Broadway.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 8

In 1944 schrijft Brecht weer een belangrijk stuk: Der Kaukasische Kreidekreis. Hij heeft geprobeerd een

    toegeving te doen aan de Amerikaanse smaak door Grusche, de vrouw die het kind van de vermoorde gouverneur redt en grootbrengt, te verloven met de soldaat Simon Chachava, die ze pas terugziet nadat zij onder de druk van maatschappelijke conventies de echtgenote van een haar onverschillige boer is geworden. Ondanks deze vertroebeling van de eenvoudige, harde handeling van het verhaal „Der Augsburger Kreidekreis‟ kon het stuk pas op 5 mei 1948 in Northfield (Minnesota) in première gaan: daar werd het gespeeld door het studententoneel van het Carlton-College.

    Intussen had Brecht zijn stuk Leben des Galilei herwerkt in samenwerking met de Amerikaanse acteur

    Charles Laughton met het oog op een Engelstalige opvoering van het werk. Deze opvoering zou op 31 juli 1947 in het Coronet Theater in Beverly Hills plaatsvinden. Hiermee oogstte Brecht voor de eerste keer een groot succes in de VS.

    De strekking van het stuk was nu veel dubbelzinniger dan bij het ontstaan van de eerste versie in Svendborg. Terwijl deze versie ondanks enig voorbehoud vooral het vertrouwen van verlichte renaissancemensen in de toekomst van de natuurwetenschappen verheerlijkte, legt de definitieve tekst de nadruk op het gevaar dat de onderwerping van wetenschappers aan de willekeur van de overheid voor de toekomst van de mensheid betekent. Men voelt nu dat het einde van het stuk in de schaduw staat van het afwerpen van de atoombom op Hiroshima, dat symbool staat voor alle moorddadige misbruiken van de wetenschap door machthebbers.

    Vervolgd in Amerika

    Het succes van Galileo (zo heette het stuk in zijn Engelse versie) maakt de Amerikaanse geheime diensten attent op Brecht (hij stond trouwens al lang onder toezicht). Als politiek verdachte moet hij op 30 oktober 1947 voor het „Commitee of Unamerican Activities‟ verschijnen. Hij verklaart dat hij nooit lid van een communistische partij is geweest (wat schijnt te kloppen) Maar ‟s anderdaags vliegt hij naar Parijs, en op

    5 november 1947 is hij in Zürich, waar hij zijn jeugdvriend, de decorontwerper Caspar Neher, terugziet. De samenwerking tussen beiden kan herbeginnen.

    In Zürich ontmoet Brecht ook een aantal Duitstalige schrijvers (o.m. de Zwitser Max Frisch, die graag met hem omgaat) en samen ondertekenen zij een oproep die voor een derde wereldoorlog waarschuwt, aangezien zo‟n oorlog de ondergang van de mensheid zou betekenen.

    Brecht heeft tijdens zijn ballingschap nog veel over theatertheorie nagedacht en geschreven. Hij wil nu deze theorie zo vroeg mogelijk in de praktijk omzetten.

    Een eerste proef in die richting zal een bewerking en enscenering van de Antigone van Sofokles zijn. Een

    Zwabische dichter uit de Goethetijd, Friedrich Hölderlin, heeft daarvan een vertaling geschreven waarvan Brecht wil uitgaan. Samen met Caspar Neher zorgt Brecht voor een regie die een model moet zijn voor de geplande opvoering van Mutter Courage in Berlijn. Op 15 februari 1948 gaat Antigone in première in het

    stadje Chur (Graubünden). Ruth Berlau maakt foto‟s van de opvoering. Ze zullen gepubliceerd worden in het boek Antigonemodell 1948, verschenen in de Henschelverlag Kunst und Gesellschaft in Berlijn(1955). Na lange jaren kan Helene Weigel in Antigone weer als actrice optreden. Dit was een oefening voor de

    terugkeer naar Berlijn, waar de Duitse première van Mutter Courage und ihre Kinder op 6 januari 1949

    plaatsvond. Met het succes van die opvoering, waarin hij zijn visie op regie volledig kon toepassen, was Brecht weer een belangrijke figuur geworden in het Duitse cultuurleven.

    Met Pinksteren 1949 is Brecht definitief terug in Berlijn. Op 8 november wordt het Berliner Ensemble, geleid door Helene Weigel, met een opvoering van Herr Puntila und sein Knecht Matti voor het eerst met

    publiek geconfronteerd. Ook deze opvoering oogst veel bijval, en de ensceneringstijl wordt aanvaard. De ballingschap van Brecht is veel harder geweest dan b.v. die van Thomas Mann, maar toch niet zo wreed als die van veel andere vluchtelingen, die vaak met een zelfmoord eindigde (men denke aan Walter Benjamin of Stefan Zweig). Door de talrijke en wisselende ervaringen die hij kon opdoen, werd Brecht

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 9

    door zijn ballingschap innerlijk verrijkt. Hij leerde veel mensen en verschillende culturen kennen, waarmee hij anders nooit in contact zou zijn geweest. En in de moeilijkste omstandigheden schreef hij zijn beste, later meest gewaardeerde werken. Waarschijnlijk komt dit omdat hij, anders dan opportunisten, steeds het dreigende zwaard van Damocles zag dat over elk menselijk leven hangt.

    uit AKTIEF ledenblad van het Masereelfonds jrg.2006, nr.1 blz. 10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com