DOC

1 Vrouwe Justitia en de psychiaters

By Randall Thompson,2014-06-22 17:17
9 views 0
1 Vrouwe Justitia en de psychiaters

    VROUWE JUSTITIA EN DE PSYCHIATERS

Jacomien Gijzeman Rook

    0451894

    Juni 2010

    Inhoudsopgave

    1 Vrouwe Justitia en de psychiaters 4

2 een Europees debat 9

     2 1 Frankrijk 9

     2 2 Italië 14

     2 3 De Franse en de Italiaanse school 15

     4 Duitsland 16 2

    e3 Nederlandse psychiatrie in de laatste decennia van de 19 eeuw; degeneratie 22

     3 1 Academisering 22

     3 2 Wetgeving 23

    3 3 De gestichten 24

    3 4 Degeneratie 25

    3 5 Ontwikkelingen in de opvattingen over degeneratie 30

    4 Gevaarlijke krankzinnigen (1890-1905) 32

     1 Krankzinnigheid en misdadigheid 32 4

     4 2 Insania moralis 34

     4 3 De gevaarlijke krankzinnigen 35

     4 4 De NMG-commissie 37

     4 5 De NVPN-commissie 41

     4 7 De Staatscommissie 42

     7 Conclusie 43 4

5 Minderwaardigen en grensgevallen; sociaal gevaar (1902-1912) 46

     5 1 De grensgevallen 46

     5 2 Sociaal gevaarlijk 47

     5 3 De Nederlandsche Juristen-Vereeniging 48

     5 4 De minderwaardigen 49

     2

     5 5 Speciaal asyl en tusschengesticht 52

     5 6 Diagnostiek en behandeling 56

     5 7 Een maatschappelijk debat 58

     5 8 Conclusie 60

    6 Psychopathie en degeneratie (1911-1930) 64

     6 1 Psychopathie, degeneratie en minderwaardigheid (1911-1930) 64

     6 2 Insania moralis 67

     6 3 Erfelijkheid 69

     6 4 Psychopathie 1920-1930 72

     6 5 Psychopathie en misdadigheid 75

     6 6 Diagnostiek en behandeling 76

     6 7 Nieuwe ontwikkelingen 78

     6 8 Conclusie 79

7 De Psychopathenwet (1911 1930) 82

     7 1 Tot stand koming van de Psychopathenwet 82

     7 2 De doelstelling en de doelgroep 83

     7 3 Toerekeningsvatbaarheid en dwangverpleging 83

     7 4 Verpleging in een asyl 85

     7 5 De psychiaters en de Psychopathenwet 86

     7 6 Conclusie 90

     8 Conclusie 93

Bijlagen

    Literatuurlijst primaire bronnen

    Literatuurlijst secondaire bronnen

     3

1 Vrouwe Justitia en de psychiaters

    e eeuws standbeeld aan van Vrouwe Soms treft men op oudere gerechtshoven nog een 19

    Justitia. Zij is geblinddoekt, want voor de wet is iedereen gelijk en ze spreekt recht zonder aanzien des persoons. Niet de persoon van de dader maar de door hem gepleegde daad staat in het centrum van haar belangstelling. In haar rechterhand draagt zij een weegschaal, waarin zij de zwaarte van het gepleegde delict afweegt tegen de zwaarte van de straf die hier op moet volgen. In haar linkerhand draagt zij het zwaard der vergelding, want op haar rust de plicht

    eehet leed te vergelden dat door het misdrijf is aangedaan. Eind 19 en begin 20 eeuw waren er

    psychiaters en juristen die meenden dat Vrouwe Justitia haar blinddoek moest afleggen, zodat

    1zij de persoon van de verdachte goed in ogenschouw kon nemen. De belangrijkste vraag die

    zij moest stellen was hoe voorkomen kon worden dat de beschuldigde opnieuw tot misdaad zou overgaan. Was hij verbeterbaar en kon hij worden behandeld? Of hoorde hij tot de onverbeterlijke beroepsmisdadigers tegen wie slechts bescherming mogelijk was door langdurige of zelfs levenslange opsluiting in een asyl? Haar weegschaal had ze niet meer nodig om deze vragen te beantwoorden, en het zwaard was overbodig geworden waar het niet meer om vergelding maar om preventie ging. Zij behoefde wel kennis van de criminele mens, en ze deed er verstandig aan hiervoor te rade te gaan bij de psychiaters, die over het algemeen graag bereid waren haar terzijde te staan.

     Het streven Vrouwe Justitia van haar blinddoek te ontdoen was een gevolg van drie

    eontwikkelingen in het laatste kwart van de 19 eeuw. In Duitsland publiceerde de

    rechtsgeleerde Franz von Liszt in 1882 Der Zweckgedanke im Strafrecht. Het klassieke

    strafstelsel was er volgens hem niet in geslaagd de criminaliteitscijfers te doen dalen en faalde in het bijzonder in het terugdringen van de recidive. Nodig was een nieuwe aanpak waarin niet de vergelding van onrecht, maar de bescherming van de maatschappij tegen misdaad voorop zou staan. Misdaad kon klaarblijkelijk niet bestreden worden door het opleggen van gevangenisstraffen die in duur afhingen van de zwaarte van het gepleegde vergrijp. Er moest een stelsel van maatregelen komen, dat rekening hield met de aard van de misdadiger: straffen als afschrikking voor de „gelegenheidsmisdadiger‟, heropvoeding als dat mogelijk was voor de „gewoontemisdadiger‟ en langdurige asylering voor de „onverbeterlijken‟ die geen baat hadden bij heropvoeding. Von Liszt richtte in 1889 samen met de Nederlander G.A. van

     1 „Er zijn in die jaren […] momenten geweest waarop het leek alsof Vrouwe Justitia niet alleen haar blinddoek maar juist daardoor ook haar zwaard zou kunnen missen.‟ Jan Romein, Op het breukvlak van twee eeuwen. De ewesterse wereld rond 1900, 514 (2 druk; Amsterdam, 1976).

     4

    Hamel en de Belg A. Prins de Internationale Kriminalistische Vereinigung op, en met hun

    2 volgelingen stonden zij voor de „Nieuwe Richting‟ in het strafrecht.

    In 1876 deed de arts Cesare Lombroso in Italië de eerste editie van zijn L„uomo

    delinquente het licht zien. Zijn onderzoek in gevangenissen had hem tot de conclusie gebracht dat crimineel gedrag een gevolg was van een aangeboren misdadige aanleg. De misdadiger was bovendien herkenbaar aan anatomische afwijkingen, die vooral aan de schedel en het gelaat te vinden waren. Hij was door zijn aard gedetermineerd en niet te beïnvloeden door straf of andere maatregelen, en dit gegeven vroeg vergaande aanpassingen in het

    3strafrechtelijk systeem.

    In Frankrijk had de psychiater B.A. Morel in 1857 zijn degeneratieleer geformuleerd. Hij meende dat een „pathologische omgeving‟ tot een degeneratieve aandoening leidde die zich kon uiten in een breed spectrum van stoornissen en afwijkingen van zowel lichaam als geest. Zijn theorie vond snel brede acceptatie, maar bereikte het hoogtepunt van haar populariteit in de jaren ‟80, toen V. Magnan een relatie legde tussen degeneratie en het werk van de beroemde neuroloog J.M. Charcot. Degeneratie kon zich uiten op allerlei manieren en in vele graden van intensiteit. Lichte en ernstige aandoeningen van het verstand, van de wil en van het morele besef konden aan degeneratie worden toegeschreven. In deze visie leende degeneratie zich in het bijzonder om misdadig gedrag te verklaren. Zowel een aangeboren misdadige aanleg als bijvoorbeeld een verzwakte wil die in de geëigende omstandigheden leidde tot een afwijken van de rechte weg, konden worden beschouwd als een gevolg van een

    4degeneratieve aanleg.

    Deze ontwikkelingen resulteerden in een nieuwe visie op de rol van de rechter. Hij moest zich niet meer bezighouden met de zwaarte van het vergrijp en de daarbij passende strafmaat, maar onderzoek doen of laten doen naar de persoon van de dader. Zowel Von Liszt als Lombroso meende dat onverbeterlijke misdadigers door blijvende opsluiting moesten worden onttrokken aan het maatschappelijk verkeer. De aanhangers van Lombroso en van de degeneratieleer meenden dat grote groepen misdadigers gelijk te stellen waren aan krankzinnigen en niet in de gevangenis thuis hoorden. De meeste West-Europese landen kenden een regeling waarbij een krankzinnige misdadiger niet als schuldig werd beschouwd.

     2 Richard F. Wetzell, Inventing the criminal. A history of German criminology, 1880-1945. (Chapel Hill en

    Londen 2000) 33 38. 3 Mary S. Gibson, „Cesare Lombroso and Italian criminology: theory and politics‟, in: Peter Becker en Richard

    F. Wetzell, Criminals and their scientists. The history of criminology in international perspective. (Cambridge

    2006) 137-158. 4 Robert A. Nye, Crime, madness and politics in modern France. (Princeton 1984) 119 - 149; Ian Dowbiggin,

    Inheriting madness. Professionalization and psychiatric knowledge in nineteenth-century France. (Berkeley

    1991) 118 127.

     5

    In Nederland stelde artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht uit 1886 dat iemand die een strafbaar feit had gepleegd, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn verstandelijke vermogens niet kon worden aangerekend, niet gestraft werd maar kon worden opgenomen in een krankzinnigengesticht. Dit soort regels was gebaseerd op het klassieke strafrecht, dat de meeste misdadigers als verantwoordelijk voor hun vergrijp beschouwde. De ontoerekeningsvatbare krankzinnige werd gezien als een individuele uitzondering. In de nieuwe benaderingen ging het echter om grote groepen criminelen die als gelijk aan of gelijkend op krankzinnigen werden beschouwd. De verdedigers van deze standpunten openden de discussie over de noodzaak van een nieuw soort instituut, geen gevangenis en ook geen gesticht, maar iets daar tussen in, waar deze gestoorde gewoontemisdadigers konden worden opgenomen.

    Degeneratie kon zich uiten op velerlei manieren en in velerlei gradaties. Onder gedegenereerden vond men mensen die niet uitgesproken krankzinnig waren, maar wel een door hun aandoening veroorzaakte criminele aanleg hadden. Was hun misdaad hen aan te rekenen, of moesten zij als de krankzinnigen gezien worden en niet verantwoordelijk worden geacht voor hun vergrijp? Hoorden zij in de gevangenis, in het gesticht of in het bovenbedoelde nieuwe soort inrichting?

     Von Liszt en zijn kompanen van de Nieuwe Richting, Lombroso en zijn medewerkers, en de aanhangers van de degeneratieleer brachten een discussie op gang over het wezen van de misdadige mens en de gewenste inrichting van het strafrecht. Het werd een discussie op Europees niveau. Lombroso organiseerde in 1885 het eerste Internationale Crimineel Antropologische Congres in Rome. Er zouden er tot 1911 nog zes volgen in diverse West-Europese hoofdsteden. In dezelfde periode hield de Internationale Kriminalistische Vereinigung jaarlijks een congres over vernieuwing van het strafrecht en de penitentiaire inrichtingen. Allerwegen werd debat gevoerd over de oorzaken van criminaliteit, de aard van de misdadige mens, de rol van aanleg en omgeving, en de gewenste behandeling van misdadigers. (Hoofdstuk 2)

     Mede gestimuleerd door de opvattingen van Van Hamel en de eerste generatie hoogleraren in de psychiatrie werden deze zaken ook in Nederland besproken. Vanaf de

    e eeuw werden commissies ingesteld om onderzoek te doen en adviezen uit jaren ‟90 van de 19

    te brengen. De discussies leidden uiteindelijk in 1928 tot de invoering van de Psychopathenwet of TBR en de opening van speciale asyls voor misdadigers met een geestesstoornis.

     6

    In de historiografie van deze ontwikkeling bestaan een aantal overzichtsartikelen die

    5 Het juridisch aspect van de tot de standpunten en gebeurtenissen in deze periode beschrijven.

    6stand koming van de Psychopathenwet is uitgebreid geanalyseerd. Er is aandacht voor de

    opvattingen van psychiaters over hun rol in het juridisch proces, voor de relatie tussen

    7psychiaters en juristen, en de visies van individuele psychiaters. Er is echter geen

    systematische beschrijving en analyse van de opvattingen van de Nederlandse psychiaters over de relatie tussen misdadigheid en geestesstoornis vanaf het begin van de jaren ‟90 van de e19 eeuw tot aan de invoering van de Psychopathenwet. Deze opvattingen zijn van belang, omdat psychiaters gedurende deze periode een steeds ruimere plaats in het strafrecht kregen.

    eAan het eind van de 19 eeuw vroegen rechters slechts in een gering aantal gevallen om een psychiatrische voorlichting, maar toen de Psychopathenwet in 1928 werd ingevoerd hadden psychiaters een grote invloed op de beslissingen van de rechter over de geestestoestand van de

    8verdachte en de wenselijkheid van een opname in een asyl. Er stond een psychiater aan het

    hoofd van de psychopatenasyls, die werden gezien als een behandelinstituut. In de jaren ‟10 kwam de reclassering tot ontwikkeling en ook in die organisatie hadden psychiaters grote zeggenschap. Daarom wil het hier beschreven onderzoek in deze leemte voorzien.

     Na een korte beschrijving van de stand van zaken in de psychiatrie in de laatste

    edecennia van de 19 eeuw, worden de opvattingen van de psychiaters over degeneratie als oorzaak van krankzinnigheid en geestesstoornissen beschreven (Hoofdstuk 3). Deze opvattingen waren gedurende de hele onderzochte periode van doorslaggevende invloed op de standpunten over het verband tussen geestelijke stoornis en criminaliteit. Naast continuïteit was echter ook sprake van wisseling in thema‟s, veranderend spraakgebruik en ontwikkeling in inzichten. In de jaren ‟90 werd gediscussieerd over insania moralis en de gevaarlijke

     5 Zie o.a. I. Weijers en F. Koenraadt, „De toenemende vraag naar expertise – een eeuw forensische psychiatrie en

    psychologie.‟ in: F. Koenraadt, C. Kelk, en J. Vijselaar (red), Tussen straf en behandeling. Rechtsbescherming

    en veiligheid in de twintigste eeuw. (Deventer 2007) 1-74; Harry Oosterhuis en Marijke Gijswijt-Hofstra,

    Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2995) (Houten 2008), 221 - 238, 343 353. 6 E. J. Hofstee, TBR en TBS. De TBR in rechtshistorisch perspectief. (Gouda en Arnhem 1897). Zie verder o.a. C.

    Kelk, „Honderd jaar debat over (straf)recht en psychiatrie.‟ in: Koenraadt e.a., Tussen straf en behandeling. 75-

    134. 7 Zie o.a. Denise de Ridder en Colette de Vries, „De psychopathenwetten, achtergronden en beleid 1910-1940‟,

    Recht en Kritiek(10 (1984) 63-79; D. de Ridder, „Diagnose als vonnis. De taak van de psychiater in het strafrecht 1890-1910‟, Tijdschrift voor Psychiatrie 29 (1987) 329-342; Douwe Draaisma, „Heymans contra Aletrino‟, De

    Psycholoog 27 (1992) afl.1, 16-19; Douwe Draaisma, „De Hollandse schedelmeters. Lombroso in Nederland‟,

    Feit en fictie 2 (1995) afl. 2, 49-73; Jessica Slijkhuis, „Recht van spreken in het spreken van recht: Nederlandse

    psychiaters en het strafrecht rond 1900‟, in: Frans van Lunteren e.a. (red.), De opmars van de deskundigen.

    Souffleurs van de samenleving. (Amsterdam 2002) 75-87; Jessica Slijkhuis, „Het virus van de immoraliteit.

    Insania moralis en de psychiatrie omstreeks 1900‟, in: Liesbeth Nys e.a. (red.), De zieke natie. Over

    medicalisering van de samenleving.1860-1914 (Groningen 2002) 321-330. 8 Weijers en Koenraadt, „De toenemende vraag‟, 11 – 24.

     7

    krankzinnigen in de gestichten (Hoofdstuk 4). Na de eeuwwisseling stond de maatschappelijk gevaarlijke „minderwaardige‟ misdadiger in het brandpunt van de belangstelling (Hoofdstuk 5). In deze periode werd de basis gelegd voor de Psychopathenwet. Het eerste wetsontwerp verscheen in 1911, maar de invoering van de wet zou tot 1928 op zich laten wachten. Vanaf 1911 verdrong het begrip psychopathie de eerdere termen degeneratie en minderwaardigheid, hoewel de inhoud van deze drie begrippen in eerste instantie nog volledig synoniem was. In deze fase spraken psychiaters over de rol van erfelijkheid, over de diagnose insania moralis en over de aard van de psychopatische misdadiger. Langzamerhand kreeg het begrip psychopathie nu een eigen invulling, die met name de betekenis kreeg van een karakterstoornis (Hoofdstuk 6). De gang van zaken met betrekking tot de invoering van de Psychopathenwet en de opvattingen van psychiaters over deze wet worden beschreven in Hoofdstuk 7.

     In het onderzoek komen de psychiaters aan het woord, maar ook de strafrechtsgeleerde G.A. van Hamel. Hij was een gezaghebbend figuur die grote invloed uitoefende. Hij was een van de initiatiefnemers van het Psychiatrisch Juridisch Gezelschap (PJG), dat in 1907 werd opgericht om het onderlinge begrip tussen juristen en psychiaters te vergroten. Hij was erelid van de Nederlandsche Vereeniging voor Psychiatrie en Neurologie (NVPN), en woonde de vergaderingen bij als onderwerpen met strafrechtelijke implicaties op de agenda stonden.

     Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een literatuurstudie. De opvattingen van psychiaters zijn ontleend aan de verslagen van het PJG tussen 1907 en 1930, en artikelen en verslagen in de Psychiatrische Bladen (1891-1896) en de Psychiatrische en Neurologische

    Bladen (1897-1930). Ook is gebruik gemaakt van psychiatrische leerboeken, oraties, en door psychiaters voor een groter publiek geschreven brochures over misdadigheid en geestesstoornis.

     8

2 Een Europees debat

    e eeuw werd in de meeste landen van West-Europa door juristen, Aan het eind van de 19

    psychiaters, sociologen, biologen en een geïnteresseerd publiek gediscussieerd over de oorzaken van criminaliteit, het wezen van de criminele mens, de relatie tussen misdadigheid en geestesstoornis, en de gewenste aanpassingen in het strafrecht. Het debat kreeg vooral impulsen uit Frankrijk, Italië en Duitsland.

2 1 Frankrijk

    ? De Franse forensische psychiatrieheeft een lange traditie, die een serieuze aanvang nam toen

    ede psychiater Etienne Georget in de jaren twintig van de 19 eeuw een relatie legde tussen

    monomanie en misdadigheid. Het ziektebeeld „monomanie‟ was ruim tien jaar eerder voor het eerst omschreven door J.E Esquirol, en werd na een aarzelend begin snel populair. Vanaf de jaren ‟70 gold de monomanie niet meer als een serieuze psychiatrische diagnose. In haar

    turbulente carrière zorgde de monomanie voor erkenning van de psychiatrie als een

    9forensische discipline, zij het dat dit proces niet zonder weerstand verliep.

    Esquirol beschreef de monomanie als een aandoening van het verstand, die zich uitte in de fixatie op één idee, en die gepaard ging met een drang tot fysieke en mentale activiteit. Het was een vorm van gedeeltelijke waanzin. Een deel van de geest werd getekend door

    waanbeelden en handelingsdrang, terwijl andere delen gezond en ordelijk konden zijn. In 1825 publiceerde Georget een brochure, waarin hij vijf geruchtmakende moordzaken besprak. Hij concludeerde dat in drie van de vijf gevallen de moord was begaan door een krankzinnige, die door de rechter niet als zodanig was herkend. Hij pleitte er voor dat rechters vaker gebruik zouden maken van de deskundigheid van psychiaters. In de brochure wees hij op het bestaan van de aandoening monomanie, die hij uitgebreid voor het voetlicht bracht. Hij breidde het monomanieconcept uit door er twee subcategorieën in te onderscheiden, de monomanie van het verstand, die ook door Esquirol werd beschreven, en de nieuwe monomanie van de wil en de gemoedsaandoeningen, waarbij het verstand in tact kon zijn. Met name deze laatste vorm kon betekenen dat de lijder zich onweerstaanbaar gedwongen voelde tot het plegen van misdaden. Zo bestond er de „monomanie homicide‟, die de lijder tot moord bracht, terwijl

     9 J. Goldstein, Console and classify. The French psychiatric profession in the nineteenth century. (Cambridge

    1990) 152-196.

     9

    andere vormen van monomanie, zoals de kleptomanie en de pyromanie, leidden tot stelen dan

    10 wel brandstichten.

     De Franse Code Pénal verklaarde dat er geen sprake was van een misdaad of misdrijf als de daad was begaan door een krankzinnige. In een dergelijk geval volgde ontslag van rechtsvervolging. Tot aan de interventies van Georget werd echter zelden een beroep gedaan op artsen om vast te stellen of sprake was van krankzinnigheid. Rechters gebruikten hun eigen indruk van de verdachte en deden zo nodig navraag bij familie en buren. Een krankzinnige was volgens de geldende opvattingen iemand wiens verstand en rede waren aangetast, en die toestand kon goed worden vastgesteld door leken. Om de diagnose monomanie te stellen was echter een vakman nodig, want hier ging het om gedeeltelijke waanzin, die samen kon gaan met normaal en verstandig gedrag. Daarbij was de monomaan vaak goed in staat zijn partiële waanzin te verbergen, en dit gold eens te meer voor de lijders aan een monomanie van de wil, die een volledig normaal verstand konden hebben. Niettemin waren hun misdaden het werk

    11van een krankzinnige die niet zou moeten worden gestraft, maar opgenomen in een gesticht.

     Vanaf het begin waren er psychiaters die kritiek uitten op het monomanieconcept, maar in eerste instantie werden de gelederen zo veel mogelijk gesloten om geen grond te verliezen in de strijd om het juridisch terrein te veroveren. Naarmate de artsen zekerder werden van hun positie in de gerechtelijke procedure, werd de kritiek openlijker en harder geuit. Aanhangers van de monomanie werd verweten dat zij bevooroordeeld waren in hun klinische observaties. Bij zorgvuldig en langduriger onderzoek zou blijken dat de veronderstelde lijders aan monomanie wel degelijk aandoeningen vertoonden in meerdere aspecten van de geest. Eind jaren ‟50 was de rage over zijn hoogtepunt heen, en vanaf die tijd

    werd de diagnose monomanie steeds minder gesteld, om in de loop van de jaren ‟60 bijna

    12geheel te verdwijnen.

     De plaats die monomanie verloor werd ingenomen door de degeneratieleer. Veel meer dan de monomanie vond het degeneratiebegrip onthaal bij een brede groep juristen. Het was niet minder ongrijpbaar dan zijn voorganger, maar daar stonden voordelen tegenover.

     De degeneratieleer werd in 1857 voor het eerst geformuleerd door de arts B.A. Morel in zijn Traité des dégénérescences physiques, intellectuelles et morales de l?espèce humaine.

    Ze was gebaseerd op het klassieke Franse erfelijkheidsconcept van de bioloog J.B. Lamarck. Centraal in Lamarcks benadering stond de voortdurende aanpassing van een organisme aan

     10 Goldstein, Console and classify, 155-158, 165,166. 11 Ibidem, 162-164. 12 Ibidem, 166-178.

     10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com