DOC

De Europese Unie en de strijd tegen armoede

By Ruby Alexander,2014-08-29 11:15
10 views 0
De Europese Unie en de strijd tegen armoede

Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 1

    Editoriaal

    Dit is een tussentijds thematisch nummer van Europees Nieuws toegespitst op twee zeer belangrijke Europese officiële rapporten, met name aangaande de Europese strijd tegen werkloosheid en tegen armoede. Beide rapporten tonen aan dat Europa doordringt tot het hart van het nationaal sociaal beleid. De mate waarin Europa in het nationaal beleid doordringt verschilt echter nog sterk afhankelijk van het thema. Zo is de rol van Europa op vlak van werkgelegenheid veel sterker uitgebouwd dan die op vlak van armoede. Maar op beide domeinen neemt de rol van Europa steeds meer toe.

    Dit gegeven kan men ook terugvinden in de twee rapporten die we in dit nummer bespreken. Ofschoon beide documenten volgens eenzelfde Europese beleidsmethode (Europese doelstellingen en indicatoren, nationale rapporten, …) opgesteld werden, is het eindresultaat erg verschillend. Het

    werkgelegenheidsrapport bevat duidelijke doelstellingen en heel wat relevant vergelijkend cijfermateriaal. Hierdoor is een duidelijke vaak pijnlijke

    vergelijking tussen de lidstaten mogelijk. Dat heeft alles te maken met het feit dat het werkgelegenheidsbeleid steeds meer door Europa gedirigeerd wordt. Het rapport inzake de strijd tegen armoede daarentegen is niet veel meer dan een Europese poging om het beleid op dat vlak te coördineren. Het bevat weinig of geen gekwantificeerde doelstellingen, waardoor de eventueel geboekte vooruitgang maar moeilijk aangetoond kan worden. Vergelijken wordt dan heel moeilijk, waardoor het rapport een veel minder dwingend karakter krijgt.

    Ondanks de verschillen worden de resultaten van alle Europese landen op welbepaalde domeinen in de twee rapporten naast elkaar gelegd. Goed scoren versterkt vaak het grote gelijk van de lidstaten. Laatste eindigen in een Europese vergelijking is daarentegen voor geen enkele lidstaat leuk … Ook voor België niet.

    Beide rapporten tonen duidelijk aan dat Europa zeer ver staat van de doelstelling om tegen 2010 de Europese werkloosheid en armoede drastisch in te perken. Het lijkt er steeds meer op dat alle partijen de onbereikbaarheid van deze ambitieuze doelstelling hebben aanvaard en er zich bij neerleggen. Desondanks roept de Europese Commissie de lidstaten op om het proces en de strijd verder te zetten. Dat de uitdagingen groot zijn tonen beide rapporten duidelijk aan. Zo’n 14

    miljoen EU-burgers zitten momenteel zonder werk. De werkgelegenheidsgraad in

    Europa blijft momenteel steken op 64,3%. Dit betekent dat het tussentijds Europees streefdoel van 67% tegen 2005 niet gehaald zal worden. Hierdoor komt de doelstelling van 70% tegen 2010 eveneens in gevaar. 15 % van de Europese bevolking of zo’n 55 miljoen inwoners en één op vijf kinderen bevinden zich door hun laag inkomen in een risicosituatie m.b.t. armoede. Meer dan de helft van hen bevinden zich in een langdurige armoedesituatie. Een kind op tien leeft bovendien in een werkloos gezin.

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 2

    Niet alleen Europa is nog ver verwijderd van de doelstellingen. Ook België heeft nog heel veel werk aan de winkel. Het werkgelegenheidsrapport toont nog maar eens aan hoe zwak ons land scoort in vergelijking met de meeste andere EU-lidstaten. De cijfers spreken voor zichzelf. We worden met lengten geklopt door lidstaten die wij steeds als meelopers beschouwd hebben. Voor België wordt het halen van het Europees streefdoel een haast onmogelijke opdracht. In het armoederapport scoort België heel wat beter. Wel dient België dringend werk te maken op een aantal domeinen. Zo is het aantal huishoudens zonder werk het grootst in België. Geen enkel Europees land scoort hier slechter. Ook op vlak van huisvesting is er in België nog heel wat werk aan de winkel.

André Cornille

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 3

    I. Europa en zijn strijd tegen werkloosheid

    Op 21.01.2004 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring verleend aan de ontwerptekst voor het gezamenlijk werkgelegenheidsrapport 2003-2004 dat moet voorgesteld worden op de Europese Lentetop van 25-26 maart 2004 in Brussel. In dat rapport wordt voor het eerst een beoordeling gemaakt van de vooruitgang die de EU-lidstaten geboekt hebben wat betreft de implementatie van de vorig jaar goedgekeurde nieuwe Europese Werkgelegenheidsstrategie (2003-2006). Ze is gebaseerd op bijdragen van de lidstaten in de vorm van nationale actieplannen (NAP’s) voor werkgelegenheid en sociale uitsluiting.

1. De vernieuwde Europese Werkgelegenheidsstrategie

    (EWS)

    Het rapport toont aan dat de op gang gebrachte hervormingen voortgezet worden via een aantal acties vastgelegd in de EWS. Maar er moeten (nog) meer inspanningen geleverd worden om de werkgelegenheids- en productiviteitsgroei te versnellen. Er is nood aan een brede aanpak die zowel het macro-economisch als het investeringsbeleid, ondernemerschap, innovatie, structurele hervormingen, onderzoek en ontwikkeling, onderwijs en opleiding, als socialezekerheidssystemen omvat.

    De EWS is gebaseerd op drie allesomvattende doelstellingen: volledige tewerkstelling, kwaliteit en productiviteit in zijn/haar job, en versterkte sociale samenhang en insluiting. Het succes van de EWS hangt af van de positieve

    interactie van deze drie doelstellingen. Het rapport gaat de huidige situatie na m.b.t. elk van de drie doelstellingen en de tien daartoe goedgekeurde richtsnoeren.

    Het ontwerprapport wordt vrijgegeven op een ogenblik dat de doelstellingen van de strategie van Lissabon ernstig in het gedrang gebracht worden als gevolg van de huidige situatie op de arbeidsmarkt. Europa blijft immers de impact voelen van de economische terugval van 2002 en 2003. De werkgelegenheidsgroei stagneerde begin 2003 en zal in 2004-2005 slechts licht toenemen. De werkloosheid is in vergelijking met 7,3% in 2001 geleidelijk aan gestegen tot 8,1% in 2003. De hervormingen van de voorbije jaren hebben de Europese arbeidsmarkt beter bestand gemaakt tegen schokken. Als de economie echter niet heropleeft en als verdere arbeidsmarkthervormingen uitblijven is de kans groot dat de werkgelegenheid stagneert en dat de werkloosheid en de inactiviteit toenemen.

    De vooruitgang die geboekt werd t.a.v. de doelstelling van Lissabon om tegen 2010 een globale tewerkstellingsgraad van 70% te halen, is stilgevallen op 64,3%. Het is dan ook duidelijk dat de EU haar tussentijdse doelstelling van 67% in 2005 niet zal halen. Wat wel meevalt is dat de tewerkstellingsgraad van vrouwen, in 2002 tot 55,6% gestegen, nog steeds op een goed spoor zit om de tussentijdse doelstelling van 57% in 2005 te halen.

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 4

    Het staat vast dat een hogere tewerkstellingsgraad van oudere werknemers van cruciaal belang zal zijn voor het halen van een globale tewerkstellingsgraad van 70% in 2010.

    Ofschoon die tewerkstellingsgraad van oudere werknemers in 2002 tot iets meer dan 40% gestegen is komt de doelstelling van 50% tegen 2010 nog helemaal niet in zicht.

    De Europese Lentetop van vorig jaar lag aan de basis van de oprichting van een Europese Taakgroep Werkgelegenheid o.l.v. de gewezen Nederlandse premier

    Wim Kok. Ze kreeg als opdracht aan de Europese Commissie (EC) voorstellen te doen omtrent praktische hervormingen met de meest directe en snelste impact op de implementatie van de EWS. De Europese Raad van december 2003 nodigde de EC en de Raad (van Ministers van Werkgelegenheid) uit om bij de voorbereiding van het gezamenlijk werkgelegenheidsrapport rekening te houden met de conclusies van het rapport van de Europese Taakgroep Werkgelegenheid. Volgens deze taakgroep moet zowel de werkgelegenheids- als de

    productiviteitsgroei verhoogd worden.

    Dit is alleen maar mogelijk als er werk gemaakt wordt van:

    ; een grotere flexibiliteit van werknemers en ondernemingen;

    ; een sterkere aantrekking van mensen tot de arbeidsmarkt;

    ; een grotere en efficiëntere investering in menselijk kapitaal; ; het garanderen van een effectieve implementatie van hervormingen door

    middel van een beter bestuur.

    De conclusies en de beleidsboodschappen van de Taakgroep Werkgelegenheid werden door de EC en de Raad overgenomen en volledig geïntegreerd in het gezamenlijk werkgelegenheidsrapport.

De NAP’s illustreren dat de EU-lidstaten het pad van

    arbeidsmarkthervormingen blijven volgen. Sommige landen hebben zich zelfs nog verder geëngageerd via nationale doelstellingen i.v.m.

    tewerkstellingspercentages of jobcreatie. Het gaat hierbij vooral over hervormingen om de arbeidsmarktdeelname en het werkaanbod te verhogen. De EU maakt zich duidelijk zorgen over de dalende arbeidsproductiviteit van de laatste tien jaar. Vandaar dat een productiviteitsstijging een hoge prioriteit krijgt binnen de NAP’s. De link met een betere jobkwaliteit moet nog verder uitgebouwd worden, maar er dienen zich alleszins hoopgevende ontwikkelingen aan. Ook al is er nog heel wat ruimte voor verbetering, toch is er vooruitgang op het vlak van onderwijs en vaardigheden, genderkloven (uitgezonderd verloning) en veiligheid op het werk.

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 5

    2. De Europese situatie m.b.t. de implementatie van de tien

    richtsnoeren

    Wat de implementatie van de tien specifieke richtsnoeren betreft, kan in grote lijnen het volgende vastgesteld worden:

1. Preventie en activering: er wordt steeds meer werk gemaakt van de

    doelstelling dat alle werklozen in een vroeg stadium moeten kunnen

    genieten van begeleidingsdiensten en individuele ondersteuning bij het

    zoeken naar een job; er wordt wel te weinig aandacht geschonken aan de

    deelname van niet-actieven (vooral vrouwen); slechts weinig lidstaten geven

    informatie door over het effect van hun activeringsmaatregelen; er moeten

    meer inspanningen geleverd worden om vergelijkbare activerings- en

    preventie-indicatoren te voorzien;

    2. Ondernemerschap: de meeste lidstaten leveren inspanningen om het

    opstarten van nieuwe ondernemingen te vergemakkelijken, de

    administratieve rompslomp te verminderen en de ondersteunende

    dienstverlening uit te breiden; heel wat lidstaten voeren

    managementsopleiding in op diverse onderwijsniveaus om van

    ondernemerschap een carrièremogelijkheid voor eender wie te maken;

3. Verandering aanpakken en aanpasbaarheid bevorderen: er is een duidelijke

    trend naar grotere flexibiliteit via wijzigingen aan de werktijdmodellen en

    de werkomgeving; in een aantal lidstaten werd de aandacht verlegd naar het

    invoeren van flexibiliteit in standaardcontracten, het verbeteren van de

    werkomstandigheden en het terugdringen van het aantal werkongevallen en

    beroepsziekten; acties om geografische mobiliteit te bevorderen blijven

    weinig ontwikkeld;

4. Menselijk kapitaal ontwikkelen: als de Unie tegen 2010 wil bereiken dat

    85% van de 22-jarigen hoger secundair onderwijs afgewerkt heeft en dat

    12,5% van de volwassen populatie aan onderwijs en opleiding deelneemt, zal

    een nog veel grotere inspanning geleverd moeten worden dan nu reeds het

    geval is; slechts enkele lidstaten engageren zich voor een verhoogde en

    efficiëntere investering in menselijk kapitaal; een aantal lidstaten spannen

    zich in om de systemen van levenslang leren zodanig te hervormen dat er

    sprake is van een vraaggericht systeem en meer op individuele behoeften

    afgestemde mogelijkheden;

5. Het jobaanbod uitbreiden en actief oud worden bevorderen: het jobaanbod

    moet in ieder geval uitgebreid worden om de werkgelegenheids- en

    economische groei op middellange en lange termijn te versterken; de

    tewerkstellingsgraad van oudere werknemers moet omhoog en hetzelfde

    moet gebeuren met de gemiddelde uitstapleeftijd uit de arbeidsmarkt;de

    lidstaten moeten absoluut allesomvattende strategieën ontwikkelen om de

    arbeidsmarktdeelname te verhogen;

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 6

    6. Gendergelijkheid: vele lidstaten doen hun best om de deelname van vrouwen

    aan de arbeidsmarkt te verhogen en de werkgelegenheids- en

    werkloosheidsvallen te verminderen, maar de onderliggende factoren die

    aan de basis liggen van die vallen worden maar weinig aangepakt;

    kinderopvang wordt vaak als prioriteit beschouwd, maar er gaat te weinig

    aandacht naar zijn kwaliteit en betaalbaarheid;

7. Integratie van achtergestelde groepen: de meeste lidstaten stellen

    beleidsmaatregelen voor om het aantal vroegtijdige schoolverlaters te

    beperken en de arbeidsmarktsituatie van mensen met een handicap,

    migranten en etnische minderheden te verbeteren, maar deze volstaan niet

    om de integratie van alle achtergestelde groepen waar te maken; de

    werkgevers zouden zich veel meer moeten engageren op dat vlak;

    8. Werk lonend maken: een aantal lidstaten moeten nog heel wat maatregelen

    treffen om werken (financieel) aantrekkelijk te maken (herziening

    belastingen en uitkeringen, hervorming pensioenen, …);

9. Zwartwerk ombouwen tot legaal werk: de lidstaten maken meer werk van

    een geïntegreerde aanpak van het probleem van zwartwerk via een

    vereenvoudiging van het zakenmilieu, hervormingen van belastings- en

    uitkeringssystemen, een verbeterde uitvoering van wetten en de toepassing

    van sancties;

10. Regionale verschillen wegwerken: de verschillen tussen regio’s op het vlak

    van werkgelegenheid en werkloosheid blijven groot en zullen nog toenemen

    na de uitbreiding van de Unie (1.05.2004); het Europees Sociaal Fonds (ESF)

    zal een sleutelrol moeten blijven spelen bij het wegwerken van die

    verschillen.

    Het succes van het werkgelegenheidsbeleid hangt af van de kwaliteit van de toepassing ervan. De nationale actieplannen dienen echter maar zelden als het centraal instrument om nationale tewerkstellingsprioriteiten te bespreken en te omschrijven. De parlementaire lichamen, de sociale partners en de lokale overheden moeten veel meer bij die nationale actieplannen betrokken worden. Er is ook nood aan een beter beheer van het werkgelegenheidsbeleid op nationaal en Europees niveau. Uit een reactie van het European Anti-Poverty Network (EAPN) blijkt dat ook andere relevante actoren, zoals vertegenwoordigers van organisaties van arme mensen, niet bij de ontwikkeling, uitwerking en opvolging van de NAP’s betrokken worden.

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 7

3. Waar staat België in vergelijking met de andere lidstaten?

1. Actieve en preventieve maatregelen voor werklozen en inactieven

    Door de economische terugval werd de daling van de werkloosheidsgraad afgebroken. Hij steeg van 7,4% in 2001 naar 8,1% in 2003 (EU-gemiddelde), wat betekent dat zo’n 14 miljoen EU-burgers zonder werk zitten. Uit de cijfers van

    2002 blijkt dat België met 7,3% op de negende plaats komt. Duitsland (8,6%), Frankrijk (8,7%), Italië (9%), Finland (9,1%), Griekenland (10%) en Spanje (11,3%) doen het slechter. Nederland (2,7%), Luxemburg (2,8%), op enige afstand gevolgd door Oostenrijk (4,3%), Ierland (4,4%), Denemarken (4,5%), Zweden (4,9%), Portugal (5,1%) en het Verenigd Koninkrijk (5,1%) doen het heel wat beter dan ons land.

    De langdurige werkloosheidsgraad stabiliseerde zich rond 3% (EU-gemiddelde). België (3,6%) zit met een elfde plaats in het achterpeloton en wordt gevolgd door Spanje (3,9%), Duitsland (4,4%), Griekenland (5,1%) en Italië (5,3%). Het goed voorbeeld komt van Nederland (0,7%), Oostenrijk (0,8%), Luxemburg (0,8%), Denemarken (0,9%), Zweden (1%), het Verenigd Koninkrijk (1,1%), Ierland (1,3%), Portugal (1,8%) en in mindere mate van Finland (2,3%) en Frankrijk (2,7%).

    Samen met Denemarken, Frankrijk en Italië wordt België (dankzij de vroegtijdige screening in het Vlaams Gewest) geprezen voor zijn bijkomende inspanningen die ervoor zorgen dat iedere werkloze in een vroeg stadium van zijn werkloosheid kan genieten van individuele begeleiding en ondersteuning bij het zoeken naar een job.

    Acht lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) halen de nieuwe 25% doelstelling inzake activering van langdurige werklozen. Er wordt echter nog te weinig aandacht besteed aan de insluiting van inactieven, waardoor met name maar weinig vrouwen toegang krijgen tot actieve en preventieve maatregelen. De werkgelegenheidsgraad in België (59,9%) blijft laag in vergelijking met de meeste andere lidstaten: Denemarken (75,9%), Nederland (74,4%), Zweden (73,6%) en het Verenigd Koninkrijk (71,7%) scoorden in 2002 al hoger dan de 70% doelstelling van Lissabon voor 2010. Ook Oostenrijk (69,3%), Portugal (68,2%), Finland (68,1%) zitten al dicht bij dat cijfer. Luxemburg (63,7%, Ierland (65,3%), Duitsland (65,3%) en Frankrijk (63%) zijn op goede weg. België volgt op de twaalfde plaats en behoort met Spanje (58,4%), Griekenland (56,7%) en Italië (55,5%) tot slechtst presterende landen.

    Absoluut ondermaats blijft de tewerkstellingsgraad van de 55-64 jarigen. België haalt met slechts 26,7% de slechtste score van alle lidstaten. Alleen Luxemburg (28,3%) en Italië (28,9%) scoren ook minder dan 30%.

2. Jobcreatie en ondernemerschap

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 8

    In de uitgebreide Unie zullen ongeveer 22 miljoen nieuwe jobs geschapen moeten worden om de doelstelling van Lissabon (70% werkgelegenheidsgraad in 2010) te halen. Luxemburg (11,4%), Denemarken (10%), Spanje (9,7%), Nederland (9,4%) en het Verenigd Koninkrijk (8,9%) haalden de beste scores wat betreft de creatie van nieuwe ondernemingen, terwijl Italië (7,8%), Portugal (7,6%), Finland (7,3%), Zweden (7%) en België (7%) heel wat lager scoorden. Van Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Ierland en Oostenrijk zijn geen vergelijkbare cijfers (jaar 2000) beschikbaar. Een aantal lidstaten (waaronder België) hebben initiatieven genomen om tot een vereenvoudiging en verbetering van de wet- en regelgeving te komen m.b.t. de oprichting van bedrijven. Hetzelfde geldt voor de wetgeving m.b.t. faillissementen.

3. Flexibiliteit en mobiliteit op de arbeidsmarkt vergroten

    Het systeem van deeltijdse contracten wordt het meest toegepast in Nederland (34,8%), op enige afstand gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (22,2%), Duitsland (19,2%), België (18,3%), Denemarken (18,3%) en Oostenrijk (18%). Deeltijdse arbeid is daarentegen veel minder ingeburgerd in Zweden (14%), Ierland (13,2%), Frankrijk (12,9%), Luxemburg (10,8%), Finland (8,1%), Italië (6,3%), Spanje (3,7%), Portugal (2,4%) en Griekenland (1,9%).

    Wat contracten van bepaalde duur betreft ziet het plaatje er heel anders uit. Spanje is hier koploper met 26,6%, gevolgd door Portugal (19,2%), Finland (13,2%), Frankrijk (10,2%) en Duitsland (10%). Tijdelijke contracten zijn veel minder gebruikelijk in Griekenland (9,3%), Zweden (8,6%), Italië (7%), Oostenrijk (6,2%), Denemarken (5,9%), Nederland (5%), België (4,6%), Luxemburg (3,3%), het Verenigd Koninkrijk (3,2%) en Ierland (2,3%).

    Met vindt het meeste zelfstandigen in Griekenland (32%), Portugal (25,4%) en Italië (23,4%). Het percentage ligt al heel wat lager in Spanje (17,5%), Ierland (16,8%), België (13,6%), Finland (12,3%), het Verenigd Koninkrijk (11,4%), Nederland (11,1%) en Oostenrijk (10,9%). Hekkensluiters zijn Zweden (10,2%), Duitsland (10%), Frankrijk (9,7%), Denemarken (8%) en Luxemburg (7,4%). Wat het aantal ernstige arbeidsongevallen betreft scoort België zeer goed. Alleen Denemarken doet het nog iets beter. Maar wat arbeidsongevallen met dodelijke afloop betreft scoort België het slechtst van alle lidstaten.

4. De ontwikkeling van menselijk kapitaal en levenslang leren bevorderen

    De EU heeft het behoorlijk moeilijk om de Lissabon-doelstelling te halen die zegt dat 85% van alle 22-jarigen in 2010 hun diploma van hoger secundair onderwijs moeten behaald hebben. In 2002 werd een EU-gemiddelde van 75,5% gehaald. De verschillen tussen de lidstaten zijn vrij groot: aan de ene kant haalt het Verenigd Koninkrijk 91%, gevolgd door Zweden (86,7%) Finland (86,2%), Oostenrijk (85%), Ierland (83,9%), Griekenland (81,3%) en België (81,1%); aan de andere kant sluit Portugal de rij met slechts 43,7%, gevolgd door Denemarken (63,9%) en Spanje (64,9%).

    Participatie van de 25-65 jarigen aan opleiding en bijscholing blijft laag (EU-gemiddelde van 8%) en zal de doelstelling van 12,5% in 2010 niet halen als er

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 9

    geen bijkomende inspanningen geleverd worden. De hoge scores van het Verenigd Koninkrijk (22,3%), Finland (18,9%), Denemarken (18,4%), Zweden (18,4%) en Nederland (16,4%) wegen immers niet op tegen de zwakke cijfers van Ierland (7,7%), Luxemburg (7,7%), Oostenrijk (7,5%), België (6,5%), Duitsland (5,8%), Spanje (5%), Italië (4,6%), Portugal (2,9%), Frankrijk (2,7%) en Griekenland (1,2%).

5. Deelname aan de arbeidsmarkt verhogen en actief ouder worden bevorderen

    De steeds stijgende arbeidsmarktdeelname van vrouwen in de meeste lidstaten compenseert voor een deel de dalende of stagnerende deelname van mannen. Het Europees gemiddelde bedraagt 60,9%. Koplopers zijn Zweden (75,8%), Denemarken (75,5%) en Finland (72,8%). België (56,2%) bekleedt een weinig benijdenswaardige elfde plaats. Alleen Luxemburg (53,7%), Spanje (52,8%), Griekenland (50,1%) en Italië (47,9%) scoren nog lager. De globale activiteitsgraad vertoont eenzelfde beeld: Denemarken (79,6%) en Zweden (77,6%) zijn alweer de besten gevolgd door Nederland (76,5%), het Verenigd Koninkrijk (75,6%) en Finland (74,9%). België (64,7%) is pas dertiende; alleen Griekenland (63,1%) en Italië (61,1%) doen het nog slechter.

    De cijfers van 2001 over de gemiddelde uitstapleeftijd spreken boekdelen: de Belgen stappen het vroegst van al op (57 jaar) uit de arbeidsmarkt, terwijl het Europees gemiddelde pas 59,9 jaar is.

    De tewerkstellingsgraad van oudere werknemers is beduidend gestegen in Frankrijk, Finland en Nederland en haalde in 2002 een EU-gemiddelde van 40,1%, waarbij het verschil tussen mannen (50,1%) en vrouwen (30,5%) aanzienlijk blijft. België blijft op dat vlak veruit het zwakste broertje: het haalt slechts een tewerkstellingsgraad van 26,7%; alleen Luxemburg (28,3%) en Italië (28,9%) blijven ook onder de 30%, terwijl vooral Zweden (68%) het goede voorbeeld geeft. Ook op het vlak van tewerkstelling van jongeren presenteert ons land (29,4%) zeer zwak. Alleen Italië (25,8%) en Griekenland (26,5%) scoren nog lager. Vooral Nederland (70%) en Denemarken (63,5%) geven hier het goede voorbeeld.

6. Gendergelijkheid

    In 2002 steeg de gemiddelde tewerkstellingsgraad van vrouwen in de EU lichtjes van 55 naar 55,6%, maar het verschil in tewerkstellingsgraad tussen mannen en vrouwen blijft nog steeds groot (17,2%). De kloof is het grootst in Spanje, Griekenland en Italië (meer dan 20%). In België gaat het om 16,8% (mannen 68,2% - vrouwen 51,4%) terwijl Zweden (2,7%), Finland (3,8%) en Denemarken (8,3%) bewijzen dat het anders kan.

    Het verschil in verloning (EU-gemiddelde) blijft groot (15,8%) met een groot verschil tussen de privésector (21,9%) en de publieke sector (11%). Het verschil is het kleinst in Italië (6%) en Portugal (8%), gevolgd door België (12%). Het loonverschil tussen mannen en vrouwen is het grootst in Duitsland (21%), het Verenigd Koninkrijk (21%), Nederland (21%) en Oostenrijk (20%). Bijna 29% van de werkende vrouwen heeft een deeltijdse job terwijl dat slechts voor 4,3% van de werkende mannen geldt. In België is het verschil nog groter (35,7% tegenover 4,8%).

     Europees Nieuws thematisch nummer 26 februari 2004 10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com