DOC

Over de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van

By Sharon Turner,2014-06-23 08:45
12 views 0
Over de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van

De politieke begrafenisstoet van de genocidewet

    M. Verhaeghe

1. De genocidewet : feiten en achtergronden.

    Over de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (voortaan : „de genocidewet‟) waren er aanvankelijk enkel

    commentaren in de rechtsleer. De commentaren verkregen grotere autoriteit toen de wetgever er later zelf uitdrukkelijk naar verwees en een aantal standpunten van de rechtsleer ook duidelijk tot de zijne maakte. Doch het bleef nog wachten op de positie van de hoven en rechtbanken.

    Zijdelings was er in 1998 al de bekende uitspraak geweest van Onderzoeksrechter Vandermeersch in de zaak Pinochet. Deze had zich bevoegd verklaard om een onderzoek tegen Pinochet te voeren. Uiteindelijk vaardigde hij zelfs een aanhoudingsmandaat uit. De uitspraak van Onderzoeksrechter Vandermeersch was echter niet gesteund op de Genocidewet maar op het internationaal gewoonterecht. Hij was immers van oordeel dat de misdaden begaan door Pinochet moesten beschouwd worden als misdaden tegen de mensheid. De genocidewet bevatte in 1998 nog geen uitdrukkelijke verwijzing naar de misdaden tegen de mensheid. De uitspraak in de zaak Pinochet was dus nog niet echt een rechterlijke beslissing m.b.t. de genocidewet.

    Een tweede gelegenheid voor de creatie van rechtspraak was het bekende proces tegen de zgn. „vier van Butare‟, voor het Assisenhof van Brabant, een zaak tegen vier verdachten van de volkerenmoord in Rwanda in 1994. Het Hof veroordeelde de beklaagden in juni 2001 evenwel niet op grond van de misdaad van genocide, maar wegens opzettelijke doodslag in het kader van een oorlogsmisdaad. Belangrijke vragen over de temporele toepassing van de wet, het universele karakter ervan en de toepassing van de wet buiten de aanwezigheid van de verdachte („in absentia‟) kwamen niet aan bod in dit proces.

    Het was uiteindelijk wachten tot de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KIB) te Brussel van 16 april 2002 in de zaak Yerodia en van 26 juni 2002 in de zaak Sabra & Shatila, alvorens deze vragen aan de orde kwamen. Ik laat de inhoud van de juridisch-

    technisch overigens zeer interessante - debatten zelf hier buiten beschouwing vermits dit ons te ver zou leiden. Het volstaat om er op te wijzen dat de KIB inging tegen de vordering van de Procureur-Generaal in beide voornoemde zaken en in een merkwaardig arrest oordeelde dat de genocidewet weliswaar bevoegdheid verschaft aan de Belgische rechtbanken om ook tegen personen die niet in België verblijven op te treden, doch dat deze bevoegdheid maar kan worden uitgeoefend indien de betrokkene op het Belgische grondgebied kan worden aangetroffen.

    Een groep senatoren, waaronder niet in het minst enkelen die de genocidewet in 1992-1993 hadden goedgekeurd, protesteerden tegen dit arrest van de KIB omdat het volgens hen de letter zowel als de geest van de wet volledig uitholde. Ze stelden, met verwijzing naar de voorbereidende werken uit 1992-1993, dat het nooit hun bedoeling was geweest om de universele bevoegdheid afhankelijk te maken van de voorwaarde dat men de betrokkene op het eigen grondgebied moest vinden. Prompt werd een wetsvoorstel voorbereid tot

     1

    1interpretatie van de genocidewet. Tegelijkertijd ontstond er een goed politiek moment om

    de resultaten van de interministeriële werkgroep die al geruime tijd een verdere verfijning van de genocidewet aan het voorbereiden was, mee op te nemen in een tweede wetsvoorstel. In de marge hierbij moet nog worden aangestipt dat senator Erdman van zijn kant ook een wetsvoorstel had ingediend in november 2001, waarin hij een aantal inperkingen van de genocidewet voorstelde die nogal op maat waren gesneden van de verdediging van de heren Sharon en Yaron in de zaak Sabra & Shatila. Het wetsvoorstel van de Heer Erdman werd echter niet verder benaarstigd in de Kamer en stierf uiteindelijk een stille dood.

    Het initiatief van de groep senatoren kreeg een belangrijke politieke duw in de rug vanuit de regering. De ministerraad besliste in juli 2002 om de beide wetsvoorstellen volledig te steunen. Het principe van de universele bevoegdheid werd door de ministerraad gehandhaafd. Deze nam ook een interessant voorstel van Minister Vandelanotte aan om een onderscheid te maken tussen staten die al dan niet het statuut van het Internationaal Strafhof (ISH) hebben geratificeerd. Misdrijven gepleegd in staten die dit statuut niet hebben geratificeerd bleven hierbij onderworpen aan de volledige universele bevoegdheid, zonder beperkingen en dus ook met een initiatiefrecht voor slachtoffers. Voor misdrijven gepleegd nà 1 juli 2002 in een staat die het statuut van het ISH wel hebben geratificeerd, zou enkel de Federale Procureur nog kunnen optreden.

    De beide wetsvoorstellen werden neergelegd op 18 juli 2002, vlak voor het zomerreces van het parlement. De bespreking in de senaatscommissie voor de Justitie werd aangevat op 19 september 2002, doch moest na een vergadering van 25 september 2002 worden opgeschort omdat de voorzitter van de Senaat op grond van zijn prerogatief een advies had gevraagd aan de Raad van State. Op dat ogenblik was reeds duidelijk dat er ook binnen de partijen van de meerderheid een aantal parlementariërs, waaronder de voorzitter van de Senaat, zich begonnen te verzetten tegen de beslissing van de ministerraad. Aanvankelijk betrof het nog geen open verzet, allicht omdat de publieke opinie toen nog in grote mate sympathiseerde met de genocidewet. Er heerste niet echt een taboe op kritiek, maar toch een zekere schroom. België had zich zowel intern als op het internationale forum onmiskenbaar geprofileerd met de genocidewet, als een soort speerpunt van haar positie op het internationale humanitaire vlak. Kritiek op deze wet bestond zeker, maar was toch nog grotendeels voorbehouden voor 2. Hierbij kwam nog dat de eerder selecte discussiefora die het grote publiek niet bereikten

    discussies aan Franstalige zijde veel intensiever waren dan in Vlaanderen. Voor zover mij bekend was het wachten op een studiedag in 2001 aan de KULeuven alvorens het thema van de universele bevoegdheid als dusdanig op een academische kalender in Vlaanderen werd gezet. Misschien, doch dit is een puur subjectieve appreciatie, heeft één en ander te maken met een verschil in gevoeligheid voor en benadering van de problematiek van de mensenrechten in het algemeen.

    Inmiddels was het lobbywerk van diverse zijden goed op gang gekomen. Er had zich een platform gevormd voor NGO‟s, mensenrechtenactivisten en slachtoffers. Het platform

    voerde een opgemerkte campagne voor het behoud van de fundamentele principes van

     1 Op 26.06.2002 verspreidden de senatoren Van Quickenborne en Destexhe een persmededeling waarin werd gesteld dat, nà het tweede arrest van de KIB te Brussel, een voorstel tot interpretatieve wet zou worden ingediend, waarvan het ontwerp reeds klaar was. 2 Zie bijvoorbeeld de diverse bijdragen in het speciale nummer van Politique van februari 2003, met als thema

    “La Belgique, justicier du monde ? – La loi de „compétence universelle‟ sur la selette”.

     2

    3universele bevoegdheid en van de genocidewet. Er waren veelvuldige contacten tussen dit

    platform en de groep senatoren die de motor vormde voor de twee wetsvoorstellen. Aan de andere kant was er zware diplomatieke druk van de zijde van Israël, die onder meer ook via hun Belgische advocaten advies gaven aan o.a. senator Monfils, een uitgesproken 4tegenstander van de genocidewet. Ook de Verenigde Staten begonnen zich op dit ogenblik

    reeds zorgen te maken over de genocidewet. De diplomatieke druk werd opgevoerd tijdens ontmoetingen tussen Minister van Justitie Verwilghen aan zijn Amerikaanse ambtsgenoot 5Ashcroft in september 2002 in Brussel en vooral op 6 januari 2003 in Washington. De

    Amerikaanse ambassade in Brussel begon zich actief met het dossier bezig te houden.

    Ook bij het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) schoot men in september 2002 klaarblijkelijk wakker na, onder meer, kritische opmerkingen van een aantal multinationale Amerikaanse bedrijven (o.a. via het Brusselse Bureau van de Amerikaanse Kamer van Koophandel). Het VBO stelde op 19 september 2002 een ontwerp van amendement op, dat het initiatiefrecht voor burgerlijke partijen wou afschaffen en bovendien de vervolging van medeplichtigen of mededaders enkel nog wou toelaten indien de hoofddaders zelf ook zouden worden vervolgd. Dit voorstel was onmiskenbaar ingegeven door de toen recente klacht tegen Elf Total Fina wegens misdaden tegen de mensheid in Birma. Elf Total Fina zou daarbij actief en op grote schaal gebruik gemaakt hebben van slavenarbeid, verschaft door de militaire regering van Birma. Het voorstel van het VBO bekoorde echter toen nog geen 6enkele senator, zodat het formeel niet als amendement werd neergelegd.

    Einde oktober 2002 kwam het bericht dat drie zaken met betrekking tot de cruciale vragen omtrent de genocidewet waren vastgesteld voor het Hof van Cassatie : de zaak Gbagbo (president van Ivoorkust) op 6 november, de zaak Yerodia op 13 november en de zaak Sabra & Shatila op 20 november. De volgorde deed niet veel goeds vermoeden, vermits er in de eerste zaak geen memorie was ingediend en het er op leek alsof er vanuit deze uitgangspositie een rechtspraak zou worden ontwikkeld die de eerdere arresten van de KIB te Brussel niet zou tegenspreken. De verrassing was echter groot toen, na de intrekking van de voorziening in de zaak Gbagbo, het Hof van Cassatie het arrest van de KIB verbrak. De verbreking was 7wel gestoeld op een overweging die geen verband hield met de genocidewet. De week erna

    werd de behandeling van de zaak Sabra & Shatila voor onbepaalde tijd uitgesteld, wat zeer 8. Deze elementen wezen er uitzonderlijk is in de procedure voor het Hof van Cassatie

    volgens sommigen op dat er op het niveau van het Hof van Cassatie twijfel was ontstaan

     3 Zo bijv. werd er een gemeenschappelijke persconferentie georganiseerd op 14 mei 2002 in het Hotel du Congrès in Brussel, waar Advocaten zonder Grenzen, Amnesty International, F.I.D.H., Human Rights Watch en de Belgische Liga voor de Mensenrechten samen met slachtoffers en familieleden van misdaden in Rwanda, Congo, Guatemala en Tsjaad, pleitten voor het behoud van de Genocidewet. 4 Bron : Le Vif/L‟express, 31.01.2003, blz.39-41, “Droit international – Un lobbying d‟enfer”. Eén van de

    concrete resultaten van deze „coaching‟ was de nota die door senator Monfils werd neergelegd tijdens de

    bespreking in de commissie van 22 januari 2002 ; zie bijlage 2 bij het verslag, Parl.Doc.Senaat, 2002-2003, stuk nr. 2-1256/5, blz.68-70. 5 Zie, o.a. : La Libre Belgique, 11 en 12 januari 2003, voorpagina en pagina 3 : ? Le ministre Verwilghen sous pression américaine ?. 6 Uiteindelijk kwam er ook geen amendement vanwege het VBO. Na verdere studie van de problematiek zag men allicht in dat het wetsvoorstel, mits enkele verduidelijkingen in de voorbereidende werken, niet tot de rechtsonzekerheid zou leiden die men gevreesd had. 7 De verbreking was met name gesteund op het feit dat er nà de debatten nog een stuk in het dossier was gevoegd waar de rechters zich minstens in theorie op hadden kunnen steunen. De rechten van de verdediging werden (terecht) geschonden geacht. 8 Van een aantal confraters die regelmatig in strafzaken voor het Hof van Cassatie optreden vernam ik in elk geval dat zij dit nog nooit hadden meegemaakt.

     3

omtrent de juridische oplossing en men de „hete aardappel‟ van de genocidewet voorlopig nog

    even aan de kant wou laten. Het Hof van Cassatie zou zich uiteindelijk pas in februari 2003 over deze kwestie uitspreken (zie verder).

    Misschien had de Raad van State, belast met het advies aangaande het voorstel van interpretatieve wet en van wijzigende wet, wel gehoopt dat het Hof van Cassatie al in november 2002 de knopen zou doorhakken. Dit zou alvast kunnen verklaren waarom de Raad zolang wachtte met dit advies.

    Wat er ook van zij, het was wachten tot 23 december 2002 op het eerste advies van de Raad van State, m.b.t. de interpretatieve wet. Tot verbazing van diegenen die hadden gehoopt dat de Raad van State een fundamenteel juridisch obstakel zou opwerpen tegen deze interpretatieve wet, stelde het advies dat het “in beginsel geoorloofd is dat gebruik wordt 9gemaakt van een interpretatieve wet.

    Het tweede advies van de Raad van State m.b.t. de wijzigende wet was de vuurproef voor de genocidewet zelf. Noch in 1993, noch naar aanleiding van de wijziging in 1999 was immers het advies van de Raad van State gevraagd. Het beginsel van de universele bevoegdheid was nooit door de Raad van State onderzocht. Het tweede advies werd uitgebracht op 6 januari 102003. De Raad ging maar zeer summier in op de problematiek van de universele bevoegdheid. Ze erkende dat de Belgische wetgever hier bepaalde keuzes had gemaakt, zonder deze strijdig te achten met de grondwet of met het internationale recht. Er werd enkel „gesignaleerd‟ dat er een betwisting was geweest voor het Internationaal Gerechtshof (de zaak „Congo t. België‟), waarin de vraag was gesteld naar de verenigbaarheid van

    universele bevoegdheid met het internationale recht, doch zonder er een antwoord op te geven.

Kortom, van de Raad van State kreeg de genocidewet geenszins een „rood licht‟. Dit

    volstond echter nog niet om het hoofd te bieden aan de diplomatieke druk die inmiddels sterk was toegenomen. Zo sterk zelfs, dat akkoord van de ministerraad van juli 2002 opnieuw in vraag werd gesteld. Vooral bij de MR was er steeds meer kritiek te horen. Ook Minister van buitenlandse zaken Michel, die bleef benadrukken dat hij de wet genegen bleef, liet zich herhaaldelijk publiek ontvallen dat zijn diplomatiek werk door de genocidewet ernstig werd 11bemoeilijkt.

    Eerste minister Verhofstadt trok het politieke dossier naar zich toe. Hij organiseerde op 14 januari 2003 een vergadering met vertegenwoordigers van alle meerderheidspartijen op zijn 12kabinet. Er werd een nieuw compromis voorgesteld, waarbij er een onderscheid zou worden gemaakt tussen de bestaande dossiers en de toekomstige klachten. Er werd duidelijk afgesproken dat alle bestaande dossiers zouden kunnen worden verdergezet, in ruil voor een belangrijke inperking van het initiatiefrecht voor slachtoffers naar de toekomst toe. Zo werd voorzien dat slachtoffers enkel klacht kunnen indienen als zij reeds minstens één jaar (wettig) in België wonen. De rol van de federale procureur werd bovendien verder verstevigd.

    Op 22 januari 2003 werd het debat in de senaatscommissie hernomen tengevolge van het nieuwe politieke akkoord. Voor het eerst begon ook de CD&V zich in het debat te mengen

     9 Advies nr. 34.153/VR dd. 23.12.2002, Parl.St.Senaat, 2002-2003, nr. 2-1255/2. 10 Advies nr.34.154/VR/2 dd. 06.01.2003, Parl.St.Senaat, 2002-2003, nr. 2-1256/3. 11 Zie, o.a. : De Standaard, 15.01.2003. 12 Zie, o.a. : La Libre Belgique, 15.01.2003 : ? M.Verhofstadt veut un vote rapidement ?.

     4

    door te stellen dat de interpretatieve wet niet nodig zou zijn om de zaken met Belgische slachtoffers te redden. Voorts werd van de zijde van de CD&V de universele bevoegdheid als dusdanig in vraag gesteld. Het viel op dat de CD&V in dit debat een gans andere houding aannam dan haar zusterpartij de CDH. De tussenkomsten van senator Nyssens (CDH) getuigden van een veel positiever ingesteldheid t.o.v. de universele bevoegdheid dan het geval was met de tussenkomsten van senator Vandenberghe (CD&V).

    Bij de meerderheidspartijen stonden de neuzen evenmin in dezelfde richting. Tijdens de vergadering van de senaatscommissie van 22 januari 2003 gaf Minister Verwilghen zelfs openlijk, weze het wat verbloemd, blijk van zijn kritiek op het bereikte politieke akkoord, zeer tot ongenoegen van eerste minister Verhofstadt.

    De commissie keurde niettemin met een grote meerderheid de beide wetsvoorstellen goed. Tijdens de plenaire vergadering van de senaat van 30.01.2003 deed zich weliswaar nog een 13incident voor dat tot verdere vertraging van de behandeling had kunnen leiden, doch

    opnieuw bleek dat de meerderheid zich nog voldoende achter de voorstellen kon scharen. Ondanks de felle kritiek van onder meer de senatoren Monfils (MR) en Vandenberghe (CD&V), stemden zij uiteindelijk niet tegen de beide wetsvoorstellen, maar onthielden zich. De enige tegenstemmen kwamen van het Vlaams Blok. Opmerkelijk was nog dat Minister Verwilghen, die afwezig was, zijn kritische uiteenzetting had meegegeven aan Minister Neys, die in de senaat namens de ganse regering zou tussenkomen. Minister Neys zag tijdig in dat haar aldus een pad in de korf was gezet en schreef in extremis zelf een tussenkomst, in

    overeenstemming met het standpunt van de regering.

    In de Kamer verliep de verdere weg van het wetsvoorstel (thans wetsontwerp geworden) veel moeilijker. Dit was in hoofdzaak te wijten aan het verschil in houding tussen de voorzitter van de senaatscommissie voor justitie (Dubié, Ecolo), die een uitgesproken voorstander was van de voorstellen, en de voorzitter van de kamercommissie voor justitie (Erdman, SP.A), die zich formeel veel gereserveerder opstelde en zoals al aangehaald zelf in 2001 al een wetsvoorstel had ingediend om de genocidewet ernstig in te perken. Het verbaasde dan ook et dat het dossier in de kamercommissie Justitie niet direct uit de startblokken schoot. ni

    Niettegenstaande het feit dat de tijd ten zeerste drong gezien de aankomende verkiezingen op 18 mei 2003 (en de verplichte ontbinding van het parlement 6 weken voor de verkiezingen, hetzij dus begin april 2003), werd gewacht met een eerste vergadering van deze commissie tot 26 februari 2003. Deze eerste vergadering was bovendien niet erg constructief. Minister Verwilghen herhaalde de kritiek die hij reeds in de senaatscommissie had geuit. MR (Simonet) en VLD (Coveliers) bekritiseerden veel openlijker dan hun collega‟s uit de senaat het principe van de universele bevoegdheid. Kamerlid Coveliers stelde zelfs voor om dit principe gewoon af te schaffen en zich voortaan enkel nog bezig te houden met gevallen waarin de slachtoffers Belg zijn op het ogenblik van de feiten. Uit goed ingelichte bronnen kon worden vernomen dat het standpunt van de Heer Coveliers helemaal geen geïsoleerd standpunt binnen de VLD meer was. Vooral op het vlak van een aantal

    vertragingsmaneuvers (hoorzittingen en dergelijke) werd hij gesteund door het partijbureau van de VLD, waar onder andere was gewezen op het gevaar voor het verlies aan bepaalde

     13 Vlak voor de plenaire zitting werd vastgesteld dat er een paar fouten waren geslopen in de nummering van bepaalde artikelen. Vermits het niet louter materiële fouten waren, drong de voorzitter van de senaat er op aan dat de zaak opnieuw zou worden behandeld door de commissie voor justitie en stelde hij voor om de bespreking in plenaire vergadering uit te stellen naar een latere zitting. De voorzitter van de commissie besliste echter om een spoedberaad te houden en kon na korte tijd naar de plenaire vergadering terugkeren met een aanvullend verslag waarin de fouten werden rechtgezet. Het debat werd vervolgens hernomen.

     5

    stemmen in Antwerpen indien de wetswijzigingen nog voor de verkiezingen zouden 14plaatsgrijpen. Vanuit de oppositiebanken klonk duidelijke kritiek op de verdeeldheid van de meerderheid. Kamerlid Van Parys vroeg uitdrukkelijk aan de Minister van Justitie of de regering nu al dan niet de wetsontwerpen nog voor de verkiezingen wou laten goedkeuren, doch bekwam geen antwoord. De vergadering werd onverrichterzake uitgesteld naar 12 maart 2003, doch andermaal bleek het een maat voor niets : omwille van het uitlopen van de bespreking van de programmawet werd eerst aanzienlijke vertraging opgelopen, waarna de Minister van Justitie naar de senaat werd weggeroepen voor de bespreking van de wapenwet. Voorzitter Erdman besloot uiteindelijk om de vergadering opnieuw met een week te verdagen teneinde te kunnen rekenen op de aanwezigheid van de Minister van Justitie.

    De nogal doorzichtige vertragingsstrategie werd doorkruist door de reacties op het arrest van het Hof van Cassatie van 12 februari 2003 in de zaak Sabra & Shatila. Op verrassende wijze had het Hof, tegen het advies van haar eigen procureur-generaal in, het arrest van 26 juni 2002 van de KIB te Brussel vernietigd. Het Hof stelde uitdrukkelijk dat de genocidewet een eigen bevoegdheidsregeling bevat, waarin geen voorwaarden staan voor de uitoefening van de universele bevoegdheid (zoals de KIB te Brussel had gesteld).

    Door dit arrest waren de politieke kaarten duchtig door elkaar geschud. De voorstanders van de Genocidewet hadden niet direct baat meer bij een wetswijziging, vermits de interpretatie door het Hof van Cassatie een universele bevoegdheid zonder enige beperking tot stand had gebracht. Ook een interpretatieve wet was niet meer nodig, nu het Hof van Cassatie de knoop zelf had doorgehakt. Niettemin zagen de verschillende NGO‟s en sympathisanten in dat een universele bevoegdheid zonder beperkingen politiek niet haalbaar was en dat derhalve een obstructie tegen de bereikte politieke akkoorden op middellange en lange termijn 15contraproductief zou kunnen zijn.

    De Belgische politieke reacties op het arrest van het Hof van Cassatie waren aanvankelijk vrij neutraal en bescheiden. Er werd niet of nauwelijks gereageerd op de woedende tot zelfs ronduit hysterische uitlatingen van de zijde van Israëlische regering. Het VLD-partijbestuur hoopte zelfs dat de zaak zou koelen zonder blazen en handhaafde de strategie van de „low profile‟ m.b.t. de genocidewet : hoe minder de politici er zich mee zouden

    bezighouden, hoe kleiner het risico dat deze kwestie electoraal een rol zou spelen.

    Deze strategie mislukte echter volledig toen er op 18 maart 2003 een klacht werd ingediend tegen Bush sr. wegens beweerde oorlogsmisdaden tijdens de eerste golfoorlog. Deze klacht voegde een belangrijke bijkomende dimensie toe aan de (politieke) discussie en gaf ook aanleiding tot een hechter bondgenootschap tussen o.a. de V.S. en Israël op het vlak van hun verzet tegen de genocidewet.

    In België werd het dosssier opnieuw geëvoceerd op het hoogste regeringsniveau. Op 25 maart 2003 vond een topberaad plaats op het kabinet van de eerste minister, waarop alle fractievoorzitters van de meerderheidspartijen in de Kamer waren uitgenodigd. Opmerkelijk hierbij was dat aan de zijde van de SP.A. niet de fractievoorzitter (de heer Van der Maelen) aan dit debat deelnam maar wel de Heer Erdman. Ook aanwezig was minister van buitenlandse zaken Michel die op deze vergadering uitpakte met een nieuw amendement

     14 Bron : De Morgen, 5 april 2003, Katern „Reporter‟, blz.22. 15 In dit verband kan bijv. worden verwezen naar een interview van prof. J. WOUTERS in De Morgen van 1

    maart 2003 waarin deze wees op de noodzaak de Genocidewet te wijzigen om bijvoorbeeld te voorkomen dat er in de context van de toen heersende Irak-crisis klachten tegen Bush of tegen Blair zouden worden ingediend.

     6

    dat specifiek gericht was op het neutraliseren van de gevolgen van de klacht tegen Bush sr. Het voorgestelde amendement kwam in het kort gesteld hier op neer, dat de Ministerraad voortaan de mogelijkheid zou hebben om bepaalde politiek gevoelige dossiers door te verwijzen naar de belanghebbende staten, op voorwaarde dat deze bepaalde garanties inzake democratie en rechtsbestel vertonen.

    Aanvankelijk was men het er over eens dat deze nieuwe clausule enkel zou worden gebruikt om komaf te maken met de recentste klacht tegen Bush sr., welke overigens niet op steun van 16het platform van NGO‟s kon rekenen omdat ze zo duidelijk politiek geïnspireerd was. De

    druk vanuit de V.S. was ook veel belangrijker en massiever dan deze uit Israël (nà het arrest van het Hof van Cassatie). Zo werd bijvoorbeeld in de V.S. door afgevaardigde Ackerman een wetsvoorstel ingediend met de titel “Universal Jurisdiction Rejection Act of 2003”, met 17een gelijkaardige inslag als de Amerikaanse wet tegen het Internationaal Strafhof. En het

    bleef niet bij politiek druk : hoewel de protagonisten het zelf bleven ontkennen waren er hardnekkige geruchten over het vertrek van de NAVO uit Brussel. Vast staat in elk geval dat de Amerikanen de geplande bijkomende investeringen in het NAVO-hoofdkwartier niet zagen zitten zolang het risico bestond dat Amerikaanse onderdanen in België zouden kunnen worden vervolgd op grond van de genocidewet. Ook tekenend was de oproep van een aantal Brusselse politici, waaronder minister-president De Donnea, die waarschuwden voor 18een delocalisatie van internationale instellingen en bedrijven.

    De ontwerptekst die uit het overleg op het kabinet van de eerste minister naar voor kwam en nog dezelfde dag (25 maart 2003) werd besproken in de kamercommissie voor Justitie stelde uitdrukkelijk dat het amendement van minister Michel (al snel de „politieke filter‟ of de „Bush-clausule‟ genoemd), enkel van toepassing was op klachten van nà de inwerkingtreding van het statuut van het ISH, te weten dus van nà 1 juli 2002. Deze bepaling kon rekenen op de steun van de eerste minister zelf, die er een punt van had gemaakt om de hangende zaken niet terug te laten schroeven. De toepassing in de tijd van de nieuwe clausule was echter niet formeel opgelost in het compromis van 25 maart 2003 en stak enkele dagen later, op 28 maart 2003, opnieuw de kop op. Minister Michel verzette er zich tegen en wilde de „politieke filter‟ ook toepassen op oudere zaken, waaronder in de eerste plaats de zaak Sabra

    & Shatila. Een meerderheid in de kamercommissie besliste echter op 27 maart 2003 om de „politieke filter‟ enkel te laten toepassen op klachten van nà 1 juli 2002.

     16 De klagers werden openlijk gesteund door twee groeperingen die banden hadden met het regime van Sadam Houssein („Babylone‟ en „Rencontres pour la paix‟; zie hierover o.a. een opiniestuk in La Libre Belgique van

    26.03.2003 waarin de precieze banden van deze groeperingen wordt blootgelegd). Het viel trouwens op dat niemand namens de klagers optrad in de procedure die in september 2003 voor het Hof van Cassatie werd gevoerd, waarbij dit Hof uiteindelijk de onttrekking van deze zaak aan de Belgische gerechten uitsprak. Dit laatste wijst er m.i. op dat de klacht op zich het doel moet zijn geweest, eerder dan een ernstig onderzoek van de feiten in kwestie. Indien mijn veronderstellingen juist zijn, heeft de entourage van Sadam Houssein dus op de kap van de Belgische Genocidewet een propagandastunt verwezenlijkt. 17 Het wetsontwerp van de heer Ackerman steunt op de basispremisse dat universele bevoegdheid een aantasting betekent van de soevereiniteit van de V.S. : “Implicit within the very concept of universal jurisdiction is a threat to the sovereignty of the United States.”. In een gesprek dat ik had met een hooggeplaatste ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken in mei 2003 kwam een zelfde boodschap naar voor : België meet zich bevoegdheden toe die indruisen tegen de soevereiniteit van andere staten, in het bijzonder de V.S. dan. Het valt op dat men bij dergelijke kritiek niet verder gaat dan louter politieke argumenten en kennelijk niet bereid is om de zaak op een juridische manier aan te pakken en de discussie te voeren voor het Internationaal Gerechtshof. 18 Persbericht van minister-president De Donnéa, met als titel : “De huidige genocidewet bedreigt het

    internationaal statuut van Brussel.”

     7

    Minister Michel werd zo mogelijk nog meer onder druk gezet van de zijde van Israël, die het laatste ontwerp discriminatoir vonden, gezien de puur symbolische datum. In de nacht van 31 maart op 1 april vond er bij de eerste minister een ultiem crisisberaad plaats, met kamerleden en senatoren van de meerderheid, waar in het bijzonder werd ingegaan op het punt van de hangende dossiers. Senator Van Quickenborne stelde een nieuw compromis voor, dat de kritiek m.b.t. de datum van 1 juli 2002 wist te ondervangen : vermits het nieuwe ontwerp de federale procureur toch reeds de volle bevoegdheid gaf om ook zonder aanknopingspunt met België een onderzoek te starten, was het logisch om de nieuwe „politieke filter‟ enkel toe te passen op zaken waarin het parket geen eigen standpunt had ingenomen. In deze gevallen had men immers enkel nog te maken met een private klacht. Van zodra het parket zelf een vordering had ingesteld, moest men aannemen dat het niet langer een privaat initiatief was, maar integendeel een handeling van het orgaan bij uitstek dat in een strafproces de samenleving vertegenwoordigt. In die zaken, waar het parket een gerechtelijk onderzoek had gevorderd, zou de Ministerraad dus niet mogen tussenkomen, zo stelde het voorstel tot een ultiem compromis. Het voorstel werd evenwel in de vroege uurtjes van 1 april afgevoerd, vooral dan omdat senator Erdman, uiteindelijk zelfs als enige, 19bleef dwarsliggen.

    Deze politieke impasse legde de kiem voor een wisselmeerderheid in de kamer. Nadat het debat in de plenaire vergadering van 1 april 2003 een paar maal was geschorst in de hoop dat het topoverleg nog een konijn uit de hoed zou helpen toveren, haalden VLD en MR uiteindelijk het slag thuis in de kamer dank zij de steun van CD&V en het Vlaams Blok (ofschoon het Vlaams Blok in de Kamer nog niet absoluut noodzakelijk was om een 20meerderheid te bereiken).

    De cohesie binnen paars-groen was niet alleen zoek in de Kamer. Na verzending van het wetsontwerp naar de senaat (gezien de amendementen), bleek ook in deze vergadering dat de verkiezingskoorts het had gehaald op de afspraken van de regeringscoalitie. De voorstanders van een verdere beperking van de fenocidewet schoven zonder enige schaamte opnieuw het scenario van een wisselmeerderheid naar voor en dwongen hun opponenten aldus tot een stellingenoorlog. De Franstalige socialisten en groenen slaagden er nog in om op vrijdag 4 april 2003 de plenaire vergadering te laten schorsen teneinde een advies aan de Raad van State te vragen over de „politieke filter‟. Allicht rekenden zij er op dat dit advies niet binnen

    enkele dagen kon worden afgeleverd, waardoor het wetsontwerp de valreep van de ontbinding 21van het parlement niet meer zou kunnen halen. Doch nog dezelfde dag leverde de Raad van

    State haar advies af en werd er een bijkomende plenaire zitting voorzien op zaterdag 5 april 222003. De inhoud van het advies bleek er verder niet zozeer meer om te doen : van belangrijke protagonisten kon worden vernomen dat enkele topministers voordien reeds

     19 Bron : De Morgen, 5 april 2003, Katern „Reporter‟, blz.22. Senator Erdman zou zich met name terdege

    bewust zijn geweest van het feit dat het compromisvoorstel van senator Van Quickenborne wel toeliet om de zaak Bush sr. af te voeren, maar niet de zaak Sabra & Shatila. Inderdaad was er in deze laatste zaak een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek vanwege het parket te Brussel. 20 Er blijken echter vooraf wel bepaalde contacten te zijn geweest tussen leden van de VLD en van het Vlaams Blok. Tijdens de uitzending van Villa Politica van 28 maart 2003 kon men alvast een joviaal gesprek tussen de kamerleden Coveliers (VLD) en Annemans (Vl.Blok) opmerken. 21 Aldus De Morgen, 4 april 2003, blz.1 22 Er werd ongetwijfeld zeer grote druk uitgeoefend op de Raad van State. Het wetsontwerp was inmiddels een topprioriteit van de regering geworden. Men was desnoods zelfs bereid om de ontbinding van het parlement, voorzien op 7 april 2003, uit te stellen. Zie, o.a. : Le Soir, 04.04.2003, „Menace de retard sur la dissolution de la

    Chambre‟.

     8

    23hadden beslist om het wetsontwerp hoe dan ook ongewijzigd door te drukken. De kritiek

    van de Raad van State was nochtans vlijmscherp : de „politieke filter‟ was niet enkel in strijd met het beginsel van de scheiding der machten, maar zorgde bovendien voor een schending van het gelijkheidsbeginsel. Er werd echter zoals voorzien was- met deze kritiek geen

    rekening gehouden. Op de plenaire vergadering van 5 april 2003 werd het wetsontwerp finaal goedgekeurd, met de steun van CD&V en het Vlaams Blok.

Inmiddels had men op de Amerikaanse ambassade te Brussel ook al door dat de „politieke

    filter‟ juridisch dermate onorthodox was, dat ze geen echte oplossing voor het probleem zou bieden. Gezien de kritiek van de Raad van State, en vooral dan de expliciete verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel, lag het voor de hand dat deze „politieke filter‟ vroeg of laat aan het

    Arbitragehof zou worden voorgelegd, met een (zeer) ernstige kans op vernietiging ervan. Een zaak zou aldus misschien wel tijdelijk kunnen worden afgevoerd door de Ministerraad, doch via het Arbitragehof dreigde ze vroeg of laat als een soort boemerang terug te keren.

Daarenboven was de „politieke filter‟ omgekeerd ook een politieke achillespees. De

    regering kon zich niet meer verstoppen achter de scheiding der machten vermits ze zich zelf een troefkaart had toebedeeld. Hierbij komt nog dat het criterium voor het gebruiken van deze troefkaart de Belgische regering ook inhoudelijk in nauwe schoentjes kon brengen. Ofschoon het criterium in de wet zelf verwees naar het recht op een billijk proces, werd er in de verklaringen van o.a. Minister Michel stelselmatig op gewezen dat deze „politieke filter‟ 24bestemd was om zaken te verwijzen naar staten met een voldoende democratisch gehalte.

    Een systematische toepassing van de wet zou aldus hebben geleid tot een soort prijsuitreiking voor „democratische‟ landen, met al even moeilijke diplomatieke gevolgen voor de relaties met die landen waarvoor de filter niet zou worden toegepast …

    Ofschoon de Belgische regering op de hoogte was van deze kritische benadering door de V.S. en allicht ook van de zelf gecreëerde politieke kwetsbaarheid, bleef zij volhouden dat de wetswijziging een volledige oplossing bood voor alle diplomatieke en politieke problemen. Minstens naar buiten toe was er opnieuw geen vuiltje aan de lucht. Het mocht allicht ook niet anders, want de verkiezingscampagnes waren in volle gang.

    Op 14 mei 2003 werd klacht ingediend tegen de Amerikaanse generaal Tommy Franks wegens beweerde misdaden tijdens de recentste golfcrisis. Het viel op dat deze klacht reeds weken op voorhand publiekelijk was aangekondigd (onder andere tijdens een persconferentie van de advocaat van de klagers), doch pas effectief werd ingediend nà de publicatie van de 25gewijzigde wet in het Belgisch Staatsblad. Het feit dat er kennelijk werd gewacht met de

     23 In een interview in de Nederlandse krant NRC Handelsblad reageerde Minister Michel op de vraag naar zijn reactie m.b.t. het gevraagde advies van de Raad van State laatdunkend : “Pff, er komen alleen wat filters in de

    wet, …” (NRC, 04.04.2003, artikel met de titel : “Rechters moeten geen politiek besluit nemen”). Ook veelzeggend in dit interview was de slotpassage, met de vraag van de journaliste : “Het landsbelang prevaleert

    boven de scheiding der machten ?” en met het antwoord van Minister Michel : “C’est la raison d’état. Daar ben

    ik een voorstander van.” 24 Zie, o.a., de commentaar in de Israëlische krant Ha’aretz van 03.04.2003 („Belgium curtails war crimes law;

    should end suit against Sharon‟). Adde : Le Soir, 20.03.2003, interview met Minister Michel waarin deze toen al

    stelde : “Quand les gens visés proviennent de pays démocratiques où la justice est capable de juger de tels faits, il n’y a pas lieu de les poursuivre ici.” 25 Deze publicatie had eigenaardig genoeg vrij lang geduurd. Na de snelheids records die in Kamer en Senaat waren geklopt met de wijzigingen van de genocidewet (inclusief een advies van de Raad van State binnen de 12 uren), kwam de publicatie er pas op 7 mei 2003, ruim een maand nà de goedkeuring.

     9

    klacht versterkt de indruk dat de nieuwe klacht niet alleen de feiten in Irak viseerde, maar het nieuwe stelsel van de wet zelf. Door klacht in te dienen in een zaak die naar alle verwachtingen het voorwerp zou worden van een sepot door de federale procureur, wilde men (tevens) de positie en de onafhankelijkheid van de federale procureur in vraag stellen. In elk geval was het veel makkelijker geweest om de klacht in te dienen vooraleer de nieuwe wet gepubliceerd was, vermits dan nog de oude genocidewet gold, zonder enige beperking m.b.t. het indienen van een klacht met burgerlijke partijstelling. In een zeer recent proefschrift voor de Universiteit van Rijsel (Frankrijk) wordt de advocaat van de zaak Franks aangehaald als actief lid van de PvdA en dienaangaande ook geciteerd in zijn uitlating dat zijn zaak kadert 26in de strijd tegen het imperialisme en als dusdanig inderdaad politiek getint is.

    De Belgische regering gaf de federale procureur niet eens de kans om zijn bevoegdheid op grond van de gewijzigde genocidewet naar behoren uit te oefenen. Ze vroeg weliswaar een advies aan de federale procureur, doch besliste zelf op grond van de „politieke filter‟ in de nieuwe wet. Op 20 mei 2003 vond een virtuele ministerraad plaats door middel van een schriftelijke procedure (per e-mail !) die het dossier Franks doorverwees naar de Amerikaanse justitie. Het bleef hier ook bij. Een formele onttrekking van de zaak door het Hof van Cassatie kwam er nooit, ook al omdat de wet kort nadien opnieuw gewijzigd werd n.a.v. het regeerakkoord van juni 2003 (zie verder). Hetzelfde geschiedde met de zaak Sabra & Shatila, waarover de beslissing viel om ze met toepassing van de „politieke filter‟ te laten onttrekken, zonder dat echter de procedure om hiertoe te komen nog maar werd aangevat.

    In de Verenigde Staten werd niet echt positief gereageerd op de afhandeling van de zaak Franks. Inmiddels waren er niet minder dan 5 „task forces‟ actief binnen de overheid van de 27V.S., elk met de taak om de Belgische genocidewet op te volgen. Deze „task forces‟

    hadden zich gaandeweg als objectief vooropgesteld dat de burgerlijke partijstellingen best zouden worden uitgesloten en dat de universele bevoegdheid zelfs tot een aanvaardbaar minimum diende te worden ingekrompen, bijvoorbeeld tot de gevallen waarin er Belgische 28slachtoffers waren.

    Tijdens een bezoek aan de NAVO op 12 juni 2003 stelt de Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld, uitdrukkelijk dat de Verenigde Staten niet van plan zijn om geld op tafel te leggen voor het nieuwe hoofdkwartier in Brussel zolang de genocidewet blijft 29bestaan. De Belgische regering reageert eerst verbaasd en zelfs wat verongelijkt. Zowel

     26 M.BEGOT, Les mobilisations en faveur de la loi Belge de compétence universelle, Université de Sciences et

    Techniques de Lille, 2003, 140 p., niet gepubliceerd. M.BEGOT stelt o.a. : ? En fait seul l’avocat des parties

    civiles dans l’affaire Tommy Francks revendique un usage politiquement militant du droit : en effet il ne cache

    pas son appartenance au PTB, se proclame ? avocat politique ? et affirme que, s’il défend les parties civiles

    dans la plainte contre Bush, il refuserait de défendre des victimes du régime cubain ou de la Corée du Nord car ce sont les deux derniers pays qui s’opposent à un monde unipolaire dominé par les Etats-Unis. Sa ? cause ?

    n’est donc pas la défense des droits de l’homme, mais la ? lutte anti-impérialiste ?. 27 Met name in het Witte Huis, het Ministerie van Justitie, het Ministerie van Buitenlandse zaken, het Ministerie van Defensie en de Amerikaanse ambassade. In een artikel in De Standaard van 08.07.2003, getiteld „VS

    sturen genocidewet opnieuw naar af‟, is er zelfs sprake van „adviezen‟ die door enkele van deze „task forces‟ werden opgesteld en overgemaakt aan buitenlandse zaken, die op hun beurt stelden dat het geen adviezen waren, maar „technische opmerkingen‟. 28 Dit staat bijvoorbeeld uitdrukkelijk in het wetsvoorstel van Ackerman, hoger reeds aangehaald. 29 Minister Rumsfeld zei o.a. dat de V.S. zich zouden verzetten tegen elke vrijgave van financiële middelen voor de bouw van het nieuwe hoofdkwartier, zolang de V.S. er niet van overtuigd waren dat België terug een „gastvrij‟ land zou zijn. Hij stelde voorts dat het aan België en de NAVO was om op dit punt een oplossing te

    vinden, maar dat men er rekening mee moest houden dat de V.S. nooit zouden dulden dat Amerikaanse militairen en burgers die naar Brussel komen het voorwerp zouden kunnen uitmaken van een strafrechtelijk

     10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com