DOC

Over Fantasia Wat is Fantasia Fantasia is een methode om de

By Stacy Kelly,2014-06-23 08:45
37 views 0
Over Fantasia Wat is Fantasia Fantasia is een methode om de

Over Fantasia

Wat is Fantasia

    Fantasia is een methode om de aandacht voor leesbeleving en leesplezier als noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de leesvaardigheid te ontdoen van vrijblijvendheid en te komen tot een strategische en gestructureerde benadering van het lezen op de basisschool.

Waarom Fantasia

    Lezen en boeken, hoe zit het daar eigenlijk mee in een kinderleven? Kinderen leren spellend lezen, aanvankelijk lezen, begrijpend lezen, kortom, lezen om te leren. Veel kinderen lezen omdat het

    moet. De tijd om voor je plezier te lezen ontbreekt vaak, er zijn zoveel alternatieven. Kinderen van nu leven in een snelle tijd waarin de verbeelding reeds verbeeld is. Van het bewegende beeld raken kinderen meer bewogen dan van de eigen verbeelding.

    Nergens is de teloorgang van het lezen zo goed verwoord als in het boek Het oneindige verhaal van

    Michael Ende. In dat boek dreigt het land Fantasia ten onder te gaan door de al ingevulde werkelijkheid. De veelheid van uitgewerkte fantasieën op beeldschermen en in speelgoed hebben tot een verarming geleid in het vermogen om zelf eigen werelden te scheppen. ‘Fantasia’ staat

    zwaar onder druk. Alleen de fantasie van Bastiaan, de hoofdpersoon van het verhaal, kan Fantasia redden.

    Kinderen lezen tegenwoordig veel minder of beginnen er niet eens aan. Een boek lezen wordt te vaak begrensd tot een noodzakelijk onderdeel van de taalverwerving, een schoolse activiteit. Maar lezen is belangrijk, niet alleen binnen het taalonderwijs, maar ook voor andere vakgebieden. Lezen is meer dan alleen een communicatiemiddel; het kan ook een manier zijn om je te ontspannen, om verder te kijken dan alleen naar de wereld om je heen. Dankzij boeken kunnen kinderen leren over andere werelden, zoals die in sprookjes en sagen. Ze kunnen lezen over hoe het vroeger was en zich daar een eigen voorstelling bij maken. Lezen maakt autonoom.

    Een kind kan niet vroeg genoeg in aanraking komen met boeken. In de voorschoolse periode kan daarvoor al een basis gelegd worden. Een boekrijke omgeving stimuleert. En peuter- en kleuteractiviteiten maken een kind vertrouwd met de rijkdom van boeken. In het programma Boekenpret wordt daar volop aandacht aan besteed. Fantasia zet deze lijn door voor kinderen op de basisschool.

    De rol van school en ouders, maar ook die van de bibliotheek en de boekhandel zijn erg belangrijk en complementair in de literaire ontwikkeling van een kind. Gezamenlijke actie van deze vier leespartners naar het kind toe lijkt dan ook voor de hand liggend, alhoewel de praktijk dat niet weerspiegelt. Er is in een aantal gevallen wel sprake van enige samenwerking tussen de leespartners, maar die heeft vrijwel nooit een structureel karakter. Leesstimulering heeft mede daardoor nog steeds een soort vrijblijvendheid binnen het onderwijs.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

De geschiedenis van Fantasia

    Het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur heeft in 1992 in haar leesbeleid de aanzet gegeven om in een experiment te onderzoeken welke vormen van leesstimulering doeltreffend kunnen zijn. Halverwege 1993 is dit experiment door Sardes overgenomen, in samenwerking met de Stichting Schrijvers School Samenleving. Het landelijk beleid viel van 1994 tot 2000 onder verantwoordelijkheid van Stichting Lezen. Vanaf 2000 is deVereniging van Openbare Bibliotheken (voorheen NBLC) verantwoordelijk voor Fantasia.

Vanuit drie ontwikkellokaties, namelijk de Openbare Bibliotheek Zeeland, de

    Schoolbegeleidingdienst Maastricht en het School Advies Centrum in Utrecht, werd op grond van de specifieke ervaring met leesbevordering gewerkt aan materiaal voor Fantasia. Lokale ervaringen werden daarin getransformeerd tot landelijk inzetbare activiteiten en producten. Verder werden op de Katholieke Universiteit Nijmegen door een team van deskundigen onder leiding van Cor Aarnoutse trainingsprogramma's ontwikkeld voor leraren van de basisschool en bibliotheekmedewerkers. Hierin werd aangestuurd op een wederzijds informeren en gebruik maken van elkaars activiteiten en expertise op het gebied van lezen.

    De ontwikkeling van Fantasia werd gecoördineerd door Sardes (Stichting Advisering, Research en Dienstverlening in de Educatieve Sector) en de stichting SSS (Schrijvers School en Samenleving). Zij werden in hun taak ondersteund door het ABC (Stichting Advies en Begeleidings Centrum voor het onderwijs) te Amsterdam.

    Na een periode met volglocaties is Fantasia overgenomen door de Vereniging van Openbare Bibliotheken. De beleidsafdeling Leesbevordering coördineert het geheel samen met coördinatoren Leesbevordering van de Provinciale Bibliotheek Centrales.

    Namen en adressen van deze coördinatoren zijn te vinden op de website www.boekenpretfantasia.nl

    Deze website is ontwikkeld ter ondersteuning van de implementatie van Fantasia.

Doelen en theoretische achtergronden van Fantasia

    Bij de ontwikkeling van Fantasia is men uit gegaan van de volgende doelstellingen: ; het bevorderen van het lezen van boeken door kinderen

    ; het bevorderen van leesplezier, zowel op school als in de vrije tijd

    ; het verbeteren van de leesprestaties op school, zowel bij het technisch als het begrijpend lezen In deze paragraaf wordt het onderzoek besproken dat ten grondslag ligt aan gedachteontwikkeling rond Fantasia. De onderzoeken dateren uiteraard uit de eerste helft van de negentiger jaren.

Onderzoek naar het lezen van boeken door kinderen

    Naar het lezen door kinderen is veel onderzoek verricht. Uit deze onderzoeken kwamen iedere keer ongeveer dezelfde resultaten, die als volgt zijn samen te vatten:

    Gemiddeld lezen kinderen één Nederlands boek per maand. Van de Marokkaanse leerlingen leest 42% een paar keer per week een Nederlandse krant, 72% leest een Nederlands boek per week. Van de Turkse leerlingen leest een kleine 60% enkele malen per week een Nederlandse krant en 58% leest een Nederlands boek per week. (Aarts, de Ruiter, Verhoeven)

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    Volgens een onderzoek van Blok (1992) heeft 40% van de leerlingen een uitgesproken, en 50% een overwegend positieve houding tegenover lezen. Lezen heeft wel de belangstelling van de leerlingen, al scoort het wat lager dan buiten spelen, tv-kijken en aan sport doen. Blok constateert echter ook dat lezen voor veel kinderen een tamelijk individuele aangelegenheid is geworden. Weinig kinderen krijgen tips over boeken; slechts één op de drie van bibliotheek of boekhandel, slechts één op de zes van de leerkracht. Weinig kinderen praten met anderen over boeken, zelfs als ze van een boek hebben genoten.

    Uit deze resultaten kan met enige voorzichtigheid worden geconcludeerd dat de leerlingen op de basisschool een redelijk positieve houding tegenover lezen hebben. Dit geldt ook voor de allochtone leerlingen die tot nu toe relatief lage leer- en leesprestaties leveren.

    Er is verder nog een aantal opvallende resultaten gevonden in het onderzoek naar lezen bij kinderen:

    Het blijkt namelijk uit verschillende onderzoeken (Zoals Blok, Peeters & Woldringh en Piek) dat meisjes meer lezen dan jongens. Dit patroon zet zich voort, want vrouwen lezen ook meer dan mannen.

    Het maakt niet uit, uit wat voor sociale laag kinderen komen, ze lezen even graag en even veel. Kinderen uit hogere sociale klassen bezitten wel vaak meer boeken en zijn vaker lid van de bibliotheek. Ze zijn ook vaker geabonneerd op een tijdschrift. Maar voor het leesgedrag maakt dat verder niet veel uit.

    Allochtone kinderen zijn minder vaak lid van de bibliotheek dan autochtone kinderen.

    Maar 5% van de kinderen heeft geen eigen boeken, zo blijkt uit het onderzoek van Peeters. Het boekenbezit van de kinderen hangt sterk samen met het boekenbezit van de ouders.

Onderzoek naar het bevorderen van leesplezier

Op school

    "Aan het eind van elke schooldag vertelt meneer Van der Heiden, hoofd en onderwijzer van groep 8 (toen zesde klas) een spannend verhaal. Ik geloof van Tonke Dragt. Hij heeft het boek erbij, maar vertelt het verhaal meer dan hij het voorleest. De klas hangt aan zijn lippen en de bel wordt nauwelijks gehoord."

Op verschillende scholen is gekeken of projecten om het lezen te bevorderen wel effect hebben.

    Verder is er door verschillende onderzoekers gekeken naar de beste manier om het lezen te bevorderen.

    De Haan en Kok (1990) ontdekten dat de leesmotivatie van leerlingen door leespromotieactiviteiten positief wordt beïnvloed. Vooral het lezen zelf wordt positiever gewaardeerd. Leerlingen leren dat lezen kan helpen bij het beïnvloeden van hun stemming. Uit dit onderzoek blijkt ook weer dat

    leespromotie vooral effect kan hebben bij leerlingen waarbij thuis weinig wordt gelezen. De uitwisseling van meningen en informatie over boeken heeft ook een positieve invloed op de

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    leesmotivatie. Kinderen met een lage leesvaardigheid hebben wel een grote leesmotivatie, al lezen ze meer informatieve boeken dan vaardige lezers.

    Verhoeven (1996) komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat er voortdurend aandacht moet zijn voor continuïteit in het leer- en vormingsaanbod. Het is erg belangrijk dat kinderen zien dat er veel functies van lezen zijn. Ze moeten met al die functies een keer kennis kunnen maken, want daardoor zal hun leesmotivatie worden bevorderd. Verder is het van belang dat de leraren de nadruk leggen op fictie zodat het gevoel voor schoonheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van de leerlingen worden bevorderd. De bibliotheek heeft daarbij een belangrijke rol. De leraren moeten nageschoold worden, bijvoorbeeld door speciale modules voor hen te ontwikkelen.

    Van Peer (1992) geeft kritiek op de leeslessen op de basisschool. In deze lessen, die hij 'lessen tegen het lezen' noemt, wordt vooral veel aandacht besteed aan technisch lezen, door middel van hardop lezen in de les. Hardop lezen heeft echter weinig functie wanneer er door de leerlingen wordt voorgelezen. Wanneer de leraar voorleest, heeft het nog wel zin.

    Hardop lezen is niet bepaald bevorderend voor het leesplezier van leerlingen: het tempo wordt zodanig vertraagd, dat alle spanning en humor uit het verhaal wegvallen, leerlingen vooruit gaan lezen en de draad kwijtraken, of naar buiten kijken en helemaal niet meer meelezen. Het is beter de leerlingen voor zichzelf te laten lezen.

In de vrije tijd

    "De kinderboeken (ongeveer 125) liggen overal in huis; de meeste zijn te vinden in de huiskamer en op de slaapkamer van de twee meisjes. De 'goede' kinderboeken zijn in de meerderheid (onder meer van Diekman, Steig, Ungerer en Bouhuys) maar er zijn ook boeken van Scarry en Grashof."

    De laatste jaren wordt er ook bij kinderen thuis onderzoek verricht naar hun leesgedrag en dat van hun ouders. Dat die ouders veel invloed hebben op het leesgedrag van hun kinderen staat vast, maar welke ouders positief en negatief staan tegenover lezen is minder duidelijk.

    Veel kinderen krijgen volgens ltie van den Berg (Verhoeven, 1996) negatieve opmerkingen wanneer ze aan het lezen zijn. Ze worden dan bijvoorbeeld weggeroepen om een boodschap te doen, terwijl dat niet zou zijn gebeurd wanneer ze andere bezigheden hadden gehad. Daarom moet een project voor leesbevordering zich volgens haar eerst op de ouders richten, om hen van het nut van lezen te overtuigen.

    Het is verder erg belangrijk dat ouders hun kinderen regelmatig blijven voorlezen, ook als de kinderen zelf al kunnen lezen. Ze kunnen dan samen met de ouders al boeken aan die net boven hun niveau uitstijgen. Voorlezen stimuleert ook de verbale interactie tussen ouder en kind, aldus Cordus (Verhoeven, 1996).

    Het blijkt vrij moeilijk te zijn om allochtone gezinnen te stimuleren hun kinderen voor te lezen. Sommige ouders willen wel, maar hebben zelf zo'n lage opleiding gehad, dat het erg moeilijk voor ze is om een eenvoudig boekje met hun kind te lezen. Lesemann (Verhoeven, 1996) bekeek deze problemen. Hij denkt dat ze wel op te lossen zijn, door deze ouders met hun kinderen naar foto's te

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    laten kijken, de ouders verhalen van vroeger te laten vertellen, enzovoort. Zo blijft de interactie tussen moeder en kind toch productief te zijn. Makers van interventieprogramma's moeten de culturele achtergrond en de moeilijkheden van de gezinnen goed in de gaten houden.

Helma van Lierop-Debrauwer (1990) onderzocht de situatie van vier middenklasse gezinnen. Het

    gezin speelt een grote rol in de socialisatie van kinderen. Het is verder niet belangrijk uit welke sociale klasse een gezin komt, het gaat meer om de houding van de ouders ten opzichte van lezen. Wanneer die houding positief is zullen de ouders vanzelf meer aandacht aan het lezen van hun kind besteden. Ze bieden dan betere ondersteuning en begeleiding dan ouders die zelf niet van lezen houden; die richten zich namelijk meer op de educatieve aspecten van lezen. Het leesplezier staat bij die gezinnen niet bovenaan.

Onderzoek naar het verbeteren van de leesprestaties op school

    Postiethwaite en Ross (1992) hebben aan de hand van een internationaal onderzoek naar de meest effectieve school, een portret van de ideale school geschetst. De ideale school ligt in een stad, met in de buurt een bibliotheek en enkele boekenwinkels. De schoolbibliotheek is vol en het aanbod aan boeken groeit. Er is een aparte bibliotheek voor leraren en er zijn mogelijkheden gecreëerd voor recreatief lezen. Er zijn meer vrouwen dan mannen aangesteld als leraar. De leraren zijn ervaren en willen zich graag bijscholen. De ouders steunen de school en zijn actief betrokken bij de lessen van hun kinderen. De staf wordt regelmatig geëvalueerd.

    Verder bleek uit dit onderzoek dat grotere scholen effectiever zijn dan kleinere. Grotere scholen hebben een grotere leerling-leraar ratio en een grotere speciale leerling-leraar ratio. Er zijn meer lesuren per week en per jaar.

    Er zijn speciale programma's om het lezen te verbeteren, zoals extra lessen, individuele instructie of speciale cursussen.

    Vooral het begrip van de teksten is op deze scholen belangrijk. Dat wordt gerealiseerd door de verhalen te dramatiseren of door ze te koppelen met de eigen ervaringen van de leerlingen.

    Uit de resultaten van deze onderzoeken blijkt dus dat het erg belangrijk is dat niet alleen de school probeert het lezen te bevorderen. Om kinderen weer aan het lezen te krijgen is de steun van de ouders, de bibliotheek en de boekhandel hard nodig.

Hoe werkt Fantasia

    Fantasia is in feite een schoolleesplan voor leerlingen van de basisschool. De vrijblijvendheid van

    leesbeleving en leesplezier binnen het onderwijs worden omgezet in een strategische en gestructureerde benadering van lezen. De rol die de bibliotheek, boekhandel en ouders in onderlinge samenhang en afstemming met de school kunnen vervullen, vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt. In SchoolleeSplan Fantasia worden de activiteiten van de leespartners in samenhang

    beschreven. De school is daarbij het centrale ontmoetingspunt, het kind is het centrum van aandacht.

In Fantasia staan dan ook drie uitgangspunten centraal:

    1. Het vrijblijvende karakter van leesbevordering wordt doorbroken.

    2. Samenwerking tussen school, bibliotheek, boekhandel en ouders heeft prioriteit. 3. Wekelijks wordt er gestreefd naar twee uur structurele leesbevordering.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    Dat laatste betekent niet dat het huidige programma op de basisschool wordt verzwaard met nog eens twee uur aan extra activiteiten. Het betekent wel dat leesbevorderingsactiviteiten binnen duidelijke kaders geplaatst worden. De twee uur zijn dus bedoeld als een indicator voor het structureren van leesbevordering binnen het onderwijs.

    De leespartners werken samen richting leerling, maar ook onderling vindt er in de vorm van trainingen een uitwisseling van kennis en ervaringen plaats. Zoals de school en de ouders alles van het kind weten, zo kennen de bibliotheek en de boekhandel de boekenwereld, en dat biedt perspectieven voor een vruchtbare kruisbestuiving. Scholen en bibliotheken kunnen kennis nemen van elkaars activiteitenaanbod. Daardoor is men voortdurend op de hoogte van de activiteiten. Het opzetten van deze activiteitenstructuur is een belangrijk onderdeel binnen Fantasia. Bij dit alles wordt ook rekening gehouden met leerlingen en ouders met verschillende etnische en culturele achtergronden.

    Aangrijpingspunt is de leesrijkdom thuis, los van sociaal-economische factoren (die de doelgroep natuurlijk wel voor een deel bepalen). De aandacht gaat dus niet uit naar arme, maar leesarme

    omgevingen. Dit betekent een brede invulling van de doelgroep.

    Fantasia is ontwikkeld op basis van onderzoek naar het leesgedrag van kinderen en de analyse van enkele succesvolle projecten en leesmethoden. In enkele leesmethoden wordt weliswaar ruime aandacht besteed aan leesbevordering, maar dit gebeurt alleen binnen de school. De rol van derden wordt daarin vermeld, maar structurele samenwerking met de bibliotheek, ouders en de boekhandel ontbreekt daarbij.

    Het duurt overigens een tijd voordat dergelijke methoden breed zijn ingevoerd op scholen. Tenslotte is 30% gebruik van een leesmethode landelijk een groot marktaandeel. Aansluiten bij een enkele methode zou de toepasbaarheid van Fantasia tot een derde van de markt beperken. Daarom sluit Fantasia niet aan bij een bepaalde methode, maar is het naast alle methodes te gebruiken.

Drie dimensies

    Speciale aandacht gaat uit naar drie dimensies van leesbevordering: de individuele, de sociale en de inhoudelijke dimensie. Deze drie krijgen concreet gestalte in wat we kortweg noemen: de Fantasiadriehoek. Er zijn drie werkvormen die bij deze dimensies aansluiten:

    * het vrij lezen als uitwerking van de individuele dimensie

    * de boekenkring als uitwerking van de sociale dimensie

    * speciale verwerkingsvormen als uitwerking van de inhoudelijke dimensie

    De drie elementen van de Fantasia-driehoek kunnen elkaar overlappen. Het is de bedoeling dat daarbij een zo breed mogelijke invulling van de drie plaatsvindt.

    Vrij lezen is de persoonlijke interactie van het kind met een boek, qua inhoud voorgeschreven of naar eigen inzicht gekozen. Daarbij kan gelezen worden in de leeshoek, de bibliotheek, thuis... Zowel jeugdliteratuur als informatieve boeken komen daarbij aan bod (Corstanje 2000). De Boekenkring is meer dan alleen een rondje boeken. Het is voorlezen en boekspreekbeurt,

    gezamenlijke activiteiten en een persoonlijk verhaal over je lievelingsboek of rotboek. Het is ook kinderjury en kinderboekenweekspektakel, schrijver op bezoek en het penseel van een bekende illustrator vasthouden. Breed dus.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    Verwerkingsvormen bieden aandacht voor boeken vanuit een specifiek vertrekpunt zoals: boek en film, poëzie, pop-up boeken, maar ook voor inhoudelijke thema's zoals oorlog, sprookjes, griezelverhalen, misstanden in de wereld.

Het Boekenboek

    Bij dit alles speelt het Boekenboek voor de leerlingen een belangrijke rol. Hierin kunnen onder meer de eigen ervaringen met boeken of met de boekenkring vastgelegd worden. Ook zijn er activiteiten in opgenomen rondom boeken. Boekenboek bevat informatie over nieuw verschenen boeken in diverse categorieën, deelname aan de kinderjury, ruimte voor de eigen favorieten en rotboeken top tien, schoolvriendjes en het lievelingsboek van oma. Boekenboek bevat niet alleen informatie voor de leerling, maar ook voor de ouders, de bibliotheek en de boekhandel over de specifieke leeswensen van een kind.

Producten

    Op de verschillende locaties is een groot aantal producten ontwikkeld en in verschillende setting uitgetest en bijgesteld. Deze producten worden in onderlinge samenhang gebruikt. Ze zijn bedoeld voor de docent en voor de fantasiabegeleider.

    Hieronder een beschrijving. Voor de manier van bestellen zie de website

    www.boekenpretfantasia.nl onder de knop Producten. Naast de speciaal voor Fantasia ontwikkelde

    materialen, bestaan er boeken en tijdschriften die ondersteuning kunnen bieden bij het werken met Fantasia. Ook deze zijn te vinden onder de knop Producten / Aanvullend materiaal.

Fantasiaboek

    Het handboek Fantasia: SchoolleeSplan voor de basisschool: structuur en achtergrond vormt de

    basis voor het werken met Fantasia. Het beschrijft de achtergronden en de uitgangspunten van Fantasia. Ook wordt beschreven hoe Fantasia in het bestaande onderwijsprogramma van groep 1 tot en met 8 van een school opgenomen kan worden.

Fantasiabox

    De Fantasiabox bestaat uit 14 brochures in een doos. Elke brochure heeft een omvang van ongeveer 40 pagina’s en is opgehangen aan een thema. In de brochure wordt uitgewerkt op welke manier rond het betreffende thema gedurende een aantal weken wordt gelezen en gewerkt. Leraren die deze aanpak volgen beschikken daarmee over een evenwichtig programma om door de jaren heen te werken met literatuur. De kopieerbladen die bij deze thema's horen zijn opgenomen in Fantasiakopie. Hieronder volgt een omschrijving van de thema’s van de verschillende brochures en de groep waar ze op gericht zijn.

1. Knuffel (groep 1 en 2)

    Voor kinderen in groep 1 en 2 is het thema Knuffel een mogelijkheid om kennis te maken met veel

    boeken. Kinderen ontmoeten dieren met menselijke eigenschappen en leggen het verband met de knuffels en het speelgoed dat ze zelf hebben. Kleuters hebben een grote emotionele betrokkenheid bij dieren. Ze zijn zacht, net als hun eigen knuffels, je kunt ze strelen, aaien, oppakken en tegen je aan houden. Juist die grote betrokkenheid zal het lezen en het kennismaken met lezen in dit thema bevorderen.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

2. Wonen (groep 3)

    Behandelt de verschillende manieren van wonen van mensen. In het thema wordt ingegaan op de woonsituatie van de leerlingen zelf en die wordt dan betrokken op de informatie die in de bijbehorende boeken gegeven wordt. Een aantal leerlingen zal woonsituaties uit andere landen kunnen inbrengen, zoals Turkse en Marokkaanse kinderen.

3. Eng (groep 4)

    In dit thema gaat groep 4 kennismaken met verschillende genres griezel- of horrorverhalen. Het zijn juist de vampiers, heksen en weerwolven die zich 's nachts op hun gemak voelen. Dat is natuurlijk best eng, maar tegelijk heel spannend. Het is ook heerlijk om erover te lezen. Door ervaringen uit te wisselen kunnen de kinderen ervaren dat wat voor de een griezelig is, voor de ander heel gewoon kan zijn, en helemaal niet eng.

4. Geheimzinnigheid (groep 5)

    Iedereen kent wel een geheim. Een geheim van jezelf, een geheim voor jezelf. Iets wat gebeurd is en wat een ander niet mag weten. Sommige verhalen kunnen echt gebeurd zijn, andere zijn zo fantastisch, dat ze alleen maar verzonnen kunnen zijn. Er is volop aandacht voor geheimen, geheimschriften, speurtochten, speurders en andere geheime en rare zaken in dit project.

5. Ver weg (groep 6)

    In dit thema wordt ingespeeld op de natuurlijke drang van kinderen om kennis te vergaren over andere landen, volken en leefgewoonten. De ontmoeting met de kinderen in de boeken in verschillende leefsituaties en interculturele situaties maakt het thema zeer afwisselend. Met name de allochtone leerlingen kunnen in dit thema een bijdrage leveren, omdat ze deze met eigen impressies, foto's en dergelijke kunnen verrijken.

6. Dwalen in ruimte en tijd (groep 7)

    Om personages uit deze tijd naar het verleden te laten reizen, worden vaak allerlei trucjes gebruikt: tijdmachines, telepathie, mysterieuze krachten, eigenaardige dromen, enzovoort. Een nieuwe invalshoek is om vanuit het verleden de sprong naar de toekomst te maken en vanuit de toekomst naar het verleden. Soms gaat dat zover, dat je niet meer weet of je met een historisch- of met een sciencefiction verhaal te maken hebt.

7. Oorlog (groep 8)

    Kinderen van nu hebben vaak zelf geen oorlog meegemaakt. De grotere toestroom van vluchtelingen uit oorlogsgebieden brengt Nederlandse kinderen in contact met kinderen die vaak uit de eerste hand getuigenissen af kunnen leggen van oorlogssituaties. De emotionele betrokkenheid die deze kinderen hebben met oorlog, nuanceert de beelden van Nederlandse kinderen over oorlog. Een mogelijkheid om kennis te maken met de verschillende benaderingen van het thema oorlog.

8. Meer dan plaatjes (midden en bovenbouw)

    Aan de hand van prentenboeken leren leerlingen die de kleuterleeftijd ontgroeid zijn hoe een verhaal in beelden kan worden verteld. Ze leren beelden interpreteren door geconcentreerd te kijken, relaties te leggen tussen beeldelementen in een prent, maar ook tussen verschillende prenten. Ook

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    leren ze visuele informatie te koppelen aan tekstinformatie. Ze leren emoties die beelden oproepen te omschrijven.

9. Om lyrisch van te worden (midden en bovenbouw)

    Deze brochure bevat een aanpak om met kinderen poëzie te lezen. Poëzie werkt met een ander soort ‘taal’ dan kinderen gewend zijn, zorgt voor een confrontatie met de meest wezenlijke dingen in het

    leven. Door het lezen van poëzie ontwikkelen kinderen een andere leesinstelling.

10. Verbeelding (hele basisschool)

    Kinderen houden van verhalen, in welke vorm dan ook. Boek en film kunnen goed samengaan, mits ze op de juiste manier gekoppeld worden. Kinderen worden zich ervan bewust dat boek en film twee verschillende media zijn die op een heel eigen manier een verhaal vertellen en daarbij gebruik maken van specifieke middelen. Verhalenkennis die kinderen verworven hebben door film en tv wordt gekoppeld aan verhalen in boekvorm.

11. Wieweetwatwaar? (midden en bovenbouw)

    Kinderen zijn nieuwsgierig, willen van alles weten. Eén van de manieren om een antwoord op je vragen te krijgen is zoeken in boeken. Deze brochure houdt zich bezig met het gebruik van informatieve boeken. In twaalf voorbeeldlessen worden zaken behandeld als: zoeken in een boek, een boekpresentatie verzorgen, een muurkrant maken, een quiz opstellen, het gebruik van kleuren bij het aanbieden van informatie.

12. Zwerven met Heer Akels (groep 4, 5, 6)

     Een leestocht door tien kinderboeken, die qua vorm en inhoud zeer verschillend zijn. Bij elk boek wordt één activiteit uitgebreid beschreven, op een zodanige manier dat de aanpak ook toepasbaar is op andere boeken dan de titels uit de brochure. De boeken kunnen in willekeurige volgorde in willekeurig welke groep aan de orde komen. Ook de bestede tijd kan variëren.

13. Odysseus (groep 7 en 8)

    Gedurende een langere periode werken met een klassiek verhaal. De omzwervingen en spannende avonturen van de Griekse held Odysseus en zijn makkers bieden een uitgelezen mogelijkheid om het culturele erfgoed van Europa te doen herleven. Om dit te bereiken is het verhaal omgezet in 15 scènes die worden voorgelezen. Per scène zijn er suggesties voor verwerking en verder lezen.

14: Trompet voor Olifant (ouders en kinderen van groep 4)

    Een project voor ouders en kinderen van groep 4. In dit project gaat leespromotie voor kinderen hand in hand met onderdelen waar de ouders van de kinderen bij betrokken worden. Het project biedt de ouders de mogelijkheid om te delen in het plezier dat hun kinderen hebben bij het lezen. Het biedt tevens de mogelijkheid om ouders te informeren over boeken, lezen en de bibliotheek. Het boek Trompet voor olifant van Max Velthuijs vormde de rode draad in dit ouderprogramma.

Fantasiakopie

    Bij al de onderdelen uit de Fantasiabox zijn leerlingenbladen nodig. Deze zijn toegevoegd in de vorm van te kopieren lees- en werkbladen. Fantasiakopie bevat alle kopieerbladen voor groep 4 t/m

    8. Leerlingen verzamelen de kopieën in een klapper of map: het zogenaamde Boekenboek.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

    In dit Boekenboek beschrijven de leerlingen hun indrukken van en meningen over de boeken, die zij gelezen hebben. De belangrijkste functie van het Boekenboek is het stimuleren van leerlingen om op een speelse wijze met boeken om te gaan. Na verloop van tijd wordt het Boekenboek een persoonlijk document voor de kinderen. In het Boekenboek is te zien welke boeken ze gedurende een aantal jaren hebben gelezen: gewone leesboeken, informatieve boeken, prentenboeken, stripboeken en gedichtenbundels. Bovendien hebben de kinderen over de belangrijkste lees- en informatieve boeken hun mening gegeven en iets van hun beleving laten zien. Het Boekenboek wordt eigenlijk een soort dagboek dat speciaal over boeken gaat.

    Fantasiakopie / aanvullingen bevat een pakket kopieerbladen voor de groepen 1 t/m 3.

Fantasia Begeleiders Handboek

    Fantasia biedt de leerkracht ondersteuning in de vorm van 10 bijeenkomsten van anderhalf uur ter voorbereiding van de verschillende stappen. Deze bijeenkomsten krijgen hun vorm d.m.v. een Begeleiders Handboek. Daarin treft de begeleider zorgvuldig uitgewerkte modules aan, aan de hand waarvan de leerkrachten kunnen worden voorbereid op de Fantasia-aanpak.

    De modules betreffen de verschillende onderdelen van Fantasia: hoe stel je een leesbevorderingsplan op, hoe pak je de lessen aan bij de thema’s, bij het werken met het Boekenboek, bij het werken met de boekenkring, hoe organiseer je het ‘vrij lezen’, hoe organiseer

    je ouderbetrokkenheid, hoe kun je interactief voorlezen, etc.

    De modules bevatten een uitvoerige omschrijving van elke bijeenkomst, van de benodigde materialen, van de opzet van de bijeenkomst. Ook bieden ze additioneel materiaal.

Videoband

    De videoband heeft als titel: Fantasia:Leesbevordering in de praktijk en is voorzien van een

    brochure met aanvullende informatie. Hij is bedoeld voor leerkrachten van de basisschool en kan gebruikt worden door schoolbegeleiders, bibliothecarissen en leescoördinatoren bij de implementatie van Fantasia of vergelijkbare leesbevorderingsactiviteiten.

    De video geeft een gevarieerd en inspirerend beeld van de manier waarop vijf scholen leesbevordering een concrete plek geven in de dagelijkse onderwijspraktijk.

Fantasia Plus

    Veel scholen en bibliotheken maken gebruik van Fantasia. Sommige christelijke scholen echter zagen barrières om voluit deel te nemen aan Fantasia. Men was van mening dat onderdelen uit Fantasia, veel boektitels en enkele thema's, niet overeenkomen met de identiteit van hun school. Na overleg met een groot aantal partners bleek er een groot draagvlak te zijn om een aanvulling op Fantasia te ontwikkelen. Met steun van Stichting Lezen is in 2000 in samenwerking met de Overijsselse Bibliotheekdienst een aanpassing op het Fantasia-model uitgebracht: Fantasia Plus. Hiervan wordt inmiddels veel gebruik gemaakt door de beoogde doelgroep.

    Aan deze uiterst bruikbare variant verleenden de volgende instellingen hun medewerking: CLK (Christelijk Lektuur Contact), branche-organisatie voor Christelijke uitgevers en boekhandels; GPC (Gereformeerd Pedagogisch Centrum); GH (Gereformeerde Hogeschool); Landelijk Protestants-christelijke Schoolbegeleidingsdienst Centraal Nederland; SCB (Samenwerkende Christelijke Boekhandels).

    Voor meer informatie zie www.boekenpret-fantasia.nl / producten.

     Vereniging van Openbare Bibliotheken ? 2006

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com