DOC

BAHA'I GEBEDEN

By Danielle Ellis,2014-06-22 19:07
6 views 0
BAHA'I GEBEDEN

BAHA‟I GEBEDEN

Een keuze uit gebeden geopenbaard door

    de Báb, Bahá‟u‟lláh en „Abdu‟l-Bahá

    “Gezegend zijn de plek en het huis en de plaats en de stad en het hart en de berg en de schuilplaats en de grot en het dal en het land en de zee en het eiland en de weide waar God wordt genoemd en Zijn eer wordt verheerlijkt.”

    Bahá‟u‟lláh

    WOORD VOORAF

    Zing, o Mijn dienaar, de verzen Gods welke gij hebt ontvangen, gelijk door hen aangeheven die Hem nabij zijn, opdat de zoetheid van uw melodie uw eigen ziel mag doen ontbranden en het hart aller mensen aantrekken. De rondwarende engelen van de Almachtige zullen alom de geur verspreiden van de woorden, geuit door al wie zo in de stilte van zijn kamer de door God geopenbaarde verzen zegt, en zullen het hart van ieder rechtvaardig mens doen kloppen. Ofschoon deze uitwerking hem eerst onbewust mag blijven, zal de kracht van de hem geschonken genade vroeg of laat haar invloed op zijn ziel doen gelden. Aldus zijn de geheimen der Openbaring Gods krachtens de wil van Hem, Die de bron is van macht en wijsheid, vastgesteld.

     Bahá‟u‟lláh

VERPLICHTE GEBEDEN

    “Er zijn drie verplichte gebeden. De gelovige is geheel vrij één van deze drie gebeden uit te kiezen, maar heeft de verplichting om één hiervan te bidden met de aanwijzingen die daarbij gegeven zijn.” - Uit een brief geschreven namens Shoghi Effendi.

    “Met “ochtend”, “middag” en “avond”, genoemd in verband met de Verplichte Gebeden, wordt bedoeld respectievelijk de tijd tussen zonsopgang en het middaguur, tussen het middaguur en zonsondergang, en van zonsondergang tot twee uur na zonsondergang.” - Uit

    “Synopsis en codificatie van de wetten en verordeningen van de Kitáb-i-Aqdas”, gepubliceerd

    in “De Kitáb-i-Aqdas - Het Heiligste Boek”

HET KORTE VERPLICHTE GEBED

    Ik getuig, o mijn God, dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen en U te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht, mijn armoede en Uw rijkdom. Er is geen ander God dan Gij, de Helper in nood, de BijZichBestaande.

     Bahá‟u‟lláh

HET MIDDELLANGE VERPLICHTE GEBED

    Wanneer het volgende gebed wordt gekozen, moet het ‟s ochtends, ‟s middags en ‟s avonds worden gezegd.

    Al wie wenst te bidden, wasse zijn handen en zegge al wassende:

    Sterk mijn hand, o mijn God, dat zij Uw Boek zo onwrikbaar moge vasthouden, dat de wereldse scharen er geen macht over zullen hebben. Behoed haar voor bemoeienis met enig ding dat haar niet toebehoort. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende. Laat hij, terwijl hij zijn gezicht wast, zeggen: En terwijl hij zijn gezicht wast zegge hij: Ik heb mijn gelaat naar U gekeerd, o mijn Heer! Verlicht het met het licht van Uw aanschijn. Bescherm het, dat het zich tot niemand wende buiten U.

    Laat hij dan rechtop staande zijn gezicht wenden naar de Qiblih (Plaats van verering, dat is Bahjí, `Akká) en zeggen:

    God betuigt dat er geen ander God is dan Hij. Hem behoren de rijken der Openbaring en der schepping. Hij heeft in waarheid Hem geopenbaard Die de Dageraad van openbaring is, Die op de Sinai heeft gesproken, door Wie de Allerhoogste Horizont is gaan lichten en de Lotusboom, waaraan geen mens voorbij kan gaan, heeft gesproken en door Wie aan allen in de hemel en op aarde de roep is verkondigd: "Ziet, de Albezitter is gekomen. Hemel en aarde, glorie en heerschappij zijn van God, de Heer aller mensen en de Bezitter van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden!"

    Laat hij zich dan neerbuigen, met de handen rustend op de knieën, en zeggen: Verheven zijt Gij boven mijn lof en de lof van een ieder buiten mij, boven mijn beschrijving en de beschrijving van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn!

    Laat hij dan, staande met open handen, de palmen naar zijn gezicht geheven, zeggen: Stel, o mijn God, hem die zich met smekende vingers aan de zoom van Uw genade en barmhartigheid vastklemt niet teleur, o Gij Die van hen die erbarmen tonen de Barmhartigste zijt.

    Laat hij dan gaan zitten en zeggen:

    Ik getuig van Uw eenheid en Uw eenzijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is

    dan Gij. Waarlijk, Gij hebt Uw Zaak geopenbaard, Uw Verbond vervuld en de deur van Uw barmhartigheid wijd geopend voor allen die in de hemel en op aarde verwijlen. Zegen en vrede, heil en heerlijkheid rusten op Uw geliefden die door het wel en wee der wereld niet zijn weerhouden zich tot U te wenden en die alles geven in de hoop te verkrijgen hetgeen bij U is. Gij zijt, in waarheid, de Immer Vergevende, de Almilddadige.

    (Als iemand in plaats van het lange vers de volgende woorden verkiest te zeggen: "God betuigt dat er geen ander God is dan Hij, de Helper in nood, de BijZichBestaande", zal dit

    voldoende zijn. Ook zal het voldoende zijn als hij zittende deze woorden zegt: "Ik getuig van Uw eenheid en Uw eenzijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij.") Bahá‟u‟lláh

HET LANGE VERPLICHTE GEBED

    Al wie dit gebed wenst te zeggen, moet gaan staan en zich tot God wenden en naar rechts en links kijken als verwacht hij de genade van zijn Heer, de Albarmhartige, de Meedogende. Laat hij dan zeggen:

    O Gij, Die de Heer aller namen zijt en de Maker der hemelen! Ik smeek U, bij Hen Die de Dageraden zijn van Uw onzichtbaar Wezen, het Verhevenste, het Alglorierijke, mijn gebed te

    maken tot een vuur dat de sluiers die mij van Uw schoonheid uitsluiten zal wegbranden en tot een licht dat mij naar de oceaan van Uw tegenwoordigheid zal leiden.

    Laat hij dan smekend zijn handen opheffen tot God gezegend en verheven zij Hij en

    zeggen:

    O Gij Verlangen der wereld en Geliefde der volkeren! Gij ziet hoe ik mij naar U keer, bevrijd van alle gehechtheid aan eenieder buiten U, en mij vastklem aan Uw koord door welks beweging de gehele schepping in beroering is gebracht. Ik ben Uw dienaar, o mijn Heer, en de zoon van Uw dienaar. Aanschouw mij, bereid Uw wil te doen en Uw verlangen te vervullen, en niets anders wensende dan Uw welbehagen. Ik smeek U bij de Oceaan van uw erbarmen en de Dagster van Uw genade om met Uw dienaar te doen naar Uw wil en behagen. Bij Uw macht die alle vermelding en lof verre te boven gaat! Al hetgeen door U is geopenbaard, is wat mijn hart verlangt en mijn ziel liefheeft. O God, mijn God! Zie niet naar wat ik hoop en doe, neen, zie liever naar Uw wil die hemelen en aarde omvat. Bij Uw Allergrootste Naam, o Gij Heer aller volkeren! Ik verlang slechts hetgeen Gij verlangt en heb slechts lief hetgeen Gij liefhebt.

    Laat hij dan neerknielen en zijn voorhoofd naar de grond buigend zeggen:

    Verheven zijt Gij boven de beschrijving van ieder ander dan Uzelf en boven het begrip van alles buiten U.

    Laat hij opstaan en zeggen:

    Maak mijn gebed, o mijn Heer, tot een bron van levend water waardoor ik leve zolang als Uw heerschappij voortduurt en melding van U make in elk van Uw werelden.

    Laat hij opnieuw zijn handen in smeking opheffen en zeggen:

    O Gij, om Wie harten en zielen, wanneer van U gescheiden, wegkwijnen en door het vuur van Wiens liefde de gehele wereld in vlam is gezet! Ik smeek U, bij Uw Naam door welke Gij de gehele schepping onderwerpt, aan mij niet te onthouden hetgeen bij U is, o Gij Die over alle mensen heerst! Gij ziet, o mijn Heer, deze vreemdeling zich haasten naar zijn verhevenste woning onder het baldakijn van Uw majesteit en in het rijk van Uw barmhartigheid, deze zondaar de oceaan van Uw vergiffenis, deze ootmoedige het hof van Uw heerlijkheid en dit arme schepsel de luister van Uw rijkdom zoeken. Aan U is het gezag om al hetgeen Gij wilt te bevelen. Ik getuig dat Gij moet worden geprezen in Uw werken en gehoorzaamd in Uw bevelen en dat Gij steeds onbeperkt blijft in Uw gebod.

    Laat hij dan zijn handen opheffen en driemaal de Grootste Naam zeggen. Laat hij zich dan met zijn handen op zijn knieën voor God gezegend en verheven zij Hij neerbuigen en

    zeggen:

    Gij ziet, o mijn God, hoe mijn geest in merg en been wakker geschud is, in zijn verlangen U te aanbidden en in zijn hunkering U te gedenken en U te loven; hoe hij betuigt hetgeen de Tong van Uw gebod betuigt in het Koninkrijk van Uw woord en in de hemel van Uw kennis. In deze staat, o mijn Heer, smeek ik U graag om al hetgeen bij U is, opdat ik mijn armoede tone en Uw milddadigheid en Uw rijkdom verheerlijke, mijn machteloosheid verkondige en Uw kracht en Uw macht openbare.

    Laat hij dan opstaan, tweemaal zijn handen smekend heffen, en zeggen:

    Er is geen God dan Gij, de Almachtige, de Almilddadige. Er is geen God dan Gij, de Beschikker, zowel in den beginne als in het einde. O God, mijn God! Uw vergiffenis heeft mij moed gegeven en Uw barmhartigheid heeft mij gesterkt; Uw roep heeft mij gewekt en Uw genade heeft mij opgericht en mij tot U geleid. Wie immers ben ik dat ik aan de poort van de stad van Uw nabijheid zou durven staan of mijn gelaat zou durven keren naar het licht dat uit de hemel van Uw wil schijnt? Gij ziet, o mijn Heer, dit armzalige schepsel aan de deur van Uw genade kloppen en deze vergankelijke ziel de rivier van eeuwig leven zoeken uit de handen van Uw milddadigheid. Aan U staat het te allen tijde te bevelen, o Gij Die de Heer

    aller namen zijt; en aan mij mij over te geven en mij gewillig te onderwerpen aan Uw wil, o Schepper der hemelen!

    Laat hij dan driemaal zijn handen heffen en zeggen:

    God is groter dan ieder die groot is!

    Laat hij dan neerknielen en zijn voorhoofd naar de grond buigend zeggen: Te verheven zijt Gij, dat de lof van hen die U nabij zijn kan opstijgen naar de hemel van Uw nabijheid, of de vogelen der harten van hen die U zijn toegewijd de deur van Uw poort kunnen bereiken. Ik getuig dat Gij boven alle eigenschappen zijt verheven en boven alle namen zijt geheiligd. Geen God is er dan Gij, de Verhevenste, de Alglorierijke. Laat hij dan gaan zitten en zeggen:

    Ik betuig hetgeen al het geschapene en de Schare in den hoge en de bewoners van het allerhoogste Paradijs en daarenboven de Tong van Grootheid zelf vanaf de alglorierijke Horizont betuigen: dat Gij God zijt, dat er geen God is dan Gij en dat Hij Die is geopenbaard het verborgen Mysterie is, het gekoesterde Symbool door Wie de letters W, E, E, en S (wees) zijn samengevoegd en verbonden. Ik betuig dat Hij Degeen is Wiens naam is neergeschreven door de Pen van de Allerhoogste en Die vermeld is in de Boeken Gods, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden.

    Laat hij dan gaan staan en zeggen:

    O Heer van alle zijn en Bezitter van al het zichtbare en onzichtbare! Gij bemerkt mijn tranen en de zuchten die ik slaak, en hoort mijn steunen, mijn jammeren en het weeklagen van mijn hart. Bij Uw macht! Mijn overtredingen beletten mij U te naderen en mijn zonden houden mij ver van het hof van Uw heiligheid. Uw liefde, o mijn Heer, verrijkt mij, het gescheiden zijn van U vernietigt mij en het veraf zijn van U verteert mij. Ik smeek U bij Uw voetstappen in deze wildernis en bij de woorden "Hier ben Ik. Hier ben Ik" die Uw Uitverkorenen in deze woestijn hebben geuit, en bij de ademtocht van Uw Openbaring en de zachte bries van de Dageraad van Uw Manifestatie te beschikken dat ik Uw schoonheid moge aanschouwen en al hetgeen in Uw Boek is neergelegd nakome.

    Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, zich neerbuigen en, terwijl zijn handen op zijn knieën rusten, zeggen:

    Ere zij U, o mijn God, dat Gij mij hebt bijgestaan U te gedenken en U te loven, en dat Gij Hem Die de Dageraad van Uw tekenen is aan mij hebt bekendgemaakt; dat Gij mij ertoe gebracht hebt mij voor Uw Heerschappij te buigen, mij voor Uw Godheid te verootmoedigen en hetgeen door de Tong van Uw grootheid is geuit te erkennen.

    Laat hij dan gaan staan en zeggen:

    O God, mijn God! Mijn rug is gebogen onder de last van mijn zonden en mijn onachtzaamheid heeft mij vernietigd. Steeds wanneer ik mijn boze werken en Uw weldadigheid overdenk, smelt mijn hart in mij en kookt het bloed in mijn aderen. Bij Uw Schoonheid, o Gij Verlangen der wereld! Ik schaam mij mijn gelaat tot U te heffen en mijn verlangende handen schromen zich uit te strekken naar de hemel van Uw milddadigheid. Gij ziet, o mijn God, hoe mijn tranen mij verhinderen U te gedenken en Uw deugden te prijzen, o Gij, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden! Ik smeek U, bij de tekenen van Uw Koninkrijk en de geheimen van Uw heerschappij, met Uw geliefden te doen zoals het Uw milddadigheid betaamt, o Heer van alle zijn, en zoals Uw genade waardig is, o Koning van het geziene en het ongeziene!

    Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen en neerknielen met zijn voorhoofd op de grond en zeggen:

    Ere zij U, o onze God, dat Gij tot ons hebt neergezonden hetgeen ons U doet naderen en dat Gij ons voorziet van al het goede dat door U in Uw Boeken en Geschriften tot ons is gezonden. Wij smeken U, o Heer, bescherm ons tegen de scharen van ijdele waan en nutteloze verbeelding. Gij zijt in waarheid de Machtige, de Alwetende.

Laat hij dan zijn hoofd oprichten en gaan zitten en zeggen:

    Ik betuig, o mijn God, hetgeen Uw uitverkorenen betuigen en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw machtige Troon omringen erkennen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der werelden!

     Bahá‟u‟lláh

ALGEMENE GEBEDEN

AVOND

    O mijn God, mijn Meester, Doel van mijn verlangen! Deze dienaar van U zoekt de slaap in de beschutting van Uw barmhartigheid en de rust onder het baldakijn van Uw genade, smekende om Uw zorg en Uw bescherming.

    Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw oog dat niet slaapt, mijn ogen te behoeden iets anders te zien dan U. Sterk dan hun blik, zodat zij Uw tekenen kunnen waarnemen en de Horizont Uwer openbaring kunnen aanschouwen. Gij zijt Degeen voor Wiens openbaringen van almacht de kern van macht beeft.

    Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Albeheerser, de Absolute.

     Bahá‟u‟lláh

    Hoe kan ik wensen te slapen, o God, mijn God, wanneer zij die naar U hunkeren niet kunnen slapen omdat zij van U gescheiden zijn, en hoe kan ik gaan rusten terwijl de zielen van Uw geliefden worden gepijnigd doordat zij veraf zijn van Uw tegenwoordigheid?

    Ik heb mijn geest en mijn gehele wezen, o mijn Heer, toevertrouwd aan de rechterhand van Uw macht en Uw bescherming; door Uw kracht leg ik mijn hoofd op mijn kussen en naar Uw wil en Uw welbehagen hef ik het op. Gij zijt waarlijk de Behoeder, de Bewaker, de Almachtige, de Almogende.

    Bij Uw macht! Slapend of wakend vraag ik slechts hetgeen Gij wenst. Ik ben Uw dienaar en ik ben in Uw handen. Helpt Gij mij genadiglijk te doen hetgeen de geur van Uw welbehagen zal verspreiden. Dit is waarlijk mijn hoop en de hoop van hen die U nabij zijn. Geprezen zijt Gij, o Heer der werelden!

     Bahá‟u‟lláh

BEPROEVINGEN EN MOEILIJKHEDEN

    Is er iemand die moeilijkheden wegneemt buiten God? Zeg: Ere zij God. Hij is God. Allen zijn Zijn dienaren en allen verblijven bij Zijn gebod.

     de Báb

    Zeg: God voldoet alle dingen boven alle dingen en niets in de hemelen of op aarde behalve God is genoeg. Waarlijk, Hij is in Zichzelf de Wetende, de Helper, de Almachtige.

     de Báb

    Ik smeek U bij Uw macht, o mijn God! Laat mij geen kwaad overkomen in tijden van beproevingen en leid mijn schreden in ogenblikken van achteloosheid op de goede weg door Uw bezieling. Gij zijt God, machtig zijt Gij te doen wat Gij wenst. Niemand kan Uw Wil weerstaan of Uw Plan verijdelen.

     de Báb

    O God, mijn God! Wees niet ver van mij, want beproeving na beproeving stapelt zich op mij. O God, mijn God! Laat mij niet aan mijzelf over, want de zwaarste tegenspoed heeft mij getroffen. Geef mij te drinken van de zuivere melk die uit de boezem van Uw goedertierenheid vloeit, want ik word geheel door dorst verteerd. Beschut mij in de schaduw van de vleugelen van Uw barmhartigheid, want al mijn tegenstanders hebben zich als één man op mij geworpen.

    Houd mij dicht bij de troon van Uw majesteit, oog in oog met de openbaring van de tekenen van Uw heerlijkheid, want diepe ellende treft mij. Voed mij met de vruchten van de Boom van eeuwigheid, want uiterste zwakte heeft mij overmand. Laaf mij uit de bekers van vreugde, die de hand van Uw liefderijke genade aanreikt, want menigvuldige smarten houden mij in hun machtige greep.

    Tooi mij met het rijk bestikte gewaad van Uw almachtige soevereiniteit, want ik ben tot de bedelstaf gebracht. Laat mij inslapen onder het rustgevende gekoer van de Duif van Uw eenheid, want de zwaarste rampen hebben mij getroffen. Laat mij voor de troon van Uw eenheid verblijven, in het volle licht van Uw aanschijn, want vrees en beven hebben mij verpletterd. Dompel mij in de oceaan van Uw vergeving, in het aangezicht van de rusteloosheid van de leviathan van heerlijkheid, want mijn zonden zijn mijn ondergang.

     Bahá‟u‟lláh

    Verdrijf mijn smart met Uw milddadigheid en Uw barmhartigheid, o God, mijn God, en verban mijn angst door Uw soevereiniteit en Uw macht. Gij ziet mij, o mijn God, met naar U geheven gelaat op een ogenblik dat leed mij van alle kanten omgeeft. Ik smeek U, o Gij, Die de Heer zijt van alle zijn, en Die al het zichtbare en onzichtbare overschaduwt, bij Uw Naam waardoor Gij hart en ziel der mensen onderwerpt, en bij de golven van de Oceaan Uwer genade en de pracht van de Dagster Uwer milddadigheid, mij te rekenen tot hen die door niets worden weerhouden hun gelaat tot U te heffen, o Gij Heer aller namen en Maker der hemelen. Gij ziet, o mijn Heer, hetgeen mij in Uw dagen is overkomen. Ik smeek U, bij Hem Die de Dageraad van Uw namen en eigenschappen is, voor mij te bestemmen hetgeen mij in staat zal stellen mij te verheffen om U te dienen en Uw krachten te prijzen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende, Die de gebeden aller mensen pleegt te verhoren. En ten laatste smeek ik U, bij het licht van Uw aanschijn, mijn aangelegenheden te zegenen, mij van mijn schulden te bevrijden en mijn behoeften te bevredigen. Gij zijt Degeen van Wiens macht en van Wiens heerschappij iedere tong getuigt, en Wiens majesteit en Wiens soevereiniteit ieder begrijpend hart erkent. Geen God is er dan Gij, Die luistert en bereid zijt te antwoorden.

    Bahá‟u‟lláh

    Ere zij U, o mijn God! Hoe zouden Uw ware geliefden anders worden herkend dan door de beproevingen die zij te verduren krijgen op Uw pad; en hoe kan de rang van hen die naar U verlangen onthuld worden als bezoekingen niet werden verdragen uit liefde tot U? Uw macht zij mij tot getuige! Allen die U aanbidden hebben hun eigen tranen tot metgezel, en zij die U zoeken worden vertroost door hun kreunen, en het voedsel van hen die zich tot U haasten bestaat uit de scherven van hun gebroken hart.

    Hoe zoet smaakt mij de bitterheid van de dood op Uw pad, en hoe kostbaar schat ik de pijlen van Uw vijanden, die ik het hoofd bied omwille van de verheerlijking van Uw woord! Laat mij in Uw Zaak, o mijn God, met diepe teugen drinken van al wat Gij verlangt, en zend mij in Uw liefde al hetgeen Gij hebt verordend. Bij Uw heerlijkheid! Ik wens slechts hetgeen Gij

    wenst, en heb lief hetgeen Gij liefhebt. In U heb ik te allen tijde mijn gehele hoop en vertrouwen gesteld.

    Ik smeek U, o mijn God, laat als helpers van deze openbaring dezulken opstaan als Uw Naam en Uw Soevereiniteit waardig geacht zullen worden, zodat zij Mij zullen gedenken onder Uw schepselen, en het vaandel van Uw zege in Uw land zullen heffen.

    Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Helper-in-Nood, de Bij-Zich-Bestaande.

    Bahá‟u‟lláh

    O God! Verkwik en verblijd mijn ziel. Zuiver mijn hart. Verlicht mijn geest. Ik leg alles in Uw hand. Gij zijt mijn Gids en mijn Toevlucht. Ik wil niet langer treurig en bedroefd zijn; ik wil gelukkig en blij zijn. O God! ik wil niet langer vol vrees zijn, noch wil ik mij door zorgen laten kwellen. Ik wil niet bij de onaangename dingen des levens stilstaan. O God! Gij zijt een groter vriend voor mij dan ik voor mijzelf ben. Ik wijd mij aan U, o Heer!

     „Abdu‟l-Bahá

BESCHERMING

Hij is de Meedogende, de Almilddadige!

    O God, mijn God! Gij ziet mij, Gij kent mij; Gij zijt mijn Haven en mijn Toevlucht. Niemand heb ik gezocht noch zal ik zoeken buiten U; geen pad heb ik betreden noch zal ik betreden dan het pad van Uw liefde. In de duistere nacht van wanhoop wendt mijn oog zich vol verwachting en hoop naar de morgen van Uw grenzeloze gunst en bij het aanbreken van de dag wordt mijn kwijnende ziel verkwikt en gesterkt door de herinnering aan Uw schoonheid en volmaaktheid. Hij die door de gunst van Uw genade wordt geholpen, al ware hij slechts een druppel, zal een grenzeloze oceaan worden en het kleinste stofje zal, dankzij de uitstorting van Uw goedertierenheid, schitteren als een stralende ster.

    Beschut onder Uw bescherming, o Gij Geest van zuiverheid, Gij Die de almilddadige Verzorger zijt, deze door U geboeide, in vuur geraakte dienaar. Help hem in deze bestaanswereld standvastig en trouw te blijven in Uw liefde en sta toe dat deze vleugellamme vogel een schuilplaats en toevlucht vindt in Uw goddelijk nest dat in de hemelse boom rust.

     „Abdu‟l-Bahá

    O God, mijn God! Bescherm Uw vertrouwde dienaren tegen het kwaad van zelfzucht en begeerte, behoed hen met het wakend oog Uwer goedertierenheid tegen alle wrok, haat en afgunst, beschut hen in de onaantastbare vesting van Uw zorg en maak hen, beveiligd voor de pijlen van twijfel, de manifestaties van Uw heerlijke tekenen; verlicht hun gelaat met de schitterende stralen uit de Dageraad Uwer goddelijke eenheid; verblijd hun hart met de vanuit Uw heilig Koninkrijk geopenbaarde verzen; sterk hun lendenen door Uw albeheersende kracht die uit Uw rijk van heerlijkheid komt.

    Gij zijt de Almilddadige, de Beschermer, de Almachtige, de Genadige.

     „Abdu‟l-Bahá

    O Heer mijn God en mijn Haven in mijn wanhoop! Mijn Schild en mijn Beschutting in mijn leed! Mijn Schuilplaats en mijn Toevlucht in tijd van nood en mijn Metgezel in mijn eenzaamheid. In mijn zielesmart mijn Trooster en in mijn verlatenheid een liefdevol Vriend! De Verlichter van de pijn mijner droefenis en de Vergever mijner zonden!

    Ik keer mij geheel tot U en smeek U dringend, met mijn gehele hart, verstand en tong, mij in dit tijdperk Uwer goddelijke eenheid tegen al hetgeen in strijd is met Uw wil te beschermen,

    en mij van alle smetten te reinigen welke mij zullen beletten onbevlekt en onbesmeurd de schaduw van de boom Uwer genade te zoeken.

    Wees genadig, o Heer, voor de zwakken, maak de zieken gezond en les de brandende dorst. Verblijd het hart waarin het vuur van Uw liefde smeult en zet het in gloed met de vlam van Uw hemelse liefde en van Uw Geest.

    Bekleed de tabernakelen van goddelijke eenheid met het gewaad van heiligheid en zet de kroon van Uw gunst op mijn hoofd.

    Verlicht mijn gelaat met de glans van het hemellicht Uwer milddadigheid en help mij genadiglijk aan Uw heilige drempel te dienen.

    Doe mijn hart overvloeien van liefde voor Uw schepselen en geef dat ik het teken worde van Uw barmhartigheid, het bewijs van Uw genade, de bevorderaar van eensgezindheid onder Uw geliefden, U toegewijd, U gedenkend en het eigen ik vergetend, doch immer indachtig aan hetgeen U toebehoort.

    O God, mijn God! Onthoud mij niet de zachte bries van Uw vergeving en genade en ontneem mij niet de bronnen van Uw hulp en gunst.

    Laat mij onder de schaduw van Uw beschermende vleugels nestelen en laat de blik van Uw albeschermend oog over mij gaan.

    Maak mijn tong los om Uw naam onder Uw volk te verheerlijken, opdat mijn stem in grote bijeenkomsten klinke en een vloed van lof te Uwer ere mij van de lippen strome. Gij zijt waarlijk de Genadige, de Glorierijke, de Krachtige, de Almachtige.

     „Abdu‟l-Bahá

BIJEENKOMST

    O mijn God! O mijn God! Waarlijk, deze dienaren keren zich tot U, Uw koninkrijk van Barmhartigheid aanroepend.

    Zij zijn waarlijk aangetrokken tot Uw heiligheid en in gloed gezet met het vuur van Uw liefde, en zoeken bekrachtiging uit Uw wonderbare koninkrijk en hopen Uw hemels rijk te bereiken. Waarlijk, zij verlangen naar de uitstorting van Uw gaven, en zoeken het licht van de Zon der Werkelijkheid. O Heer! Maak hen tot helder schijnende lampen, tekenen van barmhartigheid, vruchtbare bomen en stralende sterren.

    Mogen zij voorwaarts treden in Uw dienst en met U verbonden worden door de sterke banden van Uw liefde, vol verlangen naar het licht van Uw gunst. O Heer! Maak hen tot tekenen van leiding, standaarden voor Uw onsterfelijk koninkrijk, golven van de zee van Uw genade, weerspiegelingen van het licht van Uw majesteit.

    Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige! Waarlijk, Gij zijt de Barmhartige! Waarlijk, Gij zijt de Dierbare, de Geliefde.

     „Abdu‟l-Bahá

Hij is God!

    O Heer, mijn God, mijn Inniggeliefde!

    Dit zijn Uw dienaren die Uw stem hebben gehoord, die gehoor gaven aan Uw Woord en die Uw roep hebben beluisterd. Zij hebben in U geloofd, Uw wondere daden aanschouwd, Uw bewijs erkend en getuigenis van U afgelegd. Zij hebben Uw wegen bewandeld, Uw leiding gevolgd, Uw mysteriën ontdekt en de geheimen van Uw Boek, de verzen van Uw Geschriften, en de boodschappen van Uw Brieven en Tafelen begrepen.

    Zij hebben zich aan de zoom van Uw kleed geklemd en houden zich vast aan de mantel van Uw licht en verhevenheid. Hun voetstappen zijn gesterkt in Uw Verbond en hun hart is krachtig in Uw Testament. Heer! Ontsteek in hun hart de vlam van Uw goddelijke

    aantrekkingskracht, en geef dat de vogel van liefde en begrip in hun hart moge zingen. Geef dat zij gelijk krachtige tekenen, gelijk schitterende vaandels en volmaakt als Uw Woord mogen worden. Verhef door hen Uw Zaak, ontplooi Uw banieren en maak Uw wondere daden wijd en zijd bekend. Laat Uw Woord door hen zegevieren en sterk de lendenen van Uw geliefden. Maak hun tong los om Uw Naam te loven en beziel hen om Uw heilige wil en welbehagen te doen. Verlicht hun gelaat in Uw koninkrijk van heiligheid en maak hun vreugde volmaakt door hen te helpen opstaan om Uw Zaak te doen zegevieren. Heer, wij zijn zwak, sterk ons om de geuren van Uw Heiligheid te verspreiden; wij zijn arm, verrijk ons met de schatten van Uw goddelijke Eenheid; wij zijn naakt, kleed ons met het kleed van Uw milddadigheid; wij zijn zondig, vergeef ons onze zonden door Uw genade, Uw gunst en Uw vergiffenis. Gij zijt waarlijk onze Steun, de Helper, de Genadige, de Machtige, de Krachtige.

    De heerlijkheid der heerlijkheden ruste op hen die getrouw en standvastig zijn.

     „Abdu‟l-Bahá

    O Gij Meedogende, Almachtige! Deze hier bijeengekomen zielen hebben hun gelaat in aanbidding tot U gekeerd. Met de uiterste nederigheid en ootmoed zien zij naar Uw Koninkrijk en smeken zij U om genade en vergeving. O God! Sluit deze vergadering in Uw hart. Heilig deze zielen en doe de stralen van Uw leiding op hen schijnen. Verlicht hun hart en verblijd hun geest met Uw blijde boodschap.

    Ontvang hen allen in Uw heilig Koninkrijk, schenk hun Uw onuitputtelijke milddadigheid, maak hen gelukkig in deze wereld en in de komende. O God! Wij zijn zwak; geef ons kracht. Wij zijn arm; verleen ons Uw onbegrensde rijkdommen. Wij zijn ziek; schenk ons Uw goddelijke genezing. Wij zijn krachteloos; geef ons Uw hemelse kracht. O Heer! Maak ons nuttig in deze wereld; bevrijd ons uit de staat van zelfzucht en begeerte. O Heer! Maak ons standvastig in Uw liefde en maak dat wij de gehele mensheid liefhebben. Bekrachtig ons in dienstbaarheid aan het mensdom, zodat wij dienaren van Uw dienaren mogen worden, opdat wij al Uw schepselen liefhebben en Uw gehele volk mededogen betonen.

    O Heer! Gij zijt de Almachtige! Gij zijt de Barmhartige! Gij zijt de Vergever! Gij zijt de Almogende!

     „Abdu‟l-Bahá

EENHEID

    O onze God! Wij smeken U, bij de Koning van namen en de Maker van hemelen en aarde, bij het geritsel van de bladeren van de Boom des Levens, en bij Uw woorden waardoor de werkelijkheid der dingen ons nader komt, te schenken dat eenheid in de liefde Gods spoedig in de gehele wereld moge heersen; dat Gij ons altijd en onmiskenbaar zult leiden naar al wat Gij wenst dat wij zullen doen, en dat wij steeds sterk mogen zijn en ten volle bereid onmiddellijk stipte en volkomen gehoorzaamheid te betrachten.

     Bahá‟u‟lláh

    Glorie zij U, o God, voor Uw manifestatie van liefde tot de mensheid. O Gij, Die ons Leven en Licht zijt, leid Uw dienaren op Uw weg en maak ons rijk in U en vrij van alles buiten U. O God, leer ons Uw Een-zijn en schenk ons besef van Uw Eenheid, opdat wij niemand buiten U zullen zien. Gij zijt de Genadige en de Schenker van weldaden!

    O God, schep in het hart van Uw geliefden het vuur van Uw liefde, opdat het de gedachte aan alles buiten U vertere.

    Openbaar ons, o God, Uw verheven eeuwigheid; dat Gij eeuwig waart en eeuwig zijn zult en dat er geen God is buiten U. Waarlijk, in U zullen wij rust en sterkte vinden.

     Bahá‟u‟lláh

    O mijn God, o mijn God! Verenig de harten van Uw dienaren en openbaar hun Uw verheven plan. Mogen zij Uw geboden nakomen en bij Uw wet verblijven. Help hen, o God, in hun streven en schenk hun kracht U te dienen.

    O God, laat hen niet aan zichzelf over, maar leid hun schreden met het licht van Uw kennis, en verblijd hun hart met Uw liefde. Waarlijk, Gij zijt hun Helper en hun Heer.

     Bahá‟u‟lláh

    O Gij, liefderijk Heer! Gij hebt de gehele mensheid geschapen uit dezelfde ouders. Gij hebt beschikt dat allen tot dezelfde familie behoren. Voor Uw heilig Aanschijn zijn allen Uw dienaren en de gehele mensheid wordt door Uw Tabernakel beschermd; allen zijn verzameld rond Uw tafel van overvloed en allen worden verlicht door het licht van Uw voorzienigheid. O God! Gij zijt vriendelijk voor allen, Gij zorgt voor allen. Gij beschermt allen. Gij verleent leven aan allen. Gij hebt allen met talenten en mogelijkheden begiftigd; allen zijn gedompeld in de oceaan van Uw genade.

    O Gij, liefderijk Heer! Verenig allen. Laat de godsdiensten eensgezind zijn; maak de volkeren één, zodat zij elkaar als één familie zullen beschouwen en de gehele aarde als één thuis. Mogen zij in eenheid en eendracht met elkaar omgaan.

    O God! Hef hoog het vaandel van de eenheid der mensheid.

    O God! Sticht de Allergrootste Vrede.

    Smeed de harten aaneen, o God! O Gij, liefderijk Vader, God! Verblijd ons hart met de geur van Uw liefde. Verhelder onze ogen met het licht van Uw leiding; streel onze oren met de melodie van Uw Woord en beschut ons allen in de vesting van Uw voorzienigheid. Gij zijt de Machtige en de Krachtige! Gij zijt de Vergevende en Degeen Die de tekortkomingen der gehele mensheid niet telt.

     „Abdu‟l-Bahá

FONDS

    Alle vrienden van God ... moeten in de mate waarin dat mogelijk is bijdragen, hoe bescheiden hun gift ook moge zijn. God belast geen ziel boven zijn kunnen. Zulke bijdragen moeten uit alle centra, van alle gelovigen komen ... O vrienden van God! Weest ervan verzekerd dat uw landbouw, uw industrie en uw handel in ruil voor deze bijdragen gezegend zullen worden met veelvuldige groei, met goede gaven en gunsten. Hij die met één aanzienlijke schenking komt zal een tienvoudige beloning ontvangen. Het lijdt geen twijfel dat de levende Heer diegenen die hun rijkdommen op Zijn pad besteden overvloedig zal sterken.

    O God, mijn God! Verlicht het voorhoofd van uw ware minnaars en sta hen bij met de engelenscharen van een zekere overwinning. Plaats hun voeten stevig op Uw rechte pad, en stel uit Uw aloude milddadigheid de poorten van Uw zegeningen voor hen open, want zij besteden hetgeen Gij hen geschonken hebt op Uw weg, terwijl ze Uw Geloof beschermen, hun vertrouwen stellen in het U gedenken, hun hart opofferen uit liefde voor U en wat zij bezitten niet achterhouden, uit aanbidding voor Uw Schoonheid en in hun streven wegen te vinden om U te behagen.

    O mijn Heer! Beschik voor hen een overvloedig deel, een voor hen bestemde vergoeding en een zekere beloning.

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com