DOC

Samenvatting psychologie

By Emma Reynolds,2014-07-12 14:57
10 views 0
Samenvatting psychologieSame

H11 DE ONTWIKKELING VAN GEDACHTEN EN TAAL

DE EERSTE 2 JAAR

    Ontwikkelings psychologie: studie die zich bezighoudt met de veranderingen die optreden in

    de bekwaamheid en de aard van mensen wanneer zij ouder

    worden.

     Meeste onderzoek in de eerste 2 jaar: Onderzoeksmanieren:

     Preferential looking paradigma

     Habituatie dishabituatie paradigma

    Zuigeling: 18 tot 24 maanden na de geboorte (in deze periode ontwikkelt een kind zich het snelst).

Hoe leren kinderen?

     Alle zintuigen doen het al (geboorte)

    Kinderen reageren al vanaf de geboorte op geluiden, geuren enz.

     Voorkeur voor ‘novelty’

    Kinderen hebben de voorkeur voor nieuwe objecten/ fenomenen na habituatie van een object/ fenomeen. Van nieuwe objecten valt meer te leren.

     Voorkeur voor beheersen omgeving

    Invloed uitoefenen op de omgeving. (Mensen overleven door hun omgeving te controleren). Oog-hand coördinatie

    Kinderen kunnen op deze manier objecten testen door bijv. Objecten in hun mond te steken (3/4

    maanden). Later proberen ze objecten te testen door betasten/bekijken (5/6 maanden). Volwassene volgen (6 maanden)

    Kinderen volgen hun ouders en doen ze na. Kinderen vinden het leuk om invloed uit te oefenen op mensen/omgeving. Wanneer een kind kijkt naar de emotie van ouders bij een bepaalde actie van het kind spreekt men van sociale referentie.

    Joint visual attention: een baby richt zijn/haar ogen op hetgene waar zijn/haar ouders zich op richten.

Kern-kennisprincipes

    = aannames over hoe de wereld werkt.

Empiricisten Nativisten

    Kennis verkrijgt men in de loop der jaren. Kennis is deels aangeboren.

Experimenten wie er ‘gelijk’ heeft:

    1. Experiment ‘violation-of-expectancy’

    Eerste fase: habituatie van een gebeurtenis.

    Daarna: onmogelijke gebeurtenis of mogelijke gebeurtenis.

    Kinderen kijken langer naar onmogelijke gebeurtenissen dan naar mogelijke gebeurtenissen. Ondersteuning theorie aangeboren kernkennis.

2. Experiment objectpermanentie

    Piaget: baby van 5 maanden toont nog geen object-permanentie (= de aanname dat een object

    nog steeds bestaat ook als is het uit het zicht). Dit kan komen door gemis kennis handbeweging; wordt bevorderd door ‘self-locomotion’ (=jezelf voortbewegen). Object permanentie treed pas later in de ontwikkeling van een kind op.

     1

Ondersteuning theorie geleidelijke ontwikkeling.

JEAN PIAGET (1896-1980)

Kind is een ‘small scientist’:

    - Autonome interesse in dingen om zich heen.

    - Exploreert, manipuleert, test de wereld.

    - Taal als bij-effect van denken/ verbale denkvorm.

Piaget’s schema’s

     Mentale ontwikkeling ontstaat door acties van een kind op zijn fysieke omgeving d.m.v.

    spelen/ontdekken. Het ontwikkelt hierdoor schema’s die als blauwprint werken voor de volgende

    acties.

Schema’s ontwikkelen zich op 2 manieren:

    1. Assimilatie = het aanpassen van de ervaring aan de bestaande schema’s.

    2. Accommodatie = het aanpassen van de schema’s / kennis aan de ervaring.

Experimenten met ‘operations’

    = acties die bijdragen aan mentale ontwikkeling door omkeerbare acties: effecten kunnen worden

    teruggedraaid.

4 ontwikkelingsstadia:

0-2 jaar: sensorimotor stadium sensorimotorisch schema

    - Informatie over de wereld verkrijgt een kind door motorische acties, feedback op de zintuigen.

    - Objectpermanentie ontwikkelt zich geleidelijk.

2-7 jaar: pre-operationele stadium pre-operationeel schema

    - Gebaseerd op verschijning, niet op principes.

    - Groeperen a.d.h.v. één enkel kenmerk.

    - Voorstelling maken, nog geen logisch denken.

    - Egocentrisch: een kind bekijkt alles vanuit zichzelf (3-bergen-test).

7-12 jaar: concreet-operationele stadium concreet-operationeel schema

    - Logisch nadenken over concrete zaken (bijv. de omkeerbaarheid van zaken). - Groeperen op meerdere kenmerken tegelijk.

     2

    - Conservatie aantal, massa, gewicht (conservatietest: test met de 2 verschillende

    drinkglazen met dezelfde hoeveelheid limonade).

V.a. 12 jaar: formeel-operationele stadium formeel-operationeel schema

    - Abstract kunnen denken.

    - Hypothesen systematisch kunnen testen.

Kritiek op Piaget:

     Leeftijdsverschillen overschat in manieren van denken. (Kinderen wordt onderschat in wat zij

    kunnen, en volwassenen worder overschat in wat zij kunnen).

     Kinderen kunnen al vroeger veel meer. (Uit onderzoek gebleken).

     Vaagheid over het proces van verandering. (Te grote afstand van gegevens over gedrag van

    kinderen. Wat is precies een schema?)

     Onderbelicht rol sociale ervaring. (De rol van ouders en de sociale omgeving als

    beinvloedingsfactor wordt niet genoemd in Piaget’s stadia).

VERGELIJKING PIAGET INFORMATION PROCESSING

    = de geest is een set van interactieve componenten, waarvan alke kan veranderen naar mate je ouder wordt. Het werkgeheugen is een ‘processor.

Uit gedragingen blijkt dat baby’s impliciet (= onbewuste herinneringen) geheugen hebben.

     Uit de eerste woordjes blijkt dat baby’s semantisch (=algemene betekenis, expliciet geheugen)

    geheugen hebben.

Ontwikkeling lange termijn geheugen

    Expliciete herinneringen: bewuste gedachten die je kan rapporteren. blijkt uit gedragingen van

    baby’s.

    Impliciete herinneringen: onbewuste herinneringen. blijkt uit de eerste woordjes van baby’s.

Ontwikkeling korte termijn geheugen

    = centrum van bewuste gedachten.

Information processing versus Piaget

     IP heeft geen vaste stadia.

     IP gedifferentieerder systeem, Piaget meer ‘holistisch’.

     IP veel preciezer, op interactiviteit.

    Mentale onwikkelingen komen voort uit strategien om bepaalde problemen op te lossen. Siegler’s ‘balanstaak’

     IP: taken afbreken in componenten.

     Kijken gradueel welke meer vernuftige strategieën worden verworven. Vaststelling: steeds meer verfijnde regels op verschillende leeftijden gehanteerd. (Zie regels op pagina 401)

     > Cognitieve ontwikkeling (= het in staat zijn van opnemen, verwerken en opnieuw gebruiken van kennis en informatie) door toename verwerving en complexiteit van regels.

Het begrijpen van andermans ‘mind’

     3

     Onjuiste overtuigingen Kinderen beredeneren op basis van mentale constructen (emoties,

    verwachtingen enz.) en niet op basis van geloof. Ze begrijpen het verschil tussen realiteit en

    geloven niet (bijv. Sally-en-Anne-test).

     Net-als-spelletjes legt basis voor andere soorten van logisch redeneren.

    o Piaget: oefening voor kinderen om objectenin abcentie te symboliseren.

    o Begrijpen van niet letterlijke mentale staat manipulatie.

    o Fundering voor het logisch analyseren i.p.v. de realiteit als fundering gebruiken

    hypothesen.

    Overeenkomst: mentale concepties zijn afgeleid van de realiteit. Verschil: bij net-als-spelletjes is het kind zich bewust dat het niet om de realiteit gaat.

VERGELIJKING PIAGET - LEN VYGOTSKY (1896 1934)

    = Kind is een ‘social animal’. Kinderen ontwikkelen zich in een sociocultureel milieu met constante interactie met andere mensen en producten van hun culturele achtergrond. - Ouder-kind-interactie staat centraal.

    - Social referencing (kind volgt de ouders).

    - Taal als basis voor het ‘hogere denken’.

TAALONTWIKKELING

    Taal: Fundering voor de ontwikkeling van complexte mentale gedachten. Taal reflecteert

    in gedachten culturele waarden en activiteiten.

    Spraak: Kinderen rond 4/6 jaar praten hardop om problemen beter en sneller te begrijpen en op te lossen.

    Collaboratie: Kind leert eerst te converseren en dan pas te denken in een bepaalde taal.

    (Kritisch denken ontstaat door dialogen te voeren met anderen).

    Wat is taal? Elke taal heeft een vocabulair die bestaat uit symbolen en entiteiten die tevens andere entiteiten representeren.

     Symbolen in een taal = morfenen (gebaren, ideeen, woorden, karakteristieken enz).

    o Content morfenen: werkwoorden, zelfstandignaamwoorden enz.

    o Grammaticale morfenen: verwijswoorden, lidwoorden enz.

     Is hiërarchisch opgebouwd, incl. fonemen (klanken en letters). Zie schema op pag. 407.

     Vooral opgeslagen in impliciet geheugen.

    Pasgeborenen kunnen al onderscheid maken in fonemen.

    - Rond 8 maanden beginnen baby’s te brabbelen als de geluiden die ze om zich heen horen

    - Rond 10/ 12 maanden produceren ze de eerste echte woordjes

    - Rond 18 24 maanden ontstaan de eerste zinnen, eerst ook nog veel grammaticafouten, zoals:

    *Overextensie (alles met vier poten is een hond)

    *Onderextensie (alle honden zijn Fikkie)

    *Overgeneralisatie van grammaticaregels (een hond, twee honds)

Noam Chomsky (1928 - …)

    Hypothese van de universele grammatica:

    - Aangeboren taalvermogen dat alle mensen delen (‘language-acquisition device’).

    - Dit verklaart de overeenkomst in menselijke talen.

     4

H12 SOCIALE ONTWIKKELING

SOCIALE ONTWIKKELING

    = verloop van onze relaties met anderen.

    - Evolutie speelt hierin weer een rol.

    - Kijk naar culturen, gender, leeftijd.

Ontwikkeling in leeftijd:

    - Baby: afhankelijk van verzorgers.

    - Vroege jeugd: interactie met verzorgers.

    - Late jeugd: invloed van ‘peers’.

    - Adolescentie: ontwikkeling van onafhankelijkheid.

    - Volwassenheid: levensvervulling. (Liefde, huwelijk, succes en werk)

    - Ouderdom: nadering van de dood.

BIOLOGISCHE THEORIEEN

> De emotionele band tussen ouders en kinderen wordt versterkt door instinctieve houdingen van

    beiden.

    > Baby’s bouwen een emotionele band op met degene waar zij het meest afhankelijk van zijn. Zij

    gebruiken die persoon als basis om de wereld te ontdekken.

    1. Bowlby / Harlow: hechtingstheorie VERSUS 2. Erikson: psychosociale theorie

1. Hechtingstheorie van Bowlby:

     Evolutie > emotionele band tussen baby en verzorger wordt bevorderd door instinctieve

    neigingen van beiden.

     Baby’s zijn niet passief afhankelijk.

     Vanaf 8 maanden ontstaat separatie-angst: spanning bij scheiding moeder/ aanwezigheid

    vreemde.

Strange-situation test:

    Kind in kamer met moeder. Moeder gaat weg of vreemdeling komt binnen. Hoe reageert het

    kind?

Er zijn 3 hechtingsstijlen:

     Veilig gehecht (secure) Kind reageert boos en verontwaardigd als de verzorger weg is.

     Vermijdend gehecht (avoidant) Kind reageert nauwelijks op de afwezigheid van de

    verzorger.

     Angstig afwerend gehecht (anxious) Kind kan niet zonder de verzorger.

    >De verzorger is degene die iets kan veranderen aan de hechtingsstijl. >Volgens psychologen beinvloedt de kwaliteit van de hechting de ontwikkeling van het kind.

    >Hechting met vaders, grootouders en juffen etc. hebben een positieve invloed op de ontwikkeling

    van het kind.

    >In culturen van jagers en verzamelaars is er sprake van meer vaderlijke betrokkenheid.

     5

Indulgent parenting: toegeeflijke ouders. Het kind leert niet om te gaan met frustratie en het

    wordt zeurderig.

    ***Experiment hechting bij aapjes (Harlow) pag. 424. Bevindingen:

     Kinderen van 8 mnd 3 jaar vertonen zelfde gedrag als aapjes. Hechting heeft biologische ondergrond, vanuit natuurlijke selectie. Goede hechting leidt later tot betere relaties (secure). Dit patroon zie je ook terug bij volwassen relaties!! Culturele verschillen in verzorging:

    - In het westen slapen kinderen met teddyberen enz.

    - In primitieve culturen slapen kindenen bij hun ouders. Uit onderzoek is gebleken dat

    kinderen die bij hun ouders slapen in de toekomst vaak succesvoller zijn.

2. Psychosociale theorie van Erikson:

    = De manier waarop verzorgers reageren op acties van de kinderen en de manier waarop

    conflicten worden opgelost zijn van invloed op sociale ontwikkeling van het kind en het verdere

    leven.

     Geinspireerd door Freud.

     Gericht op sociale ontwikkeling gedurende het hele leven. In het leven kom je terecht in verschillende crises c.q. ontwikkelingsuitdagingen.

Levensstadia volgens Erikson:

    1. Vertrouwen vs wantrouwen (0 1 jr)

    2. Autonomie vs schaamte/twijfel (1 3 jr)

    3. Initiatief vs schuld (3 5 jr)

    4. Competentie vs inferioriteit (5 12 jr)

    5. Identiteit vs rolverwarring (adolescentie)

    6. Intimiteit vs isolement (jonge volwassenheid)

    7. Generativiteit vs stagnatie (volwassenheid)

    8. Integriteit vs wanhoop (ouderdom)

CULTURELE THEORIEEN

Wat houdt dit perspectief in?

    Vygotsky’s socioculturele perspectief.

     Sociale ecologie: het gehele netwerk interacties en afhankelijkheid van mensen met hun

    gehele omgeving.

     Sociaal-ecologische theorie van Bronfenbenner.

     6

***Voorbeeld cultuur: slaapgewoontes

    Westen: uitgebreid bedritueel, maar kind slaapt alleen.

    Elders: kind slaapt bij ouders.

***Voorbeeld omgeving: opvoedstijl-theorie van Hoffman

    Correlatie tussen opvoedstijl en gedrag van kinderen

    Drie opvoedstijlen:

    - Autoritair: gehoorzaamheid en macht uitoefenen op kinderen discipline.

    - Autoratief : kinderen leren zelf wat goed/fout is onder begeleiding van de

    verzorger.

    - Permissief: verzorgers zijn tolerant t.o.v. kinderen en geven geen grenzen aan.

    Discipline: methode van verzorgers om gedrag van kinderen te stoppen of te manipuleren.

    1. Inductie: verbale redenering die kinderen aanzet om na te denken over de

    gevolgen van hun acties.

    2. Power assertion: fysieke kracht om te straffen.

    3. Love withdrawl: uiten van minachting t.o.v. het kind i.p.v. een bepaalde actie van

    het kind.

Punt 2&3 maken negatieve emoties in het kind los.

    ***Voorbeeld omgeving: het belang van ‘peers’

    > In late jeugd begint dit steeds belangrijker te worden.

    > Bij kinderen belangrijk voor ontwikkeling gender-identiteit.

     Als zuigeling worden jongens en meisjes verschillend behandeld:

     - Jongens zijn sneller geirriteerd en zij reageren minder op de verzorger.

     - Tegen meisjes wordt meer gepraat, zij worden meer geholpen en gerustgesteld.

     - Van jongens wordt verwacht dat ze problemen zelf oplossen.

     Kinderen nemen zelf een gender-identiteit aan.

     Jonge kinderen overgeneraliseren geslachtsverschillen:

     - Alleen spelen met eige sexe.

     - Andere sexe belachelijk maken.

    > Peers zijn de doelen waarop kinderen zich focussen.

    > Gelijken helpen je later met overleven en reproduceren.

    > Bij adolescenten invloed op o.a. ontwikkeling moraliteit, criminaliteit, roekeloos gedrag.

     Adolecentie: de transitieperiode van kind naar volwassene, begint met de puberteit.

     Erikson: adolecentie is het niveau van de identiteitscrisis.

     Ontwikkeling moraliteit:

     - Adolecenten meer onafhankelijk & zij verkrijgen emotionele banden met gelijken.

     - Verbreken van gender verschillen.

     - Men vind het belangrijk om er hetzelfde uit te zien als gelijken.

     Criminaliteit en roekeloosgedrag:

     - Rebellie tegen ouders.

     - Myth of invulnerability: gevoel van onaantastbaarheid.

     - Sensation seekers: adrenaline rush.

     - Agressiveness: snel uitgelokt zijn of uitlokken.

    Moffit: hoge mate van delinquentie door pathologisch bij-effect van het vroege begin van

    de puberteit en de late acceptatie van volwassenheid.

     7

Functies van spelen:

    1. Verkrijgen van vaardigheden: ontwikkeling vaardigheden die cruciaal zijn voor overleving

    en reproductie.

    2. Verkrijgen van zelfcontrole: goed voor moraal ontwikkeling oplossen problemen.

    3. Leeftijd mix spellen: dit soort spellen zijn kwalitatiever omdat ze minder competief zijn.

COGNITIEVE THEORIEEN

    Morele ontwikkelingstheorie van Kohlberg: = Sociale ontwikkeling, ontwikkeling van het moraliteits gevoel.

Vergelijk Piagets stadia.

     Niveau 0 = premoraliteit

Zes stadia, in drie morele niveaus:

1. Preconventioneel moreel niveau

    Stadium 1: Gehoorzaamheid en straf

     > Hoe kan ik straf ontlopen?

    Stadium 2: Individualisme en uitwisseling

     > Wat valt er voor mij uit te halen?

2. Conventioneel moreel niveau

    Stadium 3: Goede interpersoonlijke relaties

     > Ben ik een goed meisje/ goede jongen? Stadium 4: Handhaven sociale orde

     > Goed is wat de regels en wetten zijn

3. Postconventioneel moreel niveau

    Stadium 5: Sociaal contract en individuele rechten

     > Goed is wat in overleg is overeengekomen Stadium 6: Universele principes

     > Eigen abstracte principes van bijv. gerechtigheid, waarheid en eerlijkheid

Niet iedereen komt in het laatste niveau. Men kan pas in een volgend niveau komen als hij/zij de

    vorige stadia doorlopen heeft.

HOOFDSTUK 13 SOCIAL PERCEPTIONS AND ATTITUDES

    Mensen zijn naïeve psychologen, andere mensen begrijpen helpt ons hun gedrag te voorspellen

    en helpt te beslissen hoe we met hen moeten interacteren.

    Attributie = Een claim over causaliteit, het toeschrijven van de oorzaken van gedrag aan interne of

    aan externe factoren.

Kelley-model; hoe kom je tot een attributie :

    1. Consistentie: reageert de persoon zo ook in andere situatie.

    2. Consensus: reageren anderen vaker zo in deze situatie.

    3. Distinctiviteit: reageert de persoon vaker zo in dezelfde situatie.

     8

Attributiefouten:

     Persoonsvertekening: Mensen geven meer gewicht aan persoonlijkheid en minder aan de

    externe factoren

    (masterstatus).

     Actor-observeerder-

    discrepantie: De neiging om iemand anders gedrag te attributeren aan interne factoren,

    en het

    eigen gedrag aan externe factoren. Vooral bij gevallen waarin het gedrag

    een negatief resultaat oplevert.

    o Als actor heb jij immers de meeste kennis over jezelf.

    o Visuele oriëntatie: onze ogen kijken naar buiten.

     Schema’s: Een georganiseerde set van informatie of overtuigingen die we

    hebben over een entiteit of

    gebeurtenis.

     Aantrekkelijkheids-

    vertekening: Fysiek aantrekkelijke mensen worden sneller geattributeerd als

    intelligent, competent,

    aardig sociaal en moralistisch, dan minder aantrekkelijke mensen.

     Baby-face bias: Omdat mensen instinctief op baby’s reageren met compassie en

    zorg, worden volwassenen

    met de gezichtskenmerken van een baby geattributeerd als naïef, eerlijk,

    aardig en warm.

    Waarneming van jezelf is een sociaal product: je moet je eerst van anderen bewust zijn, en van de manier waarop je ze behandelen. Zelfbewustzijn is een belangrijk kenmerk van het menselijke ras.

Positieve bias van attributie:

     Pygmalion-effect: de verwachting die anderen hebben van een persoon, is van invloed op

    het zelfbeeld en gedrag.

     Sociale vergelijking: hoe je over jezelf voelt hangt af van je referentiekader. Door onzelf

    met anderen te vergelijken kunnen we onze unieke karakteristieken identificeren en

    onderscheiden.

     Self-serving attributiebias: positieve kwaliteiten van het persoon worden aan zichzelf

    toegeschreven, negatieve kwaliteiten aan de situatie.

     Vage criteria: leidt tot eigen definitie van dingen die belangrijk zijn voor je.

Niet westerse culturen echter:

    o Collectivistischere culturen.

    o Nadruk op inter-afhankelijkheid en sociale identiteit.

    o Zien zichzelf verschillend in verschillende sociale contexten.

    o Attributeren meer aan de sociale groep, de ideale persoon is iemand die zich

    bescheiden opstelt in de groep.

Waarneming van anderen:

    Tajfel: persoonlijke identiteit is de zelfbeschrijving als individu, de sociale identiteit is de zelfbeschrijving aan groepen.

     9

Groepen bieden je een identiteit, laten je goed voelen en doen ons zelfvertrouwen groeien.

    Stereotypen: we benaderen anderen op basis van hun sociale identiteit en zien alle leden van een bepaalde groep als gelijk.

    1. Zo kun je op een snelle manier over valide informatie over een persoon beschikken.

    2. Zo kan de complexe werkelijkheid gesimplificeerd worden.

    3. Rechtvaardiging eigen gedrag t.o.v. andere groepen.

    4. Differentiatie- eigen identiteit bepalen aan de hand van anderen.

* Gevaar in stereotypen

Expliciete stereotypen:

    1. Zijn publieke uitspraken over een bepaalde groep.

    2. Zijn private gedachten over een bepaalde groep, zonder dat te delen met anderen.

    (te verhelpen door logica).

Impliciete stereotypen:

    3. Zijn mentale representaties die ons oordeel sturen tegenover leden van een bepaalde groep

    zonder je daarvan bewust te zijn (primitieve emotionele basis discriminatie & vooroordelen).

>>impliciet stereotype wordt getest middels:

    o Priming: hiermee wordt de sterkte van mentale associatie gemeten op basis van je

    reactietijd.

    o Impliciete associatietest: men classificeert twee concepten samen als ze al sterk met

    elkaar geassocieerd zijn in de geest. Woorden associëren met goed & slecht. En dan de

    reactietijd meten.

Attitudes

    Attitude = een mening of overtuiging met een evaluatieve component, d.w.z. met een oordeel over een specifiek object, het bindt het individu cognitief en emotioneel aan de sociale wereld. (Het is een bepaalde houding of iets.)

1. Attitude door klassieke conditionering.

    Men voelt zich positief over iets als het gelinkt is geweest met een fijne ervaring en andersom.

    2. Attitude door heuristieken.

    Automatisch proces, een binnendoorweggetje, om informatie snel te evalueren en een attitude

    te ontwikkelen. Door dure, moeilijke woorden te lezen, beroemde personen, autoriteit

    verbonden te zien aan het fenomeen van interesse.

    3. Attitude door systematisch denken.

    Een boodschap wordt pas systematisch opgeslagen als er persoonlijk belang bij is.

    Centrale route het concentreren op specifieke informatie omdat het belangrijk is.

    Perifere route informatie is niet belangrijk, dus wordt er gelet op dingen om het onderwerp

    heen. (reclame).

    Cognitieve dissonantie: een spanningsgevoel die er ontstaat als een persoon beseft dat hij er tegenstrijdige attitudes op na houdt.

     10

Report this document

For any questions or suggestions please email
cust-service@docsford.com